Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5260

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
29-04-2014
Zaaknummer
2013/46
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingskamer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0403

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2013/46

rekestnummer: 450365/ KG RK 13-1747

rolnummer: 1260394 CV EXPL 13-9111

datum beslissing: 30 september 2013

BESLISSING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de zaak van:

[verzoeker] h.o.d.n. [verzoeker],

wonende te [vestigingsplaats 2],

gemachtigde: mr. M.F.A. Enait,

verzoeker (hierna: [verzoeker]),

strekkende tot wraking van:

[de kantonrechter],

kantonrechter in de rechtbank Den Haag (hierna: de kantonrechter).

Belanghebbende:

de stichting

[de stichting],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats 1],

gemachtigde: mr. M.H.D. Vergouwen

(hierna: de stichting).

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1.

Op 10 april 2013 heeft de stichting [verzoeker] gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van deze rechtbank, sector kanton, waarbij zij onder meer vordert [verzoeker] te veroordelen tot naleving van de CAO voor uitzendkrachten. Op 5 september 2013 is de kantonrechter overgegaan tot een comparitie na antwoord. [verzoeker] heeft de kantonrechter ter comparitie gewraakt. De kantonrechter heeft bij brief van 11 september 2013 gereageerd op het wrakingsverzoek.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

2.1.

Op 16 september 2013 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. De gemachtigde van [verzoeker], mr. Enait, is verschenen. De kantonrechter is niet verschenen.

3. Het standpunt van [verzoeker]

3.1.

Aan het wrakingsverzoek is – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. De kantonrechter is een paar minuten te vroeg aan de zitting begonnen, waardoor [verzoeker] en zijn gemachtigde het begin van de zitting hebben gemist. De kantonrechter heeft zich op de comparitie denigrerend opgesteld door te vragen of de gemachtigde van [verzoeker] wel bekend is met de (proces)regels. Voorts heeft hij de met [verzoeker] meegekomen boekhouder niet aan het woord gelaten, terwijl de boekhouder de aangewezen persoon met deskundigheid is om op de stellingen van de wederpartij te reageren.

4 Het standpunt van de kantonrechter

4.1.

De kantonrechter heeft zich op het standpunt gesteld dat de wraking ongegrond is. [verzoeker] was niet aanwezig op het aanvangstijdstip van de comparitie en verscheen enige minuten nadat de overigen de zaal waren binnengekomen. Nadat de raadsman van [verzoeker] meedeelde dat hij het woord aan de boekhouder gaf, heeft de kantonrechter gezegd dat het niet aan hem was om iemand het woord te geven en dat de kantonrechter – indien hij vragen zou hebben aan een aanwezige – niet zou schromen die vragen te stellen op een door hem passend te achten moment. De kantonrechter heeft voorts gezegd dat hij de raadsman met de procesregels bekend veronderstelde en heeft de raadsman verzocht zijn betoog voort te zetten. Van neerbuigendheid jegens de raadsman van [verzoeker] is geen sprake geweest en bovendien kan uit de bejegening niet worden geconcludeerd dat de kantonrechter vooringenomen is geweest tegen [verzoeker].

5 De beoordeling

5.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.3.

Partijen twisten over de vraag of de kantonrechter te vroeg is begonnen met de behandeling van de zaak of dat [verzoeker] te laat aanwezig was. Wat daar ook van zij, de beslissing om aan te vangen met de behandeling van de zaak zonder dat [verzoeker] daarbij aanwezig was, is een processuele beslissing. Dat geldt eveneens voor de weigering van de kantonrechter om de boekhouder van [verzoeker] het woord te geven. Dergelijke beslissingen leveren in het algemeen geen grond voor wraking op. Het is immers de taak van de rechter om de procesorde te bewaken en erop toe te zien dat het civiele procesrecht op juiste wijze wordt toegepast. Dit kan anders zijn wanneer er sprake is van bijzondere, bijkomende omstandigheden die grond geven te vrezen voor onpartijdigheid of die de schijn van vooringenomenheid wekken. Dergelijke omstandigheden zijn door [verzoeker] evenwel gesteld noch aannemelijk geworden.

5.4.

De kantonrechter betwist voorts dat hij zich neerbuigend zou hebben opgesteld. Uit het van de comparitie opgemaakte proces-verbaal volgt dat – zoals de kantonrechter ook in zijn reactie op het wrakingsverzoek heeft verklaard – de kantonrechter de raadsman van [verzoeker] ter comparitie heeft gewezen op de procesregels. De wrakingskamer is van oordeel dat die enkele opmerking onvoldoende is voor het aannemen van vooringenomenheid. Afhankelijk van de exacte bewoordingen – die in deze procedure niet zijn vastgesteld – en de toon daarvan kunnen [verzoeker] en zijn raadsman het gevoel hebben gekregen niet correct te zijn bejegend. Een dergelijke bejegeningskwestie vormt echter geen grond voor wraking.

5.5.

Feiten of omstandigheden die blijk geven van vooringenomenheid of die de vrees voor onpartijdigheid objectief rechtvaardigen zijn dan ook niet gebleken. Een en ander leidt tot de conclusie dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

6 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het wrakingsverzoek af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, Rv wordt toegezonden aan:

• [verzoeker] p/a mr. M.F.A. Enait;

• de stichting;

• de kantonrechter.

Deze beslissing is gegeven door mrs. G.P. Verbeek, T.F. Hesselink en R. Cats, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.A. van Dijk-Verheij als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2013.