Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5228

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
2412303 RL EXPL 13-30036
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

luchtvaartclaim; staatsaansprakelijkheid; köblerarrest;

De kantonrechter heeft de luchtvaartclaim van eisers afgewezen. Eisers vorderen schadevergoeding van de Staat; volgens hen heeft de kantonrechter het unierecht onjuist toegepast en is sprake van een kennelijke schending.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2014/76
S&S 2014/128

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Den Haag

at

Rolnummer: 2412303 RL EXPL 13-30036

15 april 2014

Vonnis in de zaak van:

1.

[eiser 1],

wonende te [woonplaats 1],

2.

Bas Mathijs Antonius [eiser 2],

3.

Kelly Matheus Hubertina [eiser 3],

beiden wonende te[woonplaats 2],
eisers,
gemachtigde: mr. P.N. Meijer,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

gevestigd te Den Haag,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.J.H. Houtzagers.

Eiser sub 1 zal hierna worden aangeduid als [eiser 1], eiser sub 2 als [eiser 2] en eiseres sub 3 als [eiser 3]. Eisers zullen gezamenlijk worden aangeduid als [eisers]. Gedaagde zal hierna worden aangeduid als de Staat.

Procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

  • -

    de dagvaarding van 25 september 2013, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties.

Bij mondeling vonnis is vervolgens een comparitie na antwoord bepaald. De comparitie heeft plaatsgevonden op 19 februari 2014. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter comparitie is besproken.

Vervolgens heeft de kantonrechter vonnis bepaald op heden.

Feiten

1.

[eiser 1] heeft een vlucht geboekt van Rio de Janeiro (Brazilië), via Lissabon (Portugal) naar Amsterdam. Het eerste deel van de vlucht van Rio de Janeiro naar Lissabon werd uitgevoerd onder nummer TP188, het tweede deel van Lissabon naar Amsterdam onder nummer TP688. Als gevolg van een vertraging op vlucht TP188 (van minder dan 3 uren) heeft[eiser 1] de aansluitende vlucht TP688 gemist.[eiser 1] is met een vervangende vlucht van Lissabon naar Amsterdam gevlogen. De vervangende vlucht is vertrokken vanuit Lissabon met een vertraging van meer dan 3 uren. [eiser 1] is met een vertraging van circa 10 uren te Amsterdam gearriveerd. De vluchten werden uitgevoerd door TAP Air.

2.

[eiser 2] en [eiser 3] hebben een vlucht geboekt van Amsterdam, via Hong Kong (China), naar Sydney (Australië). Het eerste deel van de vlucht van Amsterdam naar Hong Kong werd uitgevoerd onder nummer CX270, het tweede deel van Hong Kong naar Sydney onder nummer CX139. Als gevolg van een vertraging op vlucht CX270 hebben [eiser 2] en [eiser 3] de aansluitende vlucht CX139 gemist en zijn zij met een vertraging van circa 14 uren te Sydney gearriveerd. De vluchten werden uitgevoerd door Cathay Pacific.

3.

[eisers] hebben bij de rechtbank Haarlem, sector kanton, procedures gevoerd strekkend tot veroordeling van de luchtvaartmaatschappijen tot betaling van een compensatie zoals bedoeld in artikel 7 van de EG-verordening 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten (hierna: de Verordening) in samenhang met de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans geheten: Hof van Justitie van de Europese Unie, hierna Hof van Justitie), van 19 november 2009 in de zaak met nummers C-432/07 en C 402/07, NJ 2010/137, LJN: BK4714 (het Sturgeonarrest).

4.

De kantonrechter Haarlem heeft de vorderingen bij vonnissen van 28 juni 2012 afgewezen.

5.

De kantonrechter Haarlem heeft in de zaak van [eiser 1], voor zover in deze zaak relevant, als volgt geoordeeld:

“(…) Op grond van de definitie van het begrip “vlucht” in de jurisprudentie als “een luchtvervoerhandeling die wordt uitgevoerd door de luchtvaartmaatschappij die het traject ervan vaststelt” is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van één boeking voor twee vluchten: TP 188 (…) en TP 688 (…). De kantonrechter ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen over dit onderwerp (…), zoals door de gemachtigde van (…) geopperd.

Bij zijn arrest van 19 november 2009 heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard dat passagiers van vertraagde vluchten bij een vertraging van meer dan drie uren op grond van de Verordening recht hebben op compensatie. Nu de vlucht TP 188 een vertraging van 31 minuten te Lissabon is aangekomen, komt (…) ten aanzien van deze vlucht geen compensatie toe.

Dat (…) door de vertraging van vlucht TP 188 zich niet tijdig voor vlucht TP 688 van Lissabon naar Amsterdam heeft kunnen melden – en daardoor bij de tweede vlucht een vertraging van meer dan drie uur heeft opgelopen – is een omstandigheid die voor zijn rekening komt. (…)”

6.

De kantonrechter Haarlem heeft in de zaak van [eiser 2] en [eiser 3], voor zover in deze zaak relevant, als volgt geoordeeld:

“(…) Op grond van de definitie van het begrip “vlucht” in de jurisprudentie als “een luchtvervoerhandeling die wordt uitgevoerd door de luchtvaartmaatschappij die het traject ervan vaststelt” is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een boeking voor twee vluchten: CX 270 (…) en CX 139 (…). Dit betekent dat ten aanzien van beide vluchten beoordeeld dient te worden of die tot compensatieplicht door Cathay Pacific moet leiden.

De kantonrechter overweegt als volgt. Bij zijn arrest van 19 november 2009 heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard dat passagiers van vertraagde vluchten bij een vertraging van meer dan drie uren op grond van de Verordening recht hebben op compensatie. Uitgaande van de rechtsgeldigheid van dit arrest, komt (…) ten aanzien van vlucht CX 270 van 10 december 2010 geen compensatie toe nu vaststaat dat deze vlucht minder dan drie uur was vertraagd.

Gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 en 2 van de Verordening kunnen de gevolgen van de door (…) gemiste vlucht CX 139 van 11 december 2010 van Hong Kong naar Sidney buiten bespreking blijven nu deze vlucht immers buiten het toepassingsbereik van de Verordening valt. (…)”

Geschil

7.

[eisers] vorderen − zakelijk weergegeven − bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van de Staat tot betaling van:

  • -

    een bedrag van € 1.334,76 aan[eiser 1];

  • -

    een bedrag van € 1.953,45 aan [eiser 2] en [eiser 3]

  • -

    de buitengerechtelijke incassokosten;

  • -

    de proceskosten;

  • -

    de nakosten;

  • -

    één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.

[eisers] leggen – zakelijk weergegeven − aan hun vorderingen ten grondslag dat de uitspraken van de kantonrechter Haarlem gekwalificeerd moeten worden als onrechtmatige rechtspraak. Onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie Francovich (19 november 1991, C-6/90 en C-9/90), Factortame (5 maart 1996, C-46/93 en C-48/93) en Köbler (30 september 2003, C-224/01) stellen [eisers] dat de kantonrechter Haarlem een regel van unierecht heeft geschonden en dat zij daardoor schade hebben geleden. Volgens [eisers] betreft het een rechtsregel die ertoe strekt om particulieren rechten toe te kennen, is de schending ervan voldoende gekwalificeerd en bestaat een direct causaal verband tussen de schending en de door [eisers] geleden schade. Eén en ander betekent dat de Staat schadeplichtig is, aldus [eisers]

9.

De Staat heeft de vordering gemotiveerd weersproken. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Beoordeling

10.

De Staat voert als meest verstrekkende verweer aan dat de kantonrechter Haarlem niet te beschouwen is als hoogste rechter in de zaken van [eisers], nu zij schending van fundamentele rechtsbeginselen aan hun vordering ten grondslag leggen en aldus voor hen cassatie openstond, op de voet van artikel 80 Wet op de rechterlijke organisatie (RO) in samenhang met het arrest van de Hoge Raad van 16 maart 2007 (LJN:AZ1490).

11.

De kantonrechter overweegt dat de Hoge Raad in bedoeld arrest van 16 maart 2007 heeft geoordeeld dat, naast de in artikel 80, eerste lid, RO genoemde cassatiegronden tevens als grond voor cassatie moet worden aanvaard de schending van een zo fundamenteel rechtsbeginsel, dat van een eerlijke en onpartijdige procesvoering van de zaak niet kan worden gesproken.

12.

De kantonrechter begrijpt de stellingen van [eisers] aldus dat zij van mening zijn dat de kantonrechter Haarlem het materiële unierecht heeft geschonden en niet dat sprake is van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel. Dit betekent dat cassatieberoep tegen de uitspraken van de kantonrechter Haarlem niet mogelijk was voor [eisers] en dat de kantonrechter Haarlem aldus als hoogste rechter heeft geoordeeld in de zaken van [eisers] Het verweer van de Staat op dit punt faalt en [eisers] zijn in hun vorderingen ontvankelijk.

13.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de Staat schadeplichtig is jegens [eisers] wegens schending van een regel van unierecht.

14.

De kantonrechter begrijpt [eisers] aldus dat zij stellen dat de rechtsregel die de kantonrechter Haarlem volgens hen heeft geschonden te vinden is in artikelen 5 en 7 van de Verordening, in samenhang met het Sturgeonarrest. Het gaat om de rechtsregel die er – zakelijk weergegeven − toe strekt om passagiers van vluchten met een vertraging van 3 uren of meer (onder bepaalde omstandigheden) een door de luchtvaartmaatschappij te betalen compensatie toe te kennen.

15.

[eisers] stellen dat zij zich bevonden in een soortgelijke situatie als de passagiers in het arrest van het Hof van Justitie van 26 februari 2013 (C-11/11, het Folkertsarrest). In dit arrest heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat enkel de vertraging van belang is die is vastgesteld ten opzichte van de oorspronkelijke geplande aankomsttijd op de eindbestemming, waaronder wordt verstaan de bestemming van de laatste vlucht die de betrokken passagier heeft genomen.

16.

Gelet op het oordeel van het Hof van Justitie in het Folkertsarrest moet naar het oordeel van de kantonrechter worden vastgesteld dat de kantonrechter Haarlem het unierecht bij het wijzen van de vonnissen in de zaken van [eisers] op onjuiste wijze heeft toegepast. Ten aanzien van de vraag of deze onjuiste toepassing van het unierecht onrechtmatig handelen van de Staat jegens [eisers] oplevert, overweegt de kantonrechter het volgende.

17.

Lidstaten zijn volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie gehouden de schade te vergoeden die particulieren lijden als gevolg van schendingen van het gemeenschapsrecht die aan hen kunnen worden toegerekend, wanneer aan drie voorwaarden is voldaan: de geschonden rechtsregel strekt ertoe particulieren rechten toe te kennen, er is sprake van een voldoende gekwalificeerde schending van het unierecht en er bestaat een rechtstreeks causaal verband tussen de schending van de op de lidstaat rustende verplichting en de door de benadeelde persoon geleden schade (vgl. het Francovicharrest en het Factortame-arrest).

18.

In het Köblerarrest heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het beginsel dat een lidstaat verplicht is de schade te vergoeden die particulieren hebben geleden als gevolg van een schending van het gemeenschapsrecht die aan hem kan worden toegerekend, eveneens toepassing heeft indien de betrokken schending voortvloeit uit een beslissing van een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie (Köblerarrest, r.o. 50). Voor de staatsaansprakelijkheid voor schade als gevolg van een beslissing van een in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechterlijke instantie, die in strijd is met een regel van gemeenschapsrecht, gelden ook de drie voorwaarden die zijn geformuleerd in het Francovicharrest en herhaald in (onder meer) het Factortame-arrest (Köblerarrest, r.o. 51 en 52).

19.

Indien de schending voortvloeit uit een beslissing van een in laatste instantie rechtsprekende rechterlijke instantie kan slechts sprake zijn van een voldoende gekwalificeerde schending indien bedoelde rechterlijke instantie het toepasselijke recht kennelijk heeft geschonden. (Köblerarrest, r.o. 53). Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een kennelijke schending van het toepasselijke recht dient de rechter rekening te houden met alle elementen die de aan hem voorgelegde situatie kenmerken. Die elementen zijn onder meer: de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel, de vraag of de schending opzettelijk is begaan, de al dan niet verschoonbaarheid van de rechtsdwaling, het eventueel door een gemeenschapsinstelling ingenomen standpunt en de schending door de betrokken rechter van zijn verplichting om op grond van artikel 234 lid 3 EG-Verdrag, een prejudiciële vraag te stellen. (Köblerarrest, r.o. 54 en 55). Een schending van het gemeenschapsrecht is in ieder geval voldoende gekwalificeerd indien de rechtspraak van het Hof van Justitie op het gebied bij het nemen van de betrokken beslissing kennelijk is miskend (Köblerarrest, r.o. 56).

20.

De kantonrechter is met partijen van oordeel dat de geschonden rechtsregel ertoe strekt om particulieren rechten toe te kennen, zodat aan de eerste voorwaarde (zoals hiervoor onder 17 bedoeld) is voldaan en de kantonrechter toekomt aan de beoordeling van de vraag of sprake is van een voldoende gekwalificeerde, kennelijke schending van het unierecht. Bij die beoordeling heeft de kantonrechter rekening te houden met alle elementen die de aan haar voorgelegde situatie kenmerken.

21.

De kantonrechter overweegt dat het recht op de in artikel 7 van de Verordening bedoelde compensatie bij vluchtvertraging niet voortvloeit uit de tekst van de Verordening. Uit de letterlijke tekst van de Verordening blijkt dat slechts passagiers van geannuleerde vluchten (onder bepaalde voorwaarden) aanspraak kunnen maken op de in artikel 7 van de Verordening bedoelde compensatie. Het Hof van Justitie heeft de Verordening in het Sturgeonarrest aldus uitgelegd dat ook passagiers van vertraagde vluchten (onder bepaalde voorwaarden) aanspraak kunnen maken op de in artikel 7 bedoelde compensatie.

22.

Na het wijzen van het Sturgeonarrest was niet duidelijk of uitsluitend een vertraging op de eindbestemming van de passagier voldoende was voor toekenning van een compensatie of dat daarnaast sprake moest zijn van een vertraging bij vertrek zoals bedoeld in artikel 6 van de Verordening. Evenmin was duidelijk of het begrip eindbestemming moest worden ingevuld aan de hand van artikel 2, onder h, van de Verordening. Eén en ander blijkt niet ondubbelzinnig uit het Sturgeonarrest. Evenmin blijkt ondubbelzinnig uit het Sturgeonarrest hoe de in het arrest geformuleerde rechtsregel moet worden toegepast in geval van aansluitende vluchten, waarbij een vlucht met een (geringe) vertraging, zorgt voor een sneeuwbaleffect (de situatie in zowel de zaak van [eiser 1] als de zaak van [eiser 2] en [eiser 3]). Daarbij moet worden opgemerkt dat een definitie van het begrip “aansluitende vlucht” ontbreekt. Voorts is in het Sturgeonarrest niet uitgemaakt of de Verordening van toepassing is in de situatie dat passagiers vertrekken vanaf een bestemming op het grondgebied van een lidstaat, maar de vertraging van meer dan drie uren zich voordoet op een bestemming buiten het grondgebied van een lidstaat, waarbij de (laatste) vlucht is vertrokken vanaf een plaats buiten het grondgebied van een lidstaat (de situatie die zich voordeed in de zaak van [eiser 2] en [eiser 3]).

23.

De kantonrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de geschonden rechtsregel ten tijde van de uitspraken van de kantonrechter Haarlem in de zaken van [eisers] duidelijk en nauwkeurig was.

24.

Daarbij komt dat het Sturgeonarrest heeft geleid tot een storm van kritiek van (onder meer) de luchtvaartmaatschappijen en de wetenschap. Ook de Nederlandse Inspectie van Verkeer en Waterstaat, namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, huldigde in die tijd het standpunt dat de gevallen waar sprake was van twee afzonderlijke vluchten voor de toepassing van de Verordening afzonderlijk moesten worden beoordeeld. Een oordeel van een hogere (nationale) instantie bleef bovendien uit. In het licht van deze omstandigheden, bezien in samenhang met de mate van (on)duidelijkheid van de geschonden rechtsregel kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden geoordeeld dat de kantonrechter Haarlem opzettelijk het unierecht heeft geschonden.

25.

Volgens [eisers] heeft de Europese Commissie een standpunt ingenomen over de in deze zaak aan de orde zijnde rechtsregel. [eisers] heeft daarbij verwezen naar een mededeling van de Europese Commissie (volgens de Staat gaat het om de Mededeling van de Europese Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2011, COM (2011) 174 definitief). De door [eisers] in de dagvaarding geciteerde passage uit deze mededeling ziet naar het oordeel van de kantonrechter op de toepassing van artikel 6 van de Verordening (bijstand bij vertraging). In de inhoud van de mededeling ziet de kantonrechter geen aanleiding om te veronderstellen dat de Europese Commissie het standpunt ten aanzien van artikel 6 van de Verordening van overeenkomstige toepassing acht op artikel 7 van die Verordening in samenhang met het Sturgeonarrest, zoals [eisers] kennelijk voorstaan. Gesteld noch gebleken is dat de Europese Commissie (of enige andere gemeenschapsinstelling) ondubbelzinnig standpunt heeft ingenomen over de in deze zaak aan de orde zijnde rechtsregel, zodat dit geen punt is waarmee de kantonrechter Haarlem rekening had moeten houden.

26.

Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat er geen sprake is van een kennelijke schending van het unierecht door de kantonrechter Haarlem. Dat er destijds niet voor is gekozen om prejudiciële vragen te stellen is gelet op de aard van de praktijk van een kantonrechter niet onbegrijpelijk. Deze enkele omstandigheid rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is van een kennelijke schending van het toepasselijke recht.

Derhalve is niet voldaan aan de voorwaarden om te komen tot schadeplichtigheid van de Staat. Bij deze stand van zaken behoeft de vraag of er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de schending van de op de Staat rustende verplichting en de door de benadeelde persoon geleden schade niet te worden beantwoord.

27.

De slotsom is dat de kantonrechter de vorderingen van [eisers] tot vergoeding van schade zal afwijzen. De nevenvorderingen volgen dit lot. [eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met de onweersproken gevorderde wettelijke rente en de nakosten. Voor zover nakosten gemaakt worden levert deze kostenveroordeling ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 19 maart 2010 (LJN BL1116) een executoriale titel op voor die kosten. De begroting van de nakosten kan in een later stadium geschieden, nu nog niet bekend is welke nakosten zullen ontstaan. Daarbij wordt opgemerkt dat de kosten van de betekening niet vallen onder de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv, maar vallen onder de ambtsverrichtingen van de gerechtsdeurwaarder, waarvoor deze op grond van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders een bedrag aan de schuldenaar in rekening kan brengen.

Beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eisers] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op nihil aan verschotten en € 350,= aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 dagen na het uitspreken van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.M. van Baardewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2014.