Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5216

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-04-2014
Datum publicatie
29-04-2014
Zaaknummer
C/09/461497 / KG ZA 14-265
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Op 28 april 2014 heeft de voorzieningenrechter de eisen van eiser afgewezen, die erop neerkomen dat de Staat onbegeleid verlof aan eiser zou moeten toestaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aan de Staat is om een beslissing te nemen op het verzoek om een machtiging voor onbegeleid verlof van de kliniek waarin eiser wordt behandeld. Bij deze beslissing weegt volgens de voorzieningenrechter ook de uitkomst mee van een door de Staat ingesteld slachtofferonderzoek. De voorzieningenrechter wijst daarvoor op een eerdere uitspraak van het Gerechtshof van 11 december 2011, waarin dat is bepaald.

Wel heeft de voorzieningenrechter de Staat bevolen om uiterlijk op 20 mei 2014 deze beslissing te nemen. De voorzieningenrechter heeft daarbij - en dat is uitzonderlijk - aan de Staat een dwangsom opgelegd (van maximaal € 25.000,-) die de Staat verbeurt als deze datum niet wordt gehaald. De dwangsom is opgelegd omdat het Gerechtshof al eerder had geoordeeld dat voor een beslissing op een machtigingsverzoek een termijn van 3 maanden voldoende moet zijn, te rekenen vanaf het advies van het Adviescollege Verloftoetsing TBS. Dat advies is al gegeven op 11 november 2013, zodat de termijn van drie maanden ver is overschreden. Daar komt bij dat de Staat ook op de zitting nog alleen een streefdatum voor een beslissing heeft willen toezeggen en eiser groot belang heeft bij een spoedige beslissing op het verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/461497 / KG ZA 14-265

Vonnis in kort geding van 28 april 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. R.J. Wybenga te Rotterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 16 april 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Bij op 1 juli 1985 onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 oktober 1984 is [eiser] veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens een schietpartij in café "Het Koetsiertje" in Delft op 5 april 1983, waarbij zes doden vielen en enkele gewonden. [eiser] is sinds 7 april 1983 gedetineerd.

1.2.

Een op 11 maart 1998 ingediend gratieverzoek is aanleiding geweest voor een onderzoek naar [eiser] en een advies hem te laten opnemen in een tbs-kliniek. Overleg tussen de toenmalige minister van justitie (hierna 'de Minister') en het Forensisch Psychiatrisch Centrum Dr. Henri van der Hoevenkliniek (hierna 'de kliniek') heeft geleid tot een memo van 9 juli 2001. Voor zover hier van belang vermeldt het memo:

"De(...) kliniek is bereid tot opname, mits er op voorhand duidelijkheid wordt geboden over de haalbaarheid van een resocialisatietraject in relatie met het omzetten van de levenslange gevangenisstraf in een eindige gevangenisstraf middels gratie.

(...)

Het gegeven dat betrokkene levenslang gestraft is, mag niet leiden tot een aparte status binnen de kliniek. Betrokkene zal worden beschouwd als een patiënt die recht heeft op het behandelingsbeleid dat in de kliniek geldt voor TBS-patiënten. Dat kan op termijn betekenen dat er een verlofbeleid op gang komt. De heer [A] (voorzieningenrechter: de - toenmalige - directeur sectordirectie TBS) zal deze optie in de lijn toetsen: voorkomen dient te worden dat rond het moment dat vanuit de behandelingsoptiek een verlofbeleid verantwoord wordt geacht, dit beleid wordt afgeremd vanuit bestuurlijke en / of politieke redenen.

Afspraken rond beëindiging van de behandeling

Algemene behandelingsstrategie van de kliniek is behandeling met het oog op verantwoorde terugkeer in de samenleving. De kliniek heeft geen "bewaarfunctie".

Wanneer mocht blijken dat behandeling - om wat voor redenen dan ook - onvoldoende doel treft, zal terugplaatsing naar het gevangeniswezen onvermijdelijk zijn.

Datzelfde geldt indien het door de kliniek gevoerde verlofbeleid dat een wezenlijk onderdeel zal gaan vormen van de behandeling (conditio sine qua non), wordt tegengehouden.

(...)

Horizonbepaling gratieprocedure

Uitgaande van de optie dat behandeling succesvol verloopt en er sprake is van een gunstige prognose voor wat de terugkeer in de samenleving betreft, is tijdige indiening van een gratieverzoek een belangrijk punt van aandacht."

1.3.

Op 20 juli 2001 heeft de Minister aan [eiser] bericht dat hij op basis van artikel 13 van het Wetboek van Strafrecht ('Sr'), juncto artikel 41 van de Penitentiaire maatregel, wordt geplaatst in een tbs-inrichting. Bij deze mededeling is gevoegd een afschrift van de brief van eveneens 20 juli 2001 van de Minister aan de kliniek, waarin om plaatsing in de kliniek wordt verzocht op basis van "de afspraken" in het memo van 2001. Vervolgens is [eiser] op 31 augustus 2001 opgenomen in de kliniek.

1.4.

Op 13 september 2002 is voor [eiser] een machtiging begeleid verlof afgegeven.

1.5.

In april 2005 is het 'verlofbeleid' van de Staat gewijzigd. In het hernieuwde toetsingskader wordt - anders dan in het voordien geldende beleid - als uitgangspunt gehanteerd dat in geval van levenslange detentievormen geen verlofmachtiging wordt verstrekt, tenzij gratieverlening wordt overwogen.

1.6.

In juni 2006 heeft de kliniek ten behoeve van [eiser] (voor het eerst) een machtiging onbegeleid verlof aangevraagd bij de Minister. Deze heeft besloten daarmee niet akkoord te gaan, hetgeen is verwoord in een brief aan de kliniek van 2 oktober 2006.

1.7.

In 2007 is het 'verlofbeleid' andermaal aangescherpt. Sindsdien wordt als uitgangspunt gehanteerd dat in gevallen van levenslange detentie verlof niet mogelijk is, behoudens incidentele afwezigheid op humanitaire gronden.

1.8.

In een nota van 13 februari 2007 heeft de Minister kenbaar gemaakt dat hij in verband met het aangescherpte verlofbeleid voornemens is [eiser] terug te plaatsen naar het gevangeniswezen.

1.9.

Bij brief van 24 augustus 2007 heeft de toenmalige staatssecretaris van Justitie (hierna 'de Staatssecretaris') aan de kliniek medegedeeld dat de kliniek op dat moment niet gemachtigd was [eiser] (begeleid) verlof te verlenen. De Staatssecretaris heeft daarbij aangegeven dat, indien er sprake mocht zijn van een machtiging tot begeleid verlof, deze machtiging per direct wordt ingetrokken. Tegen deze beslissing heeft [eiser] beroep ingesteld bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna 'RSJ'). Bij uitspraak van 31 maart 2008 heeft de RSJ het beroep van [eiser] gegrond verklaard. Daartoe overweegt de RSJ - voor zover hier relevant - het volgende:

"In het verlofbeleid dat gold tot de inwerkingtreding op 1 juli 2007 van het huidige verloftoetsingskader, bestond de mogelijkheid om levenslanggestraften waarbij gratieverlening wordt overwogen, resocialisatieverlof te verlenen.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting komt de beroepscommissie tot het oordeel dat de bestreden beslissing uitsluitend is gebaseerd op veranderde inzichten ten aanzien van het verlofbeleid in het algemeen en niet op de bijzonderheden van het onderhavige individuele geval. Bij deze beslissing is niet betrokken dat klagers begeleide verloven al een aantal jaren zonder problemen zijn verlopen. Uit de verklaringen van de Staatssecretaris, noch uit die van klager komt naar voren dat er door toedoen van klager zelf enige aanleiding is ontstaan om de machtiging in te trekken. Dit alles klemt des te meer nu in het Memo van 2001, waarin uitdrukkelijk is vastgelegd dat voorkomen dient te worden dat het verlofbeleid ten aanzien van klager wordt afgeremd vanuit bestuurlijke en/of politieke redenen, verwachtingen zijn gewekt voor een resocialisatie traject.

Het hiervoor overwogene in aanmerking genomen moet tot de slotsom leiden dat de beslissing tot intrekking van de machtiging tot begeleid verlof als onredelijk en onbillijk moet worden aangemerkt."

1.10.

Intussen had [eiser] een kort geding aanhangig gemaakt tegen de Staat, waarin hij vorderde om een machtiging onbegeleid verlof, dan wel hem te behandelen als ware zo'n machtiging verleend. Bij vonnis van 2 oktober 2007 heeft de voorzieningenrechter [eiser] niet ontvankelijk verklaard in die vorderingen. Tegen dat vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld.

1.11.

Op 16 oktober 2009 is ter zake van de onder 1.1 vermelde schietpartij een rapport uitgebracht naar aanleiding van een slachtofferonderzoek, uitgevoerd door de Dienst Justitiële Inrichtingen.

1.12.

Op 27 november 2009 heeft de Staatssecretaris de machtiging tot het verlenen van begeleid verlof van 13 september 2002 ingetrokken. Bij uitspraak van 12 juli 2010 heeft de RSJ het tegen die beslissing door [eiser] ingestelde beroep gegrond verklaard. Daarbij heeft de RSJ, voor zover relevant, het volgende overwogen:

"Ter beantwoording van de vraag of de intrekking van de verlofmachtiging als onredelijk of onbillijk is aan te merken, zal de beroepscommissie moeten beoordelen of de resultaten van het in 2009 gehouden slachtofferonderzoek kunnen worden beschouwd als feiten of omstandigheden waardoor, indien deze ten tijde van het verlenen van de machtiging bekend waren geweest, de machtiging niet of niet in deze vorm zou zijn verleend.

(...)

Hier lijkt zich de situatie zich voor te doen waar alle betrokken partijen, inclusief het ministerie van Justitie, zich blijkens het verslag van 9 juli 2001 uitdrukkelijk van bewust moeten zijn geweest en die voor de Minister van Justitie desondanks geen beletsel vormde voor zowel de beslissing van 20 juli 2001 tot overplaatsing van klager naar de (...) kliniek als de machtiging voor diens begeleid verlof van 13 september 2002.

Voor zover al de huidige bevindingen van het slachtofferonderzoek qua toon ernstiger zouden lijken dan de Minister van Justitie destijds voor ogen stond, kan dat gelet op alle in 2001 gemaakte afspraken, het al zeven jaar lang goed verlopen van de begeleide verloven en de afwezigheid van incidenten of ongewenste confrontaties met slachtoffers/nabestaanden in redelijkheid en billijkheid niet leiden tot het intrekken van de machtiging tot begeleid verlof."

1.13.

Bij arrest van 23 november 2010 heeft het gerechtshof Den Haag het hiervoor onder 1.10 vermelde vonnis van de voorzieningenrechter van 2 oktober 2007 vernietigd en de Staat, bij wijze van passende voorziening, veroordeeld om binnen veertien dagen na de betekening van het arrest advies te vragen aan het Adviescollege Verloftoetsing TBS (hierna 'AVT') - dat sinds 1 januari 2008 is belast met de inhoudelijke toetsing van alle door tbs-klinieken ingediende verlofaanvragen - inzake de door de kliniek ten aanzien van [eiser] ingediende verzoeken om machtiging onbegeleid verlof, alsmede om na advisering door dit adviescollege binnen drie maanden op de verzoeken een beslissing te (doen) nemen. Voor zover hier van belang overweegt het Hof het volgende:

"3.9. Het hof overweegt te dien aanzien dat uit de in 2001 gemaakte afspraken volgt, dat ten aanzien van [eiser] een tbs-behandeling zou plaatsvinden, waarin een verlofbeleid op gang zou komen. Er is geen enkele aanwijzing dat toen niet de weg is ingeslagen dat alle te onderscheiden vormen van verlof, neergelegd in artikel 53 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden, op enig moment tot de mogelijkheden behoorden als de behandeling daartoe aanleiding zou (kunnen) geven. (...) Dat bij gunstig verloop van de behandeling een verzoek tot machtiging onbegeleid verlof zou kunnen worden gedaan is een situatie waar alle partijen bij het overleg over de tbs-behandeling van [eiser] en de minister bij de plaatsing van [eiser] in de kliniek, zich uitdrukkelijk van bewust moeten zijn geweest en dit vormde daarvoor geen beletsel.

3.10.

De opvatting van de Staat dat er geen enkele ruimte is voor onbegeleid verlof en dat mitsdien de Avt over het verzoek van het hoofd van de kliniek niet behoeft te adviseren, acht het hof in het licht van het hiervoor overwogene onrechtmatig, aangezien niet blijkt dat de belangen van [eiser] en de eerder bij hem gewekte verwachtingen in de afweging zijn betrokken.

(...)

Het hof acht anders dan de Staat de overwegingen van de RSJ wel relevant (...)

Bovendien wijst het hof op de door de RSJ relevant geachte aspecten van het al zeven jaren goed verlopen van de begeleide verloven en de afwezigheid van incidenten of ongewenste confrontaties met slachtoffers/nabestaanden, die ook naar het oordeel van het hof op de juiste waarde geschat moeten worden, als onderdeel van alle mee te wegen belangen."

Tegen dat arrest heeft de Staat cassatie ingesteld.

1.14.

Naar aanleiding van een op 14 september 2010 door de kliniek ingediende aanvraag machtiging onbegeleid verlof ten behoeve van [eiser], heeft het AVT op 16 februari 2011 een positief advies gegeven. Dit advies vermeldt, voor zover relevant, het volgende:

"(...) het adviescollege [komt] tot de conclusie dat het gevraagde onbegeleide verlof uit veiligheidsoogpunt aanvaardbaar is, mits er een meer uitgewerkt verlofplan voorhanden is. Het adviescollege slaat daarbij acht op het feit dat begeleide verloven al jarenlang goed verlopen zijn, dat zich daarbij geen incidenten hebben voorgedaan, dat het recidivegevaar als laag wordt ingeschat en dat het vluchtgevaar afwezig is. Het risico op confrontatie met nabestaanden is gering. Tijdens de verloven zal betrokkene zich niet naar Delft begeven. Hij zal de nabestaanden van slachtoffers uit de weg gaan en hen zeker niet opzoeken. Het adviescollege is van oordeel dat dit laatste expliciet in de voorwaarden van het te verlenen verlof moet worden opgenomen. Voorts zullen overeenkomstig de slotparagraaf in het Rapport van bevindingen inzake het slachtofferonderzoek de slachtoffers en nabestaanden, voor zover zij dat wensen, blijvend geïnformeerd moeten worden over het verdere verloop van de tenuitvoerlegging van de aan betrokkene opgelegde straf en zijn behandeling in de kliniek.

Het adviescollege heeft zich bij de bespreking van de onderhavige aanvraag het dilemma gerealiseerd waarvoor de minister van Veiligheid en Justitie thans is geplaatst. Dit dilemma is het gevolg van de eerdere beslissing om betrokkene als levenslanggestrafte in een tbs kliniek op te nemen. Enerzijds is het vanuit veiligheidsoogpunt verantwoord en past dit verlof in de behandeling, die betrokkene ondergaat. Anderzijds is het tegenover de maatschappij en in het bijzonder de nabestaanden en slachtoffers moeilijk uit te leggen dat een levenslanggestrafte zich via de tbs-verlofprocedure zonder begeleiding in de maatschappij kan bewegen. Daarnaast kan het onbegeleide verlof niet anders gezien worden dan als een stap in de richting van verdere resocialisatie met als mogelijk eindpunt het beëindigen van de behandeling in een tbs-kader en de invrijheidstelling van betrokkene, hetgeen haaks staat op de levenslange gevangenisstraf die aan betrokkene is opgelegd."

1.15.

Bij brief van 13 mei 2011 heeft de Staatssecretaris aan de kliniek meegedeeld dat hij niet akkoord gaat met het verlenen van een machtiging onbegeleid verlof ten aanzien van [eiser]. De brief vermeldt - onder meer - het volgende:

"Het onbegeleid verlof zou in dit stadium zijn gericht op resocialisatie. De heer [eiser] is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Veroordeelden tot een levenslange gevangenisstraf kunnen in aanmerking komen voor gratie op voorwaarde dat aan de gronden voor gratieverlening wordt voldaan. (...)

Sinds 2005 houdt het Verloftoetsingskader in dat met betrekking tot levenslang gestraften ten aanzien van wie geen gratie wordt overwogen ook geen machtiging tot verlof wordt verleend. In 2007 is dit beleid aldus opnieuw geformuleerd dat levenslang gestraften alleen nog verlof krijgen op humanitaire gronden.

Op grond van dit beleid komt betrokkene niet in aanmerking voor onbegeleid verlof, omdat de reden voor dit verlof, resocialisatie, zich in zijn geval niet voordoet. Bijkomende redenen om geen onbegeleid verlof te verlenen zijn de maatschappelijke onrust die het verlof veroorzaakt en de gevoelens van de slachtoffers en nabestaanden, zoals die onder meer zijn gebleken uit het slachtofferonderzoek van eind 2009. Er bleek kort gezegd bij nabestaanden en slachtoffers nog vrijwel geen enkele verwerking op gang te zijn gekomen. Dat zijn op zichzelf valide redenen om een machtiging voor verlof te weigeren. Daarbij betrek ik dat onbegeleid verlof betekent dat betrokkene zich geheel vrij door de samenleving kan bewegen. Het vormt een vergaande stap naar invrijheidstelling.

Naar mijn oordeel maakt het memo van 9 juli 2001 dit niet anders. Daarin lees ik geen toezegging ten aanzien van verlof en zelfs gratie (....).

(...)

Daartegenover staat het belang van betrokkene bij uitbreiding van zijn lopende begeleid verloftraject en de wens die hij als levenslang gestrafte niettemin heeft tot resocialisatie.

Ik concludeer dat gelet op het maatschappelijk belang bij de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf van betrokkene, het belang van de slachtoffers en nabestaanden, de nog steeds bestaande maatschappelijke geschoktheid en de mogelijke verstrekkende gevolgen van een eventuele verlening van een verlofmachtiging tot onbegeleid verlof zwaarder dienen te wegen dan het belang van betrokkene bij verlening van een machtiging tot onbegeleid verlof.

Ik neem daarbij in aanmerking dat betrokkene in het kader van zijn behandeling in de (...) kliniek in staat is zich onder begeleiding in de samenleving te bewegen en ook buiten de inrichting contact te onderhouden met zijn gezin.

Door de aanwezigheid van begeleiding kan ervoor worden zorg gedragen dat een confrontatie met slachtoffers wordt vermeden."

1.16.

Bij kort gedingvonnis van 9 september 2011 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van [eiser], die in de kern genomen overeenkomen met de vorderingen van [eiser] in de onderhavige procedure, afgewezen. [eiser] heeft daartegen hoger beroep ingesteld.

1.17.

Op 14 oktober 2011 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de Staat tegen het onder 1.13 vermelde arrest verworpen.

1.18.

Bij arrest van 13 december 2011 heeft het gerechtshof Den Haag het hiervoor onder 1.16 vermelde kort gedingvonnis van 9 september 2011 bekrachtigd. Voor zover hier van belang overweegt het Hof in zijn arrest:

"3.2. Anders dan [eiser] is het hof van oordeel dat het memo van 9 juli 2001 niet kan worden aangemerkt als civielrechtelijke overeenkomst tussen de Staat, de kliniek en [eiser] dan wel als een, in een civielrechtelijke overeenkomst tussen de Staat en de kliniek opgenomen, civielrechtelijk derdenbeding ten gunste van [eiser], ook niet als de correspondentie rondom dat memo in aanmerking wordt genomen. Noch de vormgeving noch de inhoud en totstandkoming van het memo wijzen erop dat sprake was van een aanvaarding door [eiser] van een door de Staat en/of de kliniek gedaan aanbod als bedoeld in artikel 6:217 BW dan wel van een door [eiser] aanvaard derdenbeding als bedoeld in artikel 6:253 BW. Grief 2 faalt dus. Het belang van deze vaststelling dient echter te worden gerelativeerd nu het voorgaande niet wegneemt dat de Staat in bedoelde stukken (memo en correspondentie) zijn beleid met betrekking tot de detentie en verpleging van [eiser] heeft weergegeven en daardoor bepaalde verwachtingen bij [eiser] heeft gewekt, waaraan hij in beginsel is gebonden. Verwezen zij in dat verband naar overweging 3.9. van het arrest van 23 november 2010 van dit hof (….), waarin is overwogen, kort samengevat, dat destijds is gekozen voor een traject waarin alle onderscheiden vormen van verlof, dus inclusief onbegeleid verlof, op enig moment tot de mogelijkheden behoorden als de behandeling daartoe aanleiding zou (kunnen) geven. Conform deze verwachtingen zijn in 2002 voor het eerst begeleide verloven toegestaan, welke verloven gedurende enige jaren zonder problemen zijn verlopen. De kliniek ziet onbegeleid verlof thans als een passende vervolgstap in de behandeling en de AVT heeft te dier zake positief geadviseerd. Dit alles pleit uitdrukkelijk in het voordeel van [eiser].

3.3.

Vanwege voormelde gewekte verwachtingen kon de machtiging tot verlening van onbegeleid verlof niet zonder meer geweigerd worden op grond van uitsluitend het gewijzigde beleid en de daarop gebaseerde opvatting dat het feit dat [eiser] een levenslange gevangenisstraf is opgelegd, de mogelijkheid van onbegeleid verlof uitsluit. Anderzijds volgt het hof [eiser] niet in zijn stelling dat hij uit het memo van 9 juli 2001 en de begeleidende correspondentie mocht afleiden dat een machtiging tot het verlenen van onbegeleid verlof verleend zou móeten worden, indien én zodra de kliniek zou menen dat dit geïndiceerd was in het kader van de behandeling. Grief 1 slaagt dan ook niet. Een dergelijke vergaande uitleg is niet in overeenstemming met de inhoud van het memo (ook niet indien dit memo wordt gelezen in samenhang met de bijbehorende correspondentie). Integendeel: met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat uit de zin "datzelfde (voorzieningenrechter: te weten terugplaatsing naar een gevangenis) geldt indien het door de kliniek gevoerde verlofbeleid dat een wezenlijk onderdeel zal gaan vormen van de behandeling (conditio sine qua non), wordt tegengehouden" (…) volgt dat voor de beslissing van de minister of onbegeleid verlof zal worden verleend niet (alleen) doorslaggevend is wat de kliniek als gewenste behandeling van [eiser] ziet. [eiser] kan zich wèl beroepen op de bij hem gewekte verwachting dat hij in beginsel behandeld wordt, inclusief het door de kliniek gehanteerde verlofbeleid, maar níet dat de Staat bij zijn beslissing wanneer dat verlof wordt verleend geen andere belangen (zoals de belangen van slachtoffers en het belang van het nog steeds bestaande gevaar voor maatschappelijke onrust) zal betrekken. Dit betekent dat ook grief 3 faalt.

3.4.

In het besluit van 13 mei 2011 is niet alleen verwezen naar het gewijzigde beleid, maar zijn tevens als zwaarwegend aangemerkt de maatschappelijke onrust die het mogelijk maken van onbegeleid verlof zou veroorzaken en de gevoelens van de slachtoffers en de nabestaanden. De staatssecretaris achtte onder meer van belang dat uit het slachtofferonderzoek uit 2009 bleek dat er vrijwel nog geen enkele verwerking op gang was gekomen. Op zich is juist (grief 7) dat de Staat ook in 2001 moet hebben beseft dat resocialisatie van een levenslang gestrafte een bron van onrust kan zijn en dat deze zaak als gevoelig te karakteriseren valt. Dat laat echter onverlet dat men in 2001 nog niet wist hoe gevoelig de zaak zo veel jaren later nog zou liggen. Inzicht in de werkelijke situatie van de slachtoffers had men toen nog niet.

Onbegeleid verlof gaat voorts wezenlijk verder dan begeleid verlof; dat zal in elk geval in het algemeen zo "gevoeld" worden door de maatschappij en zeker door slachtoffers en nabestaanden. Het hof acht dan ook juist de overweging van de voorzieningenrechter dat een nieuwe afweging mogelijk is en volgt [eiser] niet in zijn stelling dat deze afweging hoe dan ook niet kan leiden tot een weigering. De belangen van slachtoffers en maatschappij kunnen niet alleen een rol spelen bij de modaliteit van het te verlenen verlof, maar ook bij de beslissing om al dan niet onbegeleid verlof mogelijk te maken. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat [eiser] daarmee in redelijkheid geen rekening hoefde te houden; ook in het memo van 9 juli 2001 wordt een dergelijke aanleiding niet gevonden. Grieven 4 tot en met 7 slagen evenmin.

3.5.

De conclusie luidt dat naar voorlopig oordeel van het hof de beslissing van 13 mei 2011 niet in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het moge zo zijn dat de inhoud van die beslissing in overeenstemming is met de uitkomst die de Staat ook al vóór de verwerping van zijn onder 1.14. bedoelde cassatieberoep voorstond, maar dat betekent nog niet dat reeds daarom moet worden aangenomen dat de beslissing onrechtmatig is wegens het ontbreken van een belangenafweging (grief 8). Evenmin kan in het kader van dit kort geding geconstateerd worden dat de genomen beslissing betekent dat de weigering een machtiging te verlenen op onrechtmatige wijze de mogelijkheid van gratie voor [eiser] frustreert (grief 11), respectievelijk dat de aan [eiser] opgelegde levenslange gevangenisstraf "irreducible" is en daarmee in strijd komt met artikel 3 EVRM (eerste deel van grief 10). Juist is - en het Hof hecht eraan dit ook in dit arrest te benadrukken - dat er enig perspectief voor [eiser] moet blijven bestaan dat zijn straf niet daadwerkelijk levenslang zal zijn (vergelijk EHRM 12 februari 2008, EHRC 2008, 52 (Kafkaris/Cyprus) en HR 16 juni 2009, NJ 2009, 602, LJN: BF3741). In dat verband is van belang dat de Staat inmiddels accepteert dat, met name gelet op de bij [eiser] gewekte verwachtingen, een machtiging onbegeleid verlof niet reeds kan worden geweigerd op grond van louter een verwijzing naar het gewijzigd beleid. De Staat heeft ten pleidooie nog eens nadrukkelijk herhaald dat gratie en (dus) onbegeleid verlof nú niet aan de orde zijn, maar dat dit in de toekomst anders kan liggen. De Staat heeft daarbij als voorbeeld genoemd de mogelijke situatie dat de in 2009 gestarte begeleiding van slachtofferhulp (welke begeleiding in de jaren '80 helaas nog niet automatisch werd aangeboden en, kennelijk mede omdat een slachtofferonderzoek eerst vanaf 2005 of 2007 verplicht is gesteld, helaas ook niet eerder dan in 2009 op gang is gekomen) tot andere resultaten van een nieuw slachtofferonderzoek zal leiden. Het hof gaat ervan uit dat het de Staat ernst is en dat bij een in de toekomst herhaald verzoek om een machtiging onbegeleid verlof, een nieuwe zorgvuldige en serieuze belangenafweging zal plaatsvinden, waarbij in ogenschouw zal worden genomen dat de bij [eiser] in 2001 gewekte verwachtingen een zwaarwegende factor zijn.

3.6.

Uit het voorgaande volgt dat het naar voorlopig oordeel van het hof te ver gaat om aan te nemen dat sprake is van het volledig ontnemen aan [eiser] van enig resocialisatieperspectief (stelling in pleitnota [eiser], onder 27), zodat (ook) om die reden niet geconcludeerd kan worden dat sprake is van strijd met artikel 3 EVRM. Voorts kan gelet op het voorgaande evenmin worden geoordeeld dat sprake is van een detentie waaraan het rechtmatige karakter is komen te ontvallen (artikel 5 EVRM), respectievelijk dat de op het privé- en gezinsleven van [eiser] gemaakte inbreuken verder gaan dan noodzakelijk met het oog op de in lid 2 van artikel 8 EVRM genoemde belangen. Grief 10 faalt dus eveneens. Grief 9 deelt dit lot, nu gelet op het vorenoverwogene onjuist is de stelling dat deugdelijke argumenten om [eiser] geen onbegeleid verlof te verlenen ontbreken en dat daarom sprake is van schending van artikel 37 Sr."

1.19.

Op 3 juni 2013 heeft [eiser] een gratieverzoek ingediend, dat hij op 5 augustus 2013 heeft aangevuld.

1.20.

Op 4 oktober 2013 heeft de kliniek bij de Staat andermaal een aanvraag ingediend voor een machtiging onbegeleid verlof ten behoeve van [eiser].

1.21.

Overeenkomstig de Verlofregeling TBS heeft de Staat voormelde aanvraag van de kliniek ter advisering voorgelegd aan het AVT. Vervolgens heeft het AVT op 11 november 2013 geadviseerd de door de kliniek gewenste machtiging te verlenen.

1.22.

Op 14 november 2013 heeft de advocaat-generaal bij het ressortsparket te Den Haag geadviseerd het onder 1.19 vermelde gratieverzoek van [eiser] niet in te willigen.

1.23.

Bij brief van 18 februari 2014 heeft (de advocaat van) [eiser] de Staatssecretaris gesommeerd om binnen veertien dagen de door de kliniek aangevraagde machtiging onbegeleid verlof ten behoeve van [eiser] te verlenen, dan wel - voor zover de gevraagde machtiging wordt geweigerd - binnen veertien dagen daartoe een gemotiveerd besluit te nemen, alsmede om binnen acht dagen een kopie te verstrekken van het advies van het AVT met betrekking tot de machtigingsaanvraag van de kliniek. Bij brief van 6 maart 2014 heeft de advocaat van [eiser] de (gronden van de) sommatie aangevuld en op 20 maart 2014 heeft hij de Staat aanvullende stukken doen toekomen.

1.24.

Naar aanleiding van het onder 1.19 vermelde gratieverzoek heeft het gerechtshof Den Haag - als gerecht dat [eiser] de levenslange gevangenisstraf heeft opgelegd - op 19 maart 2014 een (voorlopig) advies uitgebracht. Dit advies vermeldt onder andere:

"Deze omstandigheden, in samenhang bezien, hebben het hof, niettegenstaande de uitzonderlijke ernst van de indertijd door verzoeker gepleegde delicten voor de vraag gesteld of tegen de achtergrond van de heersende jurisprudentie, met name gelet op de beginselen van artikel 3 EVRM, het negatieve advies van de procureur-generaal daarmee niet in strijd is. Het hof overweegt daarom positief op het gratieverzoek te adviseren, mits terugkeer in de maatschappij op verantwoorde wijze is voorbereid.

Het hof is evenwel (nog) niet in staat om -zoals artikel 3 van het EVRM eist- op betekenisvolle wijze te toetsten "of bij de veroordeelde sprake is van dermate significante veranderingen en een zodanige vooruitgang richting reclassering gedurende de detentie, dat voortduring daarvan niet langer kan worden gerechtvaardigd door strafdoelen".

Immers, de Minister en de Staatsecretaris hebben sinds 2006 geweigerd een machtiging tot onbegeleid verlof te verlenen. Zodoende staan zij verzoekers voortgang richting resocialisatie -en daarmee ook een bevestigend antwoord op voormelde vraag- welbewust in de weg. Het hof acht dit ten eerste in strijd met de door de Minister in 2001 zelf gemaakte afspraken, welke mede inhielden dat verzoekers behandeling zou zijn gericht op terugkeer in de samenleving. Het is naar 's hofs oordeel daarnaast in strijd met de onder A en C aangehaalde jurisprudentie. Als gevolg van de weigering een machtiging tot onbegeleid verlof te verlenen, dreigt verzoekers behandeling in een impasse te geraken, of is zij dat wellicht al geraakt. Het hof wil niet onvermeld laten dat het deze gang van zaken jegens verzoeker niet behoorlijk acht.

Ook het feit dat het hof niet beschikt over een actuele rapportage van een psychiater en/of een psycholoog over de onder B.9 en B.10 vermelde kwesties, maakt het onmogelijk de bedoelde toets thans te verrichten. Het hof ziet in het vorenstaande aanleiding om op dit moment een positief, noch negatief gratieadvies te geven.

D. Voorlopig advies

Gelet op het vorenstaande luidt het voorlopige advies van het hof aan Uwe Majesteit:

- dat de beslissing op het onderhavige gratieverzoek voor de duur van zes maanden wordt aangehouden;

- dat zo spoedig mogelijk zal worden voortgegaan met activiteiten gericht op resocialisatie, waaronder onbegeleid verlof. Het Adviescollege Verloftoetsing TBS heeft hiertoe reeds op 16 februari 2011 positief geadviseerd. Het hof roept de Staatssecretaris op dit advies ter harte te nemen;

- dat het Ressortsparket Den Haag en het hof over maximaal zes maanden -middels daarover op te maken rapportages- zullen worden geïnformeerd over:

● de voortgang van verzoekers behandeling;

● het resocialisatietraject van verzoeker en de eventuele vorderingen die hij daarbij heeft gemaakt

● de actuele psychische toestand van verzoeker;

● het risico op nieuwe (gewelds)delicten in geval van gratieverlening;

● de impact van mogelijke gratieverlening op de slachtoffers, nabestaande en de samenleving.

Het hof acht een relatief korte termijn van zes maanden op zijn plaats, gelet op de onzekerheid waarin verzoeker reeds lange tijd verkeert.

Het hof zal, mede naar aanleiding van de alsdan te verstrekken informatie, zo spoedig mogelijk een definitief advies uitbrengen."

1.25.

Op 28 maart 2014 heeft de Staatssecretaris naar aanleiding van de op 4 oktober 2013 gevraagde machtiging onbegeleid verlof ten behoeve van [eiser] het volgende bericht aan de kliniek:

"Gezien het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 december 2011 zal ik opnieuw een slachtofferonderzoek laten uitvoeren. Dat onderzoek zal de komende weken worden uitgevoerd. De resultaten ervan zullen worden betrokken in de besluitvorming.

Dat betekent dat op dit moment nog niet op de aanvraag voor een machtiging onbegeleid verlof kan worden beslist. Het streven is erop gericht in mei 2014 een beslissing te nemen"

1.26.

Op 15 april 2014 heeft de Staatssecretaris het volgende bericht aan [eiser] naar aanleiding van diens gratieverzoek:

"Gelet op het advies van het gerechtshof te Den Haag van 19 maart 2014 heb ik besloten de beslissing op het gratieverzoek voor zes maanden aan te houden. Gedurende deze periode zal ik de Van der Hoeven kliniek en het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) verzoeken de door het gerechtshof gevraagde rapportages te maken.

Naar aanleiding van de aanvraag van de Van der Hoevenkliniek om een machtiging onbegeleid verlof ten behoeve van de heer [eiser] heb ik reeds besloten opnieuw een slachtofferonderzoek te laten uitvoeren. Dit is u bij brief van 28 maart 2014 medegedeeld. Het resultaat van dit onderzoek alsmede de op te maken rapportages zullen nadat deze voltooid zijn door mij worden doorgezonden naar het ressortsparket alsmede naar het gerechtshof Den Haag met het verzoek definitief te adviseren.

Zoals bij u bekend streef ik ernaar in mei 2014 een beslissing te nemen op de aanvraag onbegeleid verlof."

2 Het geschil

2.1.

Na vermindering van eis vordert [eiser], zakelijk weergegeven:

primair

- te bepalen dat de Staat moet gehengen en gedogen dat de kliniek met ingang van de datum dat het vonnis wordt uitgesproken zal (kunnen) handelen als ware op de aanvraag van de kliniek tot verlening van een machtiging onbegeleid verlof ten behoeve van [eiser] in positieve zin beslist door verlening van een zo'n machtiging, totdat de Staat aan de kliniek een dergelijke machtiging heeft verleend voor onbepaalde duur, dan wel voor de duur van één jaar;

subsidiair

- de Staat - op straffe van verbeurte van een dwangsom - te bevelen om binnen acht dagen na de betekening van het te wijzen vonnis ten behoeve van [eiser] een machtiging onbegeleid verlof te verlenen voor onbepaalde duur, dan wel voor de duur van één jaar;

meer subsidiair

- een voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden in goede justitie vermeent te behoren, waaraan - zo begrijpt de voorzieningenrechter - een dwangsom moet worden verbonden;

een en ander met veroordeling van de Staat in de proces- en nakosten, de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.2.

Samengevat voert [eiser] daartoe het volgende aan.

[eiser] is destijds in de kliniek opgenomen op verzoek van de Staat. Daarmee kwam een einde aan het punitieve element van de aan [eiser] opgelegde straf. Doel van de opname in de kliniek was de resocialisatie van [eiser], onder meer door middel van verloven met een oplopende graad van vrijheid (begeleid verlof - onbegeleid verlof - transmuraal verlof). Al vrij snel na de opname in de kliniek heeft de Staat ten behoeve van [eiser] een machtiging begeleid verlof verstrekt, welk verlof altijd goed is verlopen. [eiser] komt nu - en eigenlijk al eerder - in aanmerking voor onbegeleid verlof. De Staat doet er echter alles aan om de verdere resocialisatie van [eiser] - zoals middels het toestaan van onbegeleid verlof - te beletten c.q. te vertragen. In verband daarmee heeft [eiser] al diverse procedures tegen de Staat moeten voeren. Uit de daarin gegeven beslissingen volgt dat de Staat de voortgang van de resocialisatie, waaronder begrepen onbegeleid verlof, niet mag blokkeren. De Staat trekt zich daarvan echter niets aan. Zo volgt hij de aanwijzingen in (r.o. 3.5 van) het arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 december 2011 niet op. De kliniek heeft ruim een half jaar geleden - uitvoerig gemotiveerd - een machtiging onbegeleid verlof ten behoeve van [eiser] aangevraagd. Ongeveer een maand na indiening ervan heeft het AVT dienaangaande al positief geadviseerd. De Staat heeft vervolgens niets gedaan met de aanvraag. Pas nadat de advocaat van [eiser] in februari 2014 een sommatie had doen uitgaan, heeft de Staat een (herhaald) slachtofferonderzoek ingesteld. Gelet op de tot dusver door de Staat ingenomen houding staat nu al vast dat de aanvraag van de kliniek zal worden geweigerd op grond van de uitkomsten van het slachtofferonderzoek. Er is dan ook geen aanleiding om nog te wachten op de (formele/schriftelijke) beslissing op de aanvraag. Volgens de brieven van de Staatssecretaris van 28 maart 2014 en 15 april 2014 zal deze in mei 2014 volgen, maar dat moet nog maar worden afgewacht gelet op de gang van zaken tot nu toe. Een afwijzende beslissing op de machtigingsaanvraag van de kliniek kan de rechtmatigheidstoets echter niet (meer) doorstaan. Te minder nu het gerechtshof Den Haag - in het voorlopige advies naar aanleiding van het gratieverzoek van [eiser] - uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de resocialisatie voortvarend ter hand moet worden genomen en dat in het kader daarvan aan [eiser] onbegeleid verlof moet worden toegestaan. Het Hof kwalificeert het optreden van de Staat in de onderhavige kwestie zelfs als onbehoorlijk. Daar komt bij dat het slachtofferbelang en de maatschappelijke onrust niet in de weg kunnen staan aan het toekennen van onbegeleid verlof, aangezien dat geen erkende strafdoelen zijn. Die factoren kunnen hooguit een rol spelen bij de bepaling van de modaliteit/voorwaarden van het onbegeleid verlof.

2.3.

De Staat heeft de vorderingen van [eiser] gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal zijn verweer hierna worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

Nu [eiser] zijn vorderingen grondt op onrechtmatig handelen van de Staat is in zoverre de bevoegdheid van de civiele rechter gegeven. [eiser] is ook ontvankelijk in zijn vorderingen, aangezien voor hem geen andere - met voldoende waarborgen omklede - rechtsgang openstaat om het door hem beoogde doel te bereiken.

3.2.

Bij de beoordeling van het onderhavige geschil is richtinggevend het tussen partijen gewezen - onherroepelijke - arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 december 2011. De Staat erkent dat uitdrukkelijk, terwijl uit de stellingen van [eiser] volgt dat hij dat oordeel ook onderschrijft. Aan zijn vordering legt hij immers (mede) ten grondslag dat de Staat niet voldoet aan hetgeen waartoe het arrest hem verplicht. Voor zover hier van belang volgt uit het arrest dat:

  • -

    het memo van 9 juli 2001 geen (civielrechtelijk) overeenkomst tussen de Staat en [eiser] inhoudt;

  • -

    door middel van het memo van 9 juli 2011 de Staat verwachtingen heeft gewekt bij [eiser] betreffende diens detentie en verpleging, waaraan de Staat is gebonden;

  • -

    een machtiging onbegeleid verlof ten behoeve van [eiser] niet zonder meer mag worden geweigerd op de enkele grond van gewijzigd beleid en de daarop gebaseerde opvatting dat de aan [eiser] opgelegde levenslange gevangenisstraf de mogelijkheid van onbegeleid verlof uitsluit;

  • -

    uit het memo van 9 juli 2001 niet volgt dat een machtiging onbegeleid verlof ten aanzien van [eiser] moet worden verleend indien en zodra de kliniek meent dat zulks is geïndiceerd in het kader van diens behandeling;

  • -

    de belangen van de slachtoffers/nabestaanden van de gebeurtenissen op 5 april 1983 en de maatschappelijke onrust een rol kunnen spelen bij zowel de modaliteit van het (eventueel) te verlenen onbegeleid verlof, als de beslissing om al dan niet onbegeleid verlof toe te staan;

  • -

    de detentie van [eiser] niet in strijd is met de artikelen 3, 5 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden ('EVRM'), noch met artikel 37 Sr, terwijl de aan hem opgelegde levenslange gevangenisstraf niet 'irreducible' is in de zin van artikel 3 EVRM;

  • -

    er enig perspectief moet blijven bestaan dat de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf niet daadwerkelijk levenslang zal zijn;

  • -

    de Staat in geval van een herhaald verzoek om een machtiging onbegeleid verlof ten aanzien van [eiser] een nieuwe en serieuze belangenafweging dient te maken, waarbij de in 2001 bij [eiser] gewekte verwachtingen een zwaarwegende factor moet vormen.

3.3.

Op grond van het voorgaande kan [eiser] niet worden gevolgd in zijn stelling dat de uitkomsten van het thans lopende slachtofferonderzoek enkel van belang kunnen zijn voor de modaliteiten/voorwaarden van het aan hem te verlenen onbegeleide verlof en - voor zover hij zulks (ook) heeft willen aanvoeren - dat hij in de gegeven omstandigheden hoe dan ook aanspraak kan maken op onbegeleid verlof. Uit het arrest volgt immers dat de Staat ter zake van het onderhavige machtigingsverzoek een nieuwe en serieuze afweging dient te maken tussen de belangen van alle betrokkenen - te weten: [eiser], de slachtoffers, de nabestaanden en de maatschappij - zij het dat de door de Staat bij [eiser] in 2001 gewekte verwachtingen daarbij een zwaarwegende factor moeten vormen.

3.4.

Blijkens het verhandelde ter zitting legt [eiser] aan zijn primaire vordering ten grondslag dat ervan moet worden uitgegaan dat de Staat - gelet op zijn handelwijze tot nu toe - negatief zal beslissen op de machtigingsaanvraag van de kliniek (omdat de uitkomsten van het slachtofferonderzoek in de weg staan aan inwilliging), hoewel uit het advies van het gerechtshof Den Haag van 19 maart 2014, naar aanleiding van het gratieverzoek van [eiser], blijkt dat aan hem zo spoedig mogelijk onbegeleid verlof moet worden verleend.

3.5.

Uitgangspunt is dat de beslissing op de onderhavige machtigingsaanvraag wordt genomen door de Staat - in casu de Staatssecretaris - en dat die beslissingsbevoegdheid niet kan worden doorgeschoven naar c.q. overgedragen aan de rechter. Aan de rechter kan vervolgens wel ter beoordeling worden voorgelegd of de Staatssecretaris in redelijkheid tot de genomen beslissing heeft kunnen komen. Bij de beoordeling daarvan dient de rechter zich echter wel terughoudend op te stellen.

3.6.

In feite vordert [eiser] door middel van zijn primaire en subsidiaire vorderingen dat de voorzieningenrechter in plaats van de Staatssecretaris een beslissing neemt op de machtigingsaanvraag. Een dergelijke - rechterlijke - beslissing is moeilijk verenigbaar met hetgeen hiervoor is overwogen. Daar komt bij dat niet bij voorbaat kan worden aangenomen dat rechtens onjuist zal worden beslist op de aanvraag. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de Staatssecretaris met inachtneming van het arrest van 11 december 2011 een beslissing zal nemen. Daarin past ook dat de Staat een nieuw slachtofferonderzoek laat verrichten. De opdracht tot het herhalen van een dergelijk onderzoek, voordat op de machtigingsaanvraag wordt beslist, ligt immers besloten in het arrest.

3.7.

Daarbij moet overigens wel worden aangetekend dat de Staat ernstig is tekortgeschoten in de wijze waarop de machtigingsaanvraag is behandeld. Nadat de - op 4 oktober 2013 - ingediende aanvraag, overeenkomstig vast beleid, was voorgelegd aan het AVT en deze op 11 november 2013 had geadviseerd, heeft de Staat geen enkele actie meer ondernomen totdat in de loop van maart 2014 het nieuwe slachtofferonderzoek werd geïnitieerd. In het hiervoor - onder 1.13 - vermelde onherroepelijke arrest van 23 november 2010 heeft het gerechtshof Den Haag ten aanzien van een eerdere machtigingsaanvraag bepaald dat tussen het advies van het AVT en de beslissing van de Staat hooguit drie maanden mogen liggen. Die termijn heeft de Staat dus ruimschoots overschreden. Een deugdelijke reden voor dat stilzitten heeft de Staat niet gegeven, terwijl niet kan worden uitgesloten dat [eiser] als gevolg daarvan nadeel lijdt. De inactieve houding van de Staat heeft er immers in ieder geval - mede - toe geleid dat het gerechtshof Den Haag niet in staat was definitief te adviseren ten aanzien van het gratieverzoek van [eiser]. Bovendien geeft het Hof in zijn voorlopige advies van 19 maart 2014 gemotiveerd aan dat [eiser] al voor onbegeleid verlof in aanmerking had moeten komen. Verder had het op de weg van de Staat gelegen om [eiser] en de kliniek regelmatig op de hoogte te stellen over het verloop van c.q. de stand van zaken met betrekking tot de machtigingsaanvraag. Ook dat is - zonder valide reden - nagelaten. Het advies van het AVT van 11 november 2013 heeft [eiser] - en naar moet worden aangenomen ook de kliniek - pas ruim na het aanhangig maken van de onderhavige procedure ontvangen. Het enkele niet-handelen van de Staat, waar dat wel op z'n plaats was geweest, kan echter niet leiden tot toewijzing van de primaire of subsidiaire vordering.

3.8.

Het bovenstaande betekent dat noch de primaire noch de subsidiaire vordering voor toewijzing in aanmerking komt. Te minder nu de Staatssecretaris heeft aangegeven er naar te streven om in mei 2014 een beslissing te nemen op de machtigingsaanvraag van de kliniek. Gelet op de geringe tijdspanne tussen het uitspreken van dit vonnis en het moment waarop een beslissing mag worden verwacht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om middels de onderhavige procedure vooruit te lopen op de beslissing van de Staatssecretaris. Bovendien gaat het hier niet enkel om de vraag of wel of geen onbegeleid verlof moet worden verleend, maar dienen - ingeval van toewijzing - ook de modaliteiten/voorwaarden van het onbegeleide verlof te worden vastgesteld. Mede gelet op de te betrachten terughoudendheid leent een kort geding zich daarvoor zeker niet.

3.9.

Op grond van hetgeen hiervoor onder 3.7 is overwogen, zal de Staat - in het kader van de meer subsidiaire vordering van [eiser] - worden bevolen om uiterlijk op 20 mei 2014 te beslissen op de machtigingsaanvraag van de kliniek, opdat wordt voorkomen dat de afhandeling ervan nog meer onnodige en ongewenste vertraging, met mogelijk nadelige gevolgen voor (de resocialisatie van) [eiser], oploopt. Zoals al overwogen had immers binnen drie maanden na het advies van het AVT reeds een beslissing moeten worden genomen. Aan de andere kant begrijpt de voorzieningenrechter het belang dat de Staat hecht aan de uitkomsten van het inmiddels lopende slachtofferonderzoek voor de te nemen beslissing over het aangevraagde onbegeleide verlof van [eiser] en de (eventuele) modaliteiten ervan. Mede gelet op het door de Staat geuite streven om in de loop van mei 2014 een beslissing te nemen, moet ervan worden uitgegaan dat zulks uiterlijk op voormelde datum kan plaatsvinden. Te meer nu de Staat op de zitting heeft aangegeven dat het merendeel van de te benaderen slachtoffers/benadeelden inmiddels zijn gesproken.

3.10.

In de bijzondere omstandigheden van dit geval - met name het lakse optreden van de Staat, het feit dat de Staat desgevraagd geen uiterste datum voor zijn beslissing heeft willen toezeggen en het klemmende belang van [eiser] bij een voortvarende afhandeling van de machtigingsaanvraag - acht de voorzieningenrechter oplegging van de in het dictum vermelde dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, aangewezen. De op te leggen dwangsom zal wel worden gemaximeerd. Verder zal worden bepaald dat de dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

3.11.

Nu het aanhangig maken van de onderhavige procedure onder meer het gevolg is van het nalatige handelen van de Staat en de meer subsidiaire vordering van [eiser] zal worden toegewezen op de hieronder vermelde wijze, zullen de proceskosten op de gebruikelijke wijze worden gecompenseerd.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- beveelt de Staat om uiterlijk op 20 mei 2014 een beslissing te nemen op de - op 4 oktober 2013 ingediende - aanvraag van de kliniek voor een machtiging onbegeleid verlof ten behoeve van [eiser], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat de Staat daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,--;

- bepaalt dat de dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 3.10 vermeld;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2014.

jvl