Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5203

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-04-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
767240-13, 767239-13, RK14/718, RK14/877
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Den Haag heeft aan de officier van justitie verlof verleend om tapgesprekken en stukken van overtuiging af te geven aan het Internationaal Strafhof.

Tegen advocaten van een persoon die bij het Strafhof wordt vervolgd voor o.a. oorlogsmisdrijven is de verdenking gerezen dat zij samen met die persoon getuigen hebben beïnvloed en omgekocht. Het Strafhof heeft bij de Nederlandse autoriteiten rechtshulpverzoeken ingediend om telefoongesprekken van de verdachte advocaten af te luisteren en stukken in beslag te nemen. De rechter-commissaris heeft aan die verzoeken voldaan omdat er sprake is van verdenking van een ernstig misdrijf, waardoor doorbreking van het beroepsgeheim dat advocaten hebben gerechtvaardigd is.

De advocaten hebben aangevoerd dat zij in hun functie immuniteit genieten en dat de rechtbank daarom geen verlof mag verlenen. De rechtbank oordeelt dat het internationale vertrouwensbeginsel meebrengt dat de rechtbank er vanuit mag gaan dat het Strafhof zijn eigen regels goed toepast. De rechtbank vindt ook dat zij de bezwaren van de advocaten over het onderzoek door het Strafhof niet mag toetsen, omdat er geen (dreigende) flagrante schending van het EVRM is. De advocaten kunnen hun bezwaren aan het Strafhof voorleggen. De rechtbank is van mening dat de rechter-commissaris steeds een zorgvuldige afweging heeft gemaakt tussen het belang van het beroepsgeheim en het belang van de waarheidsvinding. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de officier van justitie de tapgesprekken en stukken van overtuiging mag afgeven aan het Internationaal Strafhof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/125

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

[verdachte 1]: Parketnummer: 09/767240-13

Zaaknummer: RK14/718

[verdachte 2] : Parketnummer: 09/767239-13

Zaaknummer: RK14/877

Beschikking van de rechtbank Den Haag, meervoudige raadkamer in strafzaken, op de vorderingen van de officier van justitie en de klaagschriften ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van verdachten:

[verdachte 1],

geboren op [geboortedag 1] 1972 in de [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats 1],

te dezer zake domicilie kiezende te [woonplaats 2]

,

en

[verdachte 2] ,

geboren op [geboortedag 2] 1979 in de [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats 3],

te dezer zake domicilie kiezende te [woonplaats 4]

.

De vorderingen van de officier van justitie bij deze rechtbank van 25 en 26 maart 2014 strekken ertoe om in de zaak tegen bovengenoemde klagers, op grond van artikel 52, derde lid van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof aan de officier van justitie verlof te verlenen:

1. om van de telefoonnummers:

0032-495483939;

06-87128918;

070-5159252;

06-10231183;

06-59017051;

070-5158302;

de historische gegevens en alle tapgesprekken, opgenomen tot en met 23 november 2013, waarvoor de rechter-commissaris een machtiging als bedoeld in artikel 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) heeft afgegeven, af te geven aan het Internationaal Strafhof te ‘s-Gravenhage;

2. de tijdens de doorzoekingen op 23 november 2013 onder verdachte [verdachte 2] inbeslaggenomen stukken van overtuiging af te geven aan het Internationaal Strafhof.

Blijkens een daarvan opgemaakte akte op 19 februari 2014 ter griffie van deze rechtbank ingediend, strekt het klaagschrift van [verdachte 1] tot: teruggave en/of vernietiging van de computer images en vernietiging van de nog niet overgedragen communicatiegegevens, waaronder ook de taps; respectievelijk het intrekken of herroepen van het reeds verleende verlof tot afgifte daarvan; respectievelijk het bepalen dat die communicatiegegevens niet mogen worden overgedragen, dan wel slechts na selectie van dat materiaal in Nederland op de in dit land gebruikelijke wijze.

Blijkens een daarvan opgemaakte akte op 3 maart 2014 ter griffie van deze rechtbank ingediend, strekt het klaagschrift van [verdachte 2] tot: het opheffen van het beslag met last tot teruggave aan klager van alle inbeslaggenomen en/of gekopieerde documenten en gegevens, alsmede van alle gemaakte images en sporen (en van alle eventueel daarvan gemaakte kopieën c.q. uitdraaien).

De rechtbank heeft kennisgenomen van het dossier.

De rechtbank heeft de vorderingen van de officier van justitie alsmede de klaagschriften op 14 april 2014 in raadkamer behandeld. Hierbij zijn verschenen klager [verdachte 2] en diens raadsman mr. I. van Straalen, alsook klager [verdachte 1] en diens raadsman mr. S.T. van Berge Henegouwen.

De officier van justitie, mr. N. Vogelenzang, heeft in raadkamer geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen en ongegrondverklaring van de klaagschriften.

Bevoegdheid van de rechtbank en ontvankelijkheid

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van de vorderingen en de klaagschriften. De officier van justitie is ontvankelijk in haar vorderingen.

De klaagschriften zijn tijdig ingediend. Voorts zijn klagers belanghebbenden in deze zaak. Derhalve zijn klagers ontvankelijk in hun verzoek.

Beoordeling van de klaagschriften en vorderingen

Voor zover de klaagschriften zich richten tegen de eerdere beschikkingen van deze rechtbank waarin aan de officier van justitie verlof werd verleend om de geselecteerde tapgesprekken af te geven aan het Internationaal Strafhof (hierna ICC), overweegt de rechtbank dat klagers na toezending als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, Sv van die beschikkingen geen rechtsmiddel (cassatie) hebben ingesteld. Dit betekent dat die beschikkingen thans onherroepelijk zijn geworden en dientengevolge in de onderhavige procedure niet (opnieuw) aan het oordeel van de rechtbank kunnen worden onderworpen.

De aanklager bij het ICC (hierna OTP-ICC) heeft op 6 augustus 2013 voor het eerst een rechtshulpverzoek gedaan in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen bovengenoemde verdachten ter zake van de verdenking van overtreding van artikel 70 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (hierna: Statuut van Rome). Uit het dossier blijkt dat de bovengenoemde verdachten als advocaten optreden voor de verdachte [verdachte 3], die voor het ICC terecht staat wegens de verdenking van het plegen van misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden. Gedurende het lopende onderzoek tegen [verdachte 3] is de verdenking ontstaan dat [verdachte 3] getuigen beïnvloedt en hen beweegt tot het afleggen van valse verklaringen. De verdenking is dat [verdachte 3] via, onder andere, de telefoons van de verdachten contacten heeft met getuigen in zijn strafzaak en dat de verdachten betalingen verrichten aan getuigen in de strafzaak tegen [verdachte 3]. Na het verzoek van 6 augustus 2013 zijn aanvullende rechtshulpverzoeken gevolgd.

De rechtshulpverzoeken strekken er in samenhang bezien toe dat de communicatie met de telefoonnummers van verdachten wordt opgenomen en dat deze telecommunicatie alsmede de historische gegevens van deze telefoonnummers voor de periode van 1 oktober 2013 tot en met 23 november 2013 worden verstrekt aan het ICC.

Voor het opnemen van telecommunicatie heeft de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie machtigingen (en machtigingen tot verlenging) afgegeven voor deze telefoonnummers voor de periode van 1 oktober 2013 tot en met 23 november 2013.

Er bevindt zich in het dossier een beschikking van de rechter-commissaris van 14 augustus 2013, inhoudende een uitvoerige motivering voor de door haar afgegeven machtigingen tot het opnemen van telecommunicatie, waarnaar zij in de daaropvolgende machtigingen (tot verlenging) verwijst. De rechter-commissaris overweegt dat, hoewel voornoemde advocaten als geheimhouders hebben te gelden, het doorbreken van het verschoningsrecht gerechtvaardigd is nu zij zelf als verdachten door de OTP-ICC (kunnen) worden aangemerkt en sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die het doorbreken van het verschoningsrecht rechtvaardigen. De rechter-commissaris heeft vervolgens aan de opname en eventuele voeging aan het strafdossier van die gesprekken voorwaarden gesteld om ervoor zorg te dragen dat geen grotere inbreuk op het verschoningsrecht zal worden gemaakt dan noodzakelijk is. In voornoemde machtigingen (tot verlenging) verwijst de rechter-commissaris ook naar deze motivering.

Bij rechtshulpverzoek van 20 november 2013 heeft het ICC om doorzoeking en inbeslagneming van stukken van overtuiging op meerdere adressen verzocht. De officier van justitie heeft op 21 november 2013 gevorderd dat de rechter-commissaris daartoe zal overgaan.

Er bevindt zich in het dossier een beschikking van de rechter-commissaris van 22 november 2013 waarbij de vordering van de officier van justitie wordt toegewezen. In deze beschikking overweegt de rechter-commissaris wederom uitvoerig dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die de doorzoeking van kantoorruimtes en woningen van geheimhouders rechtvaardigen. Voorts bevat de beschikking punten betreffende de uitvoering om ervoor zorg te dragen dat geen grotere inbreuk op het verschoningsrecht zal worden gemaakt dan noodzakelijk is.

De rechter-commissaris heeft op 23 november 2013 doorzoekingen verricht, waarbij stukken van overtuiging in beslag zijn genomen.

De rechtshulpverzoeken zijn gegrond op en voldoen aan de vereisten gesteld in artikel 93 van het Statuut van Rome en in artikel 52 van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof.

De aan de rechtshulpverzoeken ten grondslag liggende feiten zijn zowel bij wet zoals vastgesteld in het Statuut van Rome als naar Nederlands recht strafbaar gesteld (in de artikelen 207, 207a jo 46a en 47 van het Wetboek van Strafrecht).

Vertrouwensbeginsel en immuniteit

Het standpunt van klager [verdachte 1]

Klager [verdachte 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat de Nederlandse autoriteiten het rechtshulpverzoek hadden moeten toetsen alvorens over te gaan tot uitvoeringshandelingen van dat rechtshulpverzoek. Nederland heeft bij de uitvoering van het rechtshulpverzoek de immuniteit van klager en het vertrouwensbeginsel geschonden. Daarom dienen de geluidsdragers met de telefoongesprekken en de gekopieerde computerbestanden primair te worden vernietigd, respectievelijk zou geen verlof voor de overdracht moeten worden verleend. Subsidiair zouden de Nederlandse autoriteiten op grond van artikel 97 van het Statuut van Rome het ICC om verduidelijking moeten vragen omtrent de opgeheven immuniteit.

Klager voert hiertoe ten eerste aan dat hij als lead counsel van het verdedigingsteam van de heer [verdachte 3] immuniteit geniet op basis van artikel 25 van het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland (hierna Zetelverdrag). Dit betreft een absoluut geformuleerde immuniteit. Tot 19 november 2013 is de immuniteit van klager geen onderwerp van discussie geweest in de correspondentie tussen het ICC en de Nederlandse autoriteiten. Ingevolge artikel 98 van het Statuut van Rome en artikel 30 van het Zetelverdrag was Nederland gehouden om de President van het ICC te verzoeken de immuniteit van klager op te heffen.

Tevens stelt klager dat Nederland het ICC op basis van artikel 97 van het Statuut van Rome om opheldering had kunnen - of moeten - vragen in verband met de immuniteit van klager. Het is onduidelijk of deze immuniteit tijdig is opgeheven en of deze immuniteit alleen is opgeheven voor de arrestatie van klager, of ook voor doorzoeking en inbeslagname.

Voorts brengt het vertrouwensbeginsel volgens klager alleen met zich mee dat Nederland uitvoering geeft aan de verzoeken van het ICC op de wijze bij verdrag voorzien. Ingevolge artikel 25 van het Zetelverdrag en artikelen 97 en 98 van het Statuut van Rome had Nederland bij uitvoering conform verdrag zelf actief moeten worden met betrekking tot de vraagstukken rondom de immuniteit van klager. Bovendien weegt het internationale rechtsbeginsel van immuniteit zwaarder dan het internationale vertrouwensbeginsel.

Klager sluit zich voor het overige aan bij de verweren zoals gevoerd door [verdachte 2].

Het standpunt van klager [verdachte 2]

Klager [verdachte 2] heeft zich op het standpunt gesteld dat blijkens de parlementaire geschiedenis de Nederlandse rechtsorde weliswaar beslissingen en oordelen van het ICC in beginsel dient te respecteren als waren ze afkomstig van de eigen, nationale rechter, maar dat dit uitgangspunt de Nederlandse rechter nog niet ontslaat van iedere toetsingsverplichting. De gegevens waarvoor de officier van justitie verlof voor overdracht vordert, zijn vergaard in strijd met op Nederland rustende verplichtingen. Primair is de immuniteit van klager geschonden en subsidiair dreigt een flagrante schending van zijn rechten onder het EVRM. Daarom dient het verlof te worden geweigerd, dient het reeds verleende verlof te worden ingetrokken althans dient aan het ICC te worden medegedeeld dat dit ten onrechte is verleend en moeten de verstrekte gegevens worden geretourneerd dan wel mogen zij niet worden gebruikt. Tot slot dienen de persoonlijke spullen en inbeslaggenomen zakelijke documenten van klager te worden teruggegeven. Meest subsidiair stelt klager dat de selectie van digitale zakelijke documenten bij de rechter-commissaris moet uitwijzen in welke gevallen het beroepsgeheim zich gerechtvaardigd verzet tegen overdracht van die stukken aan het ICC.

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft klager betoogd dat hij als raadsman dan wel case manager van de heer [verdachte 3] immuniteiten en voorrechten geniet op basis van het Zetelverdrag. Er is niet gebleken dat deze privileges en immuniteiten tijdig en rechtmatig door het ICC zijn opgeheven.

Voorts heeft klager bepleit dat de genoten privileges en immuniteiten slechts zijn opgeheven voor het doel van het uitvaardigen en tenuitvoerleggen van een arrestatiebevel, niet voor het verrichten van doorzoekingen of voor het in beslag nemen van persoonlijke en zakelijke documenten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het vertrouwensbeginsel de Nederlandse rechter belet om het rechtshulpverzoek van het ICC te toetsen op de wijze die klagers voor ogen staat.

Ter onderbouwing van haar standpunt voert de officier van justitie aan dat het, ingevolge het vertrouwensbeginsel, niet aan de Nederlandse rechter is om over het al dan niet tijdig opheffen van de immuniteit van klagers te oordelen. De verweren met betrekking tot immuniteit moeten worden gevoerd bij de instantie die de verzoeken ten gronde kan toetsen, te weten het ICC. Het ICC zal zich vervolgens moeten uitlaten over de immuniteiten van klagers en eventuele onrechtmatigheden bij het opheffen ervan.

Met betrekking tot de overige standpunten van klagers merkt de officier van justitie het volgende op.

Klagers beroepen zich op de immuniteit die zij genieten onder het Zetelverdrag, maar het Zetelverdrag is slechts van toepassing op Nederlandse strafzaken. Nu het uitvoeringshandelingen van rechtshulpverzoeken betreft, gelden andere maatstaven. De instantie die de immuniteit aan klagers heeft gegeven dan wel van hen heeft afgenomen, is dezelfde instantie die heeft verzocht om rechtshulp. Het is aan het ICC om te oordelen over die immuniteiten. Voorts genieten klagers als raadslieden geen absolute immuniteit.

De officier van justitie stelt bovendien dat artikel 98 van het Statuut van Rome toepassing mist omdat dit artikel slechts van toepassing is in situaties met drie partijen. Het gaat in onderhavige zaak echter om twee partijen, het ICC en Nederland.

Tot slot zijn de persoonlijke spullen van [verdachte 2] inbeslaggenomen in het kader van de overlevering. Doordat klager heeft ingestemd met de verkorte procedure is er geen plaats meer voor een rechterlijke toetsing van de overlevering. Er kan derhalve ook geen toetsing plaatsvinden met betrekking tot deze persoonlijke spullen.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is het internationaal vertrouwensbeginsel van toepassing op de relatie tussen Nederland en het ICC. De Nederlandse rechter mag vertrouwen op het oordeel van een internationale rechterlijke instantie die alle waarborgen voor onpartijdigheid en onafhankelijkheid biedt. Nederland moet daarom opereren vanuit het rechtsvermoeden dat het ICC zijn eigen recht - onder andere met betrekking tot immuniteiten - adequaat en naar behoren toepast. De rechtbank volgt klager [verdachte 1] daarom niet in zijn verzoek om vragen te stellen aan het ICC inzake de immuniteit van klager.

De rechtbank zal geen uitspraak doen over de inbeslaggenomen persoonlijke spullen van [verdachte 2], daar deze spullen in beslag zijn genomen in het kader van de overleveringsprocedure. Zij zijn derhalve geen onderwerp van discussie in deze procedure.

De rechtbank zal het beklag voor dit deel ongegrond verklaren.

Flagrante schending EVRM

Het standpunt van klager [verdachte 2]

Klager [verdachte 2] heeft zich op het standpunt gesteld dat ook op grond van het EVRM een toetsingsverplichting bestaat voor de Nederlandse rechter. De gegevens waarvoor de officier van justitie verlof voor overdracht vordert, zijn vergaard in strijd met op Nederland rustende verplichtingen. Daarom dient het verlof te worden geweigerd, dient het reeds verleende verlof te worden ingetrokken althans dient aan het ICC te worden medegedeeld dat deze ten onrechte zijn verleend en de verstrekte gegevens niet mogen worden gebruikt en tot slot dienen de inbeslaggenomen spullen van klager te worden teruggegeven.

Klager voert hiertoe aan dat er sterke aanwijzingen zijn dat de oorspronkelijke verdenking in elk geval mede is gebaseerd op geregistreerde en bewaarde telefoongesprekken tussen klager als case manager en de verdachte die hij bijstaat (de heer [verdachte 3]), voorafgaand aan het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak. Deze telefoongesprekken zijn geregistreerd en bewaard door het ICC. Deze gang van zaken is in flagrante strijd met het belang van en respect voor het verschoningsrecht van advocaten en het belang van vertrouwelijke communicatie tussen raadslieden en hun cliënten, als gewaarborgd in de artikelen 6 en 8 EVRM.

Voorts heeft klager bepleit dat door de procedure bij het ICC een flagrante inbreuk dreigt te worden gemaakt op artikel 5 EVRM. Hoewel de verdediging reeds op 8 januari 2014 een verzoek tot invrijheidsstelling heeft gedaan, is tot op heden geen onherroepelijke beslissing genomen omdat de zaak nog in beroep aanhangig is. Voorts heeft de verdediging geen inzage gekregen in de doorslaggevende bewijsmiddelen op grond waarvan het onderzoek van start is gegaan.

Het standpunt van de officier van justitie

Met betrekking tot het opnemen van gesprekken door het ICC, voorafgaand aan een verdenking jegens klager, stelt de officier van justitie dat die gang van zaken mogelijk onrechtmatigheden in het onderzoek zouden kunnen opleveren. Van flagrante schendingen van artikelen 6 en 8 EVRM kan echter hoe dan ook geen sprake zijn.

Voorts voert de officier van justitie aan dat het vertrouwensbeginsel de Nederlandse rechter belet om eventuele onrechtmatigheden in het onderzoek te toetsen. Het ICC zal die eventuele onrechtmatigheden moeten toetsen.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is er uitsluitend ruimte voor een nadere toetsing door de Nederlandse rechter van de procedures van het ICC indien er sprake is van een (dreigende) flagrante schending van een recht vervat in het EVRM of ander verdrag waarbij Nederland partij is. In het onderhavige geval is geen sprake van een zodanige (dreigende) flagrante schending. De rechtbank overweegt daarbij dat aan klagers een zogenaamde effective remedy als bedoeld in artikel 13 EVRM ter beschikking staat. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet de rechtbank ervan uitgaan dat het ICC eventuele onrechtmatigheden niet alleen zal toetsen, maar ook zal repareren, dan wel - indien dit laatste niet mogelijk blijkt – daaraan zo nodig consequenties zal verbinden.

De rechtbank zal het beklag voor dit deel ongegrond verklaren.

Verschoningsrecht

Het standpunt van klager [verdachte 2]

Klager [verdachte 2] heeft bepleit dat het verdedigingsteam van de heer [verdachte 3] uit meerdere raadslieden bestaat en er ook niet-verdachte raadslieden zijn die een beroepsgeheim kunnen doen gelden op de onder klager inbeslaggenomen stukken van overtuiging. Middels de voorgenomen selectieprocedure bij de rechter-commissaris kan worden beoordeeld of het beroepsgeheim zich gerechtvaardigd verzet tegen overdracht van die stukken van overtuiging aan het ICC.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat het verschoningsrecht van klagers rechtmatig is doorbroken door de Nederlandse autoriteiten gedurende de uitvoeringshandelingen van het rechtshulpverzoek. In de Nederlandse jurisprudentie is bepaald dat het verschoningsrecht niet absoluut is. Volgens de Hoge Raad laten zich zeer uitzonderlijke omstandigheden denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Daarvan is sprake wanneer het gaat om raadslieden die zelf verdacht worden van een ernstig strafbaar feit, zoals het beïnvloeden van getuigen ex artikel 285a Sr. Met betrekking tot de ernstige verdenking merkt de officier van justitie op dat het vertrouwensbeginsel aan toetsing van de verdenking in de weg staat. Nu er in het rechtshulpverzoek wordt vermeld dat er een verdenking is, moeten de Nederlandse autoriteiten daarvan uitgaan.

De rechter-commissaris heeft volgens de officier van justitie bij de selectie van de tapgesprekken en inbeslaggenomen stukken steeds een zorgvuldige afweging gemaakt tussen het verschoningsrecht en het al dan niet prevaleren van de waarheid. De rechter-commissaris heeft daartoe het advies van de Deken ingewonnen, een onafhankelijke geheimhoudingsdeskundige ingeschakeld voor de beluistering en selectie van de tapgesprekken en heeft klagers in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de inbeslaggenomen stukken. Daartoe was de rechter-commissaris niet verplicht.

De officier van justitie acht het voorts onwenselijk om klagers in de gelegenheid te stellen zich eerst uit te kunnen laten over de selectie van telefoongesprekken. De Nederlandse jurisprudentie verplicht daar niet toe en het zou eigenaardig zijn wanneer klagers zich eerder zouden kunnen uitlaten over belastende stukken dan de vervolgende instantie. Bij de selectie van de tapgesprekken, met behulp van de Deken en de onafhankelijke geheimhoudingsdeskundige, heeft de rechter-commissaris kenbaar gemaakt welke stukken werden geselecteerd, waarbij zowel belastende als ontlastende stukken zouden worden geselecteerd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert dat op basis van verdenking van een ernstig strafbaar feit – overtreding van artikel 70 van het Statuut van Rome – rechtshulpverzoeken zijn gedaan aan Nederland. Ingevolge het Statuut van Rome is Nederland als partij verplicht uitvoering te geven aan verzoeken tot samenwerking van het ICC, tenzij zich de uitzondering als bedoeld in artikel 93, vierde lid van het Statuut van Rome voordoet hetgeen in de onderhavige zaak is gesteld noch gebleken. Gezien de jurisprudentie dient de Nederlandse rechter evenwel te toetsen of de uitvoeringshandelingen van de rechtshulpverzoeken rechtmatig zijn uitgevoerd door de Nederlandse autoriteiten. Ter voldoening aan een verzoek om samenwerking van het ICC mogen de Nederlandse autoriteiten slechts die dwangmiddelen en bevoegdheden toepassen zoals die in Sv en jurisprudentie zijn geregeld. De rechtbank constateert dat het verschoningsrecht van raadslieden doorbroken mag worden indien sprake is van de uitzonderlijke omstandigheid dat een raadsman zelf verdacht wordt van een ernstig strafbaar feit, zoals de beïnvloeding van getuigen. De rechtbank volgt de officier van justitie in haar opvatting dat de tapmachtigingen rechtmatig zijn verleend en dat de doorzoekingen en inbeslagnames rechtmatig zijn uitgevoerd. Gezien het belang van het verschoningsrecht van raadslieden, kent de rechtbank daarbij gewicht toe aan de werkwijze van de rechter-commissaris. Zij heeft bij de selectie van de tapgesprekken en inbeslaggenomen stukken steeds een zorgvuldige afweging gemaakt tussen het verschoningsrecht en het belang van waarheidsvinding. De rechter-commissaris heeft daartoe het advies van de Deken ingewonnen, een onafhankelijke geheimhoudingsdeskundige ingeschakeld voor de beluistering en selectie van - belastende en ontlastende - tapgesprekken en heeft klagers zelfs in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de inbeslaggenomen stukken.

Met betrekking tot het verschoningsrecht dat de andere leden van het verdedigingsteam van de heer [verdachte 3] zouden kunnen doen gelden, oordeelt de rechtbank het volgende. De overige raadslieden zijn allen raadslieden van de heer [verdachte 3]. De heer [verdachte 3] is zelf ook verdachte, niet alleen in de strafzaak bij het ICC maar ook in deze procedure terzake van overtreding van artikel 70 van het Statuut van Rome. De gegevens waarvoor thans verlof wordt gevraagd hebben betrekking op de verdenking dat - kort gezegd - door specifieke leden van het verdedigingsteam in samenwerking met de heer [verdachte 3] binnen het kader van diens strafproces beïnvloeding en omkoping van getuigen hebben plaatsgevonden. De rechtbank ziet niet in op welke grond de overige (thans niet als verdachte aangemerkte) leden van dat team een verschoningsrecht geldend zouden kunnen maken ten aanzien van die gegevens, reeds omdat niet gezegd kan worden dat deze hen op grond van het hun toekomende verschoningsrecht zijn toevertrouwd.

De rechtbank zal het beklag ook voor dit deel ongegrond verklaren.

Gezien het vorenstaande zal de rechtbank de klaagschriften ongegrond verklaren en de vorderingen tot verlof van de officier van justitie toewijzen.

De rechtbank beslist mitsdien als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de klaagschriften ongegrond;

verleent verlof aan de officier van justitie om:

1.

de tapgesprekken en de historische gegevens van de telefoonnummers:

0032-495483939;

06-87128918;

070-5159252;

06-10231183;

06-59017051;

070-5158302;

voor de periode tot en met 23 november 2013, voor zover er voor de tapgesprekken door de rechter-commissaris een machtiging ex artikel 126aa Sv is afgegeven, af te geven aan het Internationaal Strafhof;

2.

de tijdens de doorzoekingen op 23 november 2013 onder verdachte [verdachte 2] inbeslaggenomen stukken van overtuiging af te geven aan het Internationaal Strafhof onder voorbehoud dat bij afgifte wordt bedongen, dat de stukken zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus beslist te ’s-Gravenhage door mr. M.T. Renckens, voorzitter, mrs. H.A.G. Nijman en M.M. Meessen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zeeland, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 april 2014.

Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.