Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5201

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
AWB 14/8344
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nu aan de maatregel van bewaring in ieder geval één zware en één lichte grond ten grondslag liggen, is de rechtbank van oordeel dat gelet op het procesdossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat wordt voldaan aan het wettelijk criterium dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en zijn er, naar het oordeel van de rechtbank voldoende feiten en omstandigheden die de maatregel van bewaring kunnen dragen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-04-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/207

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14 / 8344

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 april 2014 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op[geboortedatum], van Iraanse nationaliteit, verblijvende in Justitieel Complex Schiphol ,

eiser,

(gemachtigde: mr. E. Schoneveld, advocaat te Haarlem),

en

de staatsecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. J.A.M. van der Klis, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Op 5 april 2014 is aan eiser de maatregel van bewaring ex artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring op 7 april 2014 beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw het beroep gegrond.

2.

Eiser voert – samengevat – het volgende aan. Eiser betwist de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen. Daarbij had verweerder, gelet op de medische situatie van eiser, de maatregel van bewaring op moeten heffen. Voorts betoogt eiser dat verweerder naar aanleiding van de asielwens van eiser, voorafgaand aan de inbewaringstelling, een belangenafweging had moeten maken.

3.1

Op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw, kan verweerder vreemdelingen in bewaring stellen op wie de Dublinverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat met inachtneming van artikel 28 van de Dublinverordening.

3.2

Op grond van artikel 5.1a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb) kan de vreemdeling in bewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd omdat het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, indien:

  1. een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening; en

  2. een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Op grond van artikel 5.1b, tweede lid, Vb wordt aan de voorwaarden voor inbewaringstelling zoals bedoeld in artikel 5.1a, tweede lid, slechts voldaan indien ten minste twee van de gronden, bedoeld in het derde en vierde lid zich voordoen, waarvan ten minste één van de gronden, bedoeld in het derde lid.

3.3

Verweerder heeft eiser op grond van artikel 59a Vw in bewaring gesteld, nu er volgens verweerder concrete aanwijzingen bestaan dat eiser onder de werkingssfeer van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking) (hierna: Verordening 604/2013) valt, te meer omdat eiser zelf heeft verklaard driemaal de asielprocedure te hebben doorlopen in België, waarbij alle aanvragen zijn afgewezen. Verweerder vordert de maatregel door het belang van de openbare orde, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, eiser mede de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert en een significant risico bestaat op onderduiken. Het voorgaande is verweerder gebleken uit de feiten en omstandigheden dat eiser:

(zware feiten)

- Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

- zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

- eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

- in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;

- heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;

(lichte feiten)

- zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

- meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

- verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

4.

Eiser heeft de hiervoor genoemde gronden bestreden. De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op het proces-verbaal van het artikel 59 Vw gehoor, voldoende gronden zijn die de maatregel van bewaring kunnen dragen. Daartoe wordt het volgende overwogen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan nu eiser in het artikel 59 gehoor heeft verklaard dat hij wist dat hij illegaal in Nederland was en zich gedurende zijn illegale verblijf in Nederland bewust niet heeft gemeld bij de politie omdat hij dat zou worden teruggestuurd naar België. Voorts kan aan de bewaring ten grondslag worden gelegd dat eiser in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten. De stelling van eiser dat hij een vals paspoort heeft in verband met zijn asielverzoek wordt niet gevolgd. Los van het gegeven dat eiser een vals paspoort heeft om een asielverzoek in te dienen heeft eiser gebruik gemaakt van dit paspoort omdat hij niet terug wilde naar België. Voorts stelt eiser dat hij driemaal de asielprocedure in België heeft doorlopen en dat alle aanvragen zijn afgewezen. Vervolgens heeft eiser geen gevolg gegeven aan de opdracht om Europa te verlaten omdat hij niet wil terugkeren naar Iran waardoor hij niet anders kan dan iedere keer opnieuw asiel aanvragen. Hierdoor heeft verweerder aan eiser terecht kunnen tegenwerpen dat hij meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid en dat hij geen gevolg heeft gegeven aan zijn verplichting tot terugkeer.

4.1

Nu aan de maatregel van bewaring in ieder geval één zware en één lichte grond ten grondslag liggen, is de rechtbank van oordeel dat gelet op het procesdossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat wordt voldaan aan het wettelijk criterium dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en zijn er, naar het oordeel van de rechtbank voldoende feiten en omstandigheden die de maatregel van bewaring kunnen dragen.

5.

Eiser betoogt dat verweerder voorafgaand aan de inbewaringstelling een belangenafweging had moeten maken.

5.1

Op grond van artikel 28, tweede lid, van de Verordening 604/2013, mogen de lidstaten, wanneer er een significant risico op onderduiken van een persoon bestaat, de betrokken persoon in bewaring houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling en, enkel voor zover bewaring evenredig is, en wanneer andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

5.2

Gelet op het voorgaande, mag eiser in bewaring worden gehouden op basis van een individuele beoordeling en, enkel voor zover bewaring evenredig is, en wanneer andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 22 augustus 2012 (zaak nr. 201203503/1, LJN BX5580, JV 2012/414) dient verweerder een concrete en kenbare belangenafweging te maken met betrekking tot het toepassen van de maatregel in relatie tot de asielaanvraag.

5.3

Uit het op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van 6 april 2014 blijkt het volgende:

“Omdat de bovengenoemde vreemdeling te kennen heeft gegeven dat hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd wil indienen, heb ik, verbalisant, op 05-04-2014 gesproken met [naam], werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, afdeling Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in verband met de belangenafweging tot het voortduren van de maatregel in relatie tot de asielaanvraag”.

5.4

De maatregel van bewaring is op 5 april 2014 aan eiser opgelegd en de belangenafweging zoals weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen is eerst op 6 april 2014 opgemaakt in verband met de belangenafweging tot het voortduren van de maatregel. Uit het voorgaande valt niet af te leiden dat verweerder voorafgaand aan de inbewaringstelling een voor eiser kenbare belangenafweging heeft gemaakt. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen dat de verbalisant verweerder heeft gesproken met betrekking tot het voortduren van de maatregel. Hieruit kan de rechtbank afleiden dat de belangenafweging niet voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft plaatsgevonden.

6.

Reeds gelet op voorgaande is de toepassing van de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren en opheffing van de maatregel bevelen met ingang van 17 april 2014.

7.

Gelet op het vorenstaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

8.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de toepassing van de maatregel van bewaring met ingang van 5 april 2014 tot het moment van opheffing op 17 april 2014 onrechtmatig is geweest.

9.

De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren.

10.

Gelet op het voorgaande komt eiser met toepassing van artikel 106 Vw in aanmerking voor toekenning van schadevergoeding. Voor het verblijf van eiser in het Justitieel Complex Schiphol (JCS) wordt een schadevergoeding van € 80,- per dag toegekend. De rechtbank begroot de schadevergoeding van eiser daarom op € 960,- (12 dagen).

11.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 974,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding toe tot een bedrag van € 960,- en veroordeelt verweerder tot vergoeding van die schade aan eiser;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.S. de Groot, rechter, in aanwezigheid van L. van den Brink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2014.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.