Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5098

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
C/09/463244 / KG ZA 14-396
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter van de Haagse rechtbank heeft besloten dat de Nederlandse Staat de bunker en het omliggende terrein aan de Van Ouwenlaan in Den Haag mag ontruimen. Sinds enkele weken verblijven krakers in de bunker. De Staat stelt zich op het standpunt dat de krakers moeten vertrekken, omdat de bunker is verkocht aan een bedrijf en moet worden geleverd, wat nu niet kan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/463244 / KG ZA 14-396

Vonnis in kort geding van 24 april 2014

in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf),

zetelend te Den Haag,

eiser,

advocaat mr. E.E. van der Kamp te Den Haag,

tegen:

ZIJ DIE VERBLIJVEN OF WONEN AAN DE VAN OUWENLAAN NUMMER 11 TE DEN HAAG,

gedaagden,

van wie zijn verschenen

a. [gedaagde A.] en

b. [gedaagde B.],

advocaat mr. E. Tamas te Den Haag.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als enerzijds 'de Staat' en anderzijds 'de wel-verschenen gedaagden' (voormelde [gedaagde A.] en [gedaagde B.]) en 'de niet-verschenen gedaagden' (voor zover gezamenlijk bedoeld ook wel als 'gedaagden').

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 10 april 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

De Staat is eigenaar van het terrein, inclusief de zich daarop bevindende bunker, met verdere bijbehoren aan de Van Ouwenlaan 11 te Den Haag, kadastraal bekend gemeente Den Haag X, sectie X nummer 4533, groot 99.08 are. De publiekrechtelijke bestemming van de bunker is "Bijzondere Doeleinden -Defensie".

1.2.

Bij brief van 30 mei 2013 heeft de wethouder van Stadsontwikkeling, Volkshuisvesting en Integratie van de gemeente Den Haag aan de Commissie Ruimte van de gemeente Den Haag het volgende medegedeeld:

"De bunker aan de Van Ouwenlaan wordt binnenkort verkocht door de huidige eigenaar; het Ministerie van Financiën.

Op verzoek van het Ministerie is bezien in hoeverre de bestemming van de bunker kan worden verruimd, zodat er mogelijkheden zijn voor gebruik door derden. Deze verruiming van het gebruik zal te zijner tijd worden verwerkt in het bestemmingsplan. Bijgaand de nota van uitgangspunten."

1.3.

De hiervoor bedoelde nota van uitgangspunten vermeldt als mogelijke nieuwe functies van de bunker: (i) bedrijven, (ii) opslag goederen en (iii) teelt van consumptiegoederen en fruit.

1.4.

In verband met de voorgenomen verkoop van het terrein (met bunker) is de Staat in oktober 2013 een veilingprocedure gestart. Het 'biedboek' vermeldt voor zover hier van belang:

"3.10 Gebruik door derden

Het object zal geheel ontruimd, vrij van huur of pacht of ander(e) gebruiksrecht(en) (…) worden geleverd.

(…)

4.10

Gunning

(…)

4.10.3

Degene aan wie is gegund, moet binnen dertig dagen na dagtekening van de brief waarbij hem mededeling is gedaan van de gunning, de koopprijs betalen en meewerken aan het verlijden van een akte van levering overeenkomstig in artikel 3 bedoelde ontwerp, voor een door hem aan te wijzen notaris."

1.5.

Op of omstreeks 24 maart 2014 hebben derden, onder wie de wel-verschenen gedaagden, het terrein - zonder toestemming van de Staat - in gebruik genomen. Daartoe hebben zij het toegangshek tot het terrein geforceerd en de sloten waarmee de toegangspoorten tot het terrein waren afgesloten en de hangsloten op de stalen toegangsdeuren van de bunker vernield.

1.6.

De openbare inschrijving van de veilingprocedure sloot op 27 maart 2014, waarna het terrein, inclusief bunker, op 4 april 2014 werd gegund aan Data Protectors B.V. te Kloetinge (hierna 'Data Protectors').

1.7.

Op 1 april 2014 heeft de Staat gedaagden gesommeerd om uiterlijk op 3 april 2014 tot ontruiming van de bunker over te gaan en om opgave te doen van hun personalia. Gedaagden hebben daaraan niet voldaan.

2 Het geschil

2.1.

De Staat vordert, zakelijk weergegeven:

I. gedaagden te veroordelen om de bunker met het bijbehorende terrein te ontruimen en niet opnieuw in gebruik te nemen of te geven, met machtiging van de Staat om - zo nodig - de ontruiming op kosten van gedaagden zelf ten uitvoer te leggen, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

II. te bepalen dat het vonnis tot één jaar na de uitspraak, of - indien de tenuitvoerlegging daarvan na verloop van een bepaalde termijn wordt toegestaan - tot één jaar na de dag waarop die termijn verstrijkt, ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging zonder recht of titel in de bunker, dan wel op het daarbij behorende terrein bevindt of de bunker dan wel het terrein betreedt en telkens wanneer zich dat voordoet;

III. gedaagden te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;

IV. gedaagden te veroordelen in de nakosten.

2.2.

Samengevat voert de Staat daartoe het volgende aan.

Gedaagden verblijven zonder recht of titel op het aan de Staat toebehorende terrein aan de Van Ouwenlaan 11 te Den Haag en in de zich daarop bevindende - niet voor bewoning geschikte - bunker. Het voortgezet verblijf van gedaagden is om meerdere redenen niet aanvaardbaar. Naast de omstandigheid dat de Staat de inbreuk door gedaagden op zijn eigendomsrecht niet behoeft te dulden, is van belang dat het terrein (met bunker) op korte termijn geheel ontruimd moet worden geleverd aan Data Protectors en dat het gebruik van de bunker door gedaagden een gevaarlijke situatie in het leven roept. In de bunker bevindt zich namelijk een hoogspanningsaansluiting met transformator. Bovendien zijn de ventilatiekokers verwijderd uit de bunker, zodat er geen sprake is van aanvoer van frisse lucht, en is de wateraansluiting al geruime tijd buiten gebruik, waardoor gevaar voor legionella bestaat. Een en ander brengt tevens mee dat de Staat niet kan wachten totdat de bodemrechter heeft beslist over de ontruiming.

2.3.

De wel-verschenen gedaagden hebben de vorderingen van de Staat gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal hun verweer hierna worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

Gedaagden zijn behoorlijk opgeroepen tegen de terechtzitting van 10 april 2014, maar van hen zijn alleen [gedaagde A.] en[gedaagde B.] verschenen. Tegen de niet-verschenen gedaagden zal verstek worden verleend.

3.2.

De wel-verschenen gedaagden hebben een beroep gedaan op de nietigheid van de dagvaarding. Daartoe voeren zij aan dat de Staat gedaagden ten onrechte heeft gedagvaard op de wijze zoals voorgeschreven in artikel 61 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering ('Rv'), welke bepaling van toepassing is ten aanzien van hen die verblijven in een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan. Gedaagden verblijven echter enkel op het terrein waar de bunker zich bevindt. Nadat de Staat daartegen - in eerste termijn - gemotiveerd verweer had gevoerd, zijn de wel-verschenen gedaagden niet meer teruggekomen op voormelde stelling, zodat daaraan - als onvoldoende gemotiveerd - moet worden voorbijgegaan. Dat klemt te meer nu het terrein en de bunker niet los van elkaar kunnen worden gezien en uit hetgeen ter zitting door c.q. namens de wel-verschenen gedaagden is verklaard kan worden afgeleid dat zij eveneens gebruik maken van de bunker. De Staat heeft ook onweersproken gesteld dat de sloten van de toegangsdeuren van de bunker zijn vernield, hetgeen er op wijst dat gedaagden zich de toegang tot de bunker hebben verschaft.

3.3.

Volgens de wel-verschenen gedaagden ontbreekt het spoedeisende belang van de Staat bij de vorderingen. Daarin kunnen zijn echter niet worden gevolgd. Op zichzelf is juist dat voor toewijzing van een vordering tot ontruiming in kort geding is vereist dat de eigenaar daarbij een spoedeisend belang heeft. Een dergelijk belang is aanwezig wanneer van de eigenaar niet kan worden verlangd dat hij een bodemprocedure afwacht. Als onbetwist staat vast dat gedaagden - door zonder toestemming van de Staat gebruik te maken van het terrein en de bunker - een inbreuk maken op het eigendomsrecht van de Staat. Daarmee is het spoedeisende belang bij toewijzing van de gevorderde ontruiming in beginsel gegeven. De aanwezigheid van dat belang klemt te meer nu De Staat zich jegens Data Protectors heeft verbonden het terrein, inclusief bunker, op korte termijn te leveren. De door de wel-verschenen gedaagden in het onderhavige verband aangevoerde argumenten (betreffende onder meer de noodzakelijke wijziging van de bestemming van het terrein, de solvabiliteit van Data Protectors, de eerdere problemen die Data Protector heeft ondervonden bij het aanvragen van een omgevingsvergunning en de rechtmatigheid van de werkzaamheden die Data Protector in de bunker wil gaan uitvoeren) doen aan die verplichting van de Staat jegens Data Protectors niet af en kunnen dan ook verder buiten beschouwing blijven, wat daar verder ook van zij.

3.4.

Met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling van het geschil wordt vooropgesteld dat gedaagden de bunker en het omliggende terrein hebben 'gekraakt'. Dat is in strijd met het eigendomsrecht van de Staat op de bunker. Voorts kwalificeert het kraken van een onroerende zaak als een misdrijf, op grond van artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht. Blijkens de wetsgeschiedenis is het belang van die bepaling vooral gelegen in de bescherming van het eigendomsrecht van de ander (zie o.a. Kamerstukken II 2007/08, 31 560, nr. 3, p. 1). Daarmee is de onrechtmatigheid van het kraken van de bunker en het omliggende terrein gegeven.

3.5.

De wel-verschenen gedaagden hebben zich beroepen op het 'huisrecht' ex artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Dat artikel geldt in beginsel slechts in verhouding tot de overheid ('verticale werking'). In het midden kan blijven of de Staat in de onderhavige procedure moet worden aangemerkt als 'overheid' in voormelde zin, nu hij hier optreedt als eigenaar van de - door gedaagden gekraakte - bunker en het omliggende terrein.

3.6.

Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot het huisrecht moet worden afgeleid dat het gedwongen verlies van iemands huis ("home") de meest vergaande vorm van inmenging in de uitoefening van het huisrecht is en dat een ieder die het risico loopt op een dergelijke inmenging in beginsel de mogelijkheid moet hebben de proportionaliteit te laten toetsen door de rechter, voordat de ontruiming wordt geëffectueerd. Door middel van de onderhavige procedure worden gedaagden in staat gesteld de proportionaliteit van de voorgenomen ontruiming te laten toetsen door de (onafhankelijke) rechter, zodat aan voormelde voorwaarde is voldaan.

3.7.

Met het oog op die proportionaliteitstoets acht de voorzieningenrechter het volgende van belang. Zoals ook al uit hetgeen hiervoor onder 3.4 is overwogen volgt, behoeft de Staat de inbreuk door gedaagden op zijn eigendomsrecht - in beginsel - niet te dulden. Daar komt bij dat de Staat het terrein met de bunker, voordat deze werd gekraakt, heeft verkocht aan Data Protectors, die in de bunker haar bedrijf zal gaan uitoefenen. Daarbij heeft de Staat zich verplicht om het terrein op korte termijn geheel ontruimd te leveren aan Data Protectors. Voorts heeft de Staat gemotiveerd aangevoerd dat de bunker niet geschikt is voor bewoning, hetgeen de wel-verschenen gedaagde niet voldoende gemotiveerd hebben weersproken. In publiekrechtelijke zin heeft de bunker ook een andere bestemming. Verder hebben de wel-verschenen gedaagden niet voldoende onderbouwd weerlegd de gemotiveerde stelling van de Staat dat bewoning van de bunker een gevaarlijke situatie in het leven roept, als gevolg van (i) de aanwezigheid van een hoogspanningsaansluiting met transformator, (ii) het gedurende geruime tijd buiten gebruik zijn van de waterleiding en (iii) het ontbreken van ventilatie. Ook moet worden meegewogen dat gedaagden nog maar kort op het terrein en in de bunker verblijven. Tot slot hebben de wel-verschenen hun - buiten de pleitnota om gedane - beroep op het huisrecht en de mate waarin dit zou zijn geschonden niet, dan wel nauwelijks nader toegelicht, hetgeen wel van hen had mogen worden verwacht. Alles afwegende moet worden geconcludeerd dat de door de Staat beoogde ontruiming gerechtvaardigd is.

3.8.

De wel-verschenen gedaagden hebben de stelling van de Staat dat er geen aanleiding is voor het vragen van inlichtingen, zoals bedoeld in artikel 557a lid 2 Rv, niet betwist.

3.9.

Mede bezien in het licht van het voorgaande komen de vorderingen van de Staat tegen de niet-verschenen gedaagden noch onrechtmatig noch ongegrond voor.

3.10.

De slotsom is dat de gevorderde ontruiming zal worden toegewezen. Bij een machtiging om de ontruiming zelf uit te voeren heeft de Staat geen belang, zodat de daartoe strekkende vordering zal worden afgewezen. De deurwaarder heeft immers de bevoegdheid om tot reële executie van de veroordeling tot ontruiming over te gaan op grond van de artikelen 555 en volgende in verbinding met artikel 444 Rv. De vordering om het vonnis binnen een termijn van een jaar ten uitvoer te kunnen leggen jegens een ieder is wel toewijsbaar, aangezien die vordering een wettelijke grondslag heeft en - op zichzelf - niet is weersproken.

3.11.

Gedaagden zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proces- en nakosten, zoals gevorderd.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verleent verstek tegen de niet-verschenen gedaagden;

- veroordeelt gedaagden om de bunker met het bijbehorende terrein aan de Van Ouwenlaan 11 te Den Haag binnen drie dagen na de betekening van dit vonnis te ontruimen en niet opnieuw in gebruik te nemen of te geven, zulks met al het hunne en al degenen die zich hunnentwege aldaar mochten bevinden daaronder begrepen;

- bepaalt dat dit vonnis tot één jaar na het uitspreken ervan ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging zonder recht of titel in de bunker, dan wel op het terrein aan de Van Ouwenlaan 11 te Den Haag, bevindt of de bunker dan wel het terrein betreedt en telkens wanneer zich dit voordoet;

- veroordeelt gedaagden in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van gedaagden begroot op € 1.517,80, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 608,-- aan griffierecht en € 93,80 aan dagvaardingskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis;

- veroordeelt gedaagden tevens in de nakosten, forfaitair begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,-- aan salaris en met de explootkosten gemaakt voor de betekening van dit vonnis indien tot betekening wordt overgegaan;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H. Smits en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2014.

jvl