Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:4904

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
02-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_31482
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

De stelling van eiseres 2 dat, voor zover er in het algemeen al een gerechtvaardigd onderscheid bestaat, dit in haar specifieke geval niet opgaat vanwege de B9 vergunning die zij heeft gehad waarbij artikel 3 van het EVRM ook een rol speelt bij de het verzoek om voortgezet verblijf , volgt de rechtbank niet. Vooropgesteld moet worden dat het voor eiseres 2 vrij stond na afloop van de geldigheid van haar B9 vergunning asiel aan te vragen. Eiseres 2 heeft hier om haar moverende redenen niet voor gekozen maar een reguliere aanvraag om voortgezet verblijf ingediend. Dat in deze procedure de aangevoerde asielgerelateerde omstandigheden zijn getoetst en niet tot een vergunning hebben geleid, maakt niet dat deze aanvraag gelijk moet worden gesteld met een asielaanvraag. Evenmin maakt het gegeven dat voor de Nederlandse staat ook een bijzondere verantwoordelijkheid voor slachtoffers van mensenhandel bestaat, niet dat deze op één lijn moet worden gesteld met de bijzondere verantwoordelijkheid die de Nederlandse staat heeft voor asielzoekers en hun minderjarige kinderen zoals hiervoor ook is weergegeven. De B9-procedures verschillen daarnaast ook qua karakter en duur wezenlijk van asielprocedures. Dat bij B9-procedures eveneens sprake kan zijn van subjectieve vrees voor terugkeer naar het land van herkomst, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het gemaakte onderscheid niet gerechtvaardigd te achten. Hierbij acht de rechtbank mede van belang dat de vreemdeling die in het bezit is van een B9-vergunning hier te lande rechtmatig verblijf heeft en aldus gedurende die periode beschermd is tegen gedwongen terugkeer. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de Regeling ook op dit punt niet in strijd is met de (inter)nationale discriminatieverboden zoals door eiseressen aangehaald.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 14, geldigheid: 2014-04-17
Vreemdelingenwet 2000 17, geldigheid: 2014-04-17
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71, geldigheid: 2014-04-17
Grondwet 1, geldigheid: 2014-04-17
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, New York, 16-12-1966 26, geldigheid: 2014-04-17
Vreemdelingenwet 2000 26, geldigheid: 2014-04-17
Algemene wet bestuursrecht 7:3, geldigheid: 2014-04-17
Algemene wet bestuursrecht 8:72, geldigheid: 2014-04-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/205

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/31482

uitspraak van 17 april 2014 in de zaak tussen

[A], V-nummer [V-nummer],

geboren [datum] 2007, eiseres 1,

[B], V-nummer [datum],

geboren op [datum] 1972, eiseres 2,

beiden van Nigeriaanse nationaliteit,

gezamenlijk te noemen eiseressen,

(gemachtigde: mr. T. Neijzen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.N. Mons).

Procesverloop


Bij besluit van 30 juli 2013 heeft verweerder de aanvraag van eiseressen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) met de beperking ‘niet tijdelijke humanitaire gronden op grond van de overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ (de Regeling) afgewezen.

Bij besluit van 29 november 2013 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseressen hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden 18 maart 2014. Eiseressen zijn verschenen en werden bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten. Eiseressen hebben de Nigeriaanse nationaliteit en verblijven als vreemdelingen in Nederland.

2.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseressen niet in het bezit zijn van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), en zij niet behoren tot één van de categorieën vreemdelingen genoemd in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000 en artikel 3.71, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), die vrijgesteld zijn van de verplichting over een mvv te beschikken. Eiseres 1, de hoofdpersoon, voldoet evenmin aan de vereisten van de Regeling, nu eiseres 1 nimmer een asielaanvraag in Nederland heeft ingediend. Voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de Regeling komt eiseres 1 dan ook niet in aanmerking. Evenmin is gebleken van andere omstandigheden op grond waarvan eiseressen dienen te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste, aldus verweerder.

2.

Eiseressen zijn van mening dat zij vrijgesteld dienen te worden van het mvv-vereiste omdat zij tot 14 juli 2011 in het bezit waren van een verblijfsvergunning. Daarnaast zijn eiseressen van mening dat zij wel degelijk in aanmerking komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de Regeling. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de Regeling stellen eiseressen dat de ratio achter de Regeling moet worden gezocht in de worteling van kinderen in Nederland. De in de Regeling opgenomen voorwaarde dat een asielaanvraag moet zijn gedaan is dan ook een niet te rechtvaardigen onderscheid tussen kinderen die wel een asielachtergrond hebben en kinderen die dat niet hebben. Dit onderscheid is in strijd met het in verschillende (inter)nationaalrechtelijke regelingen en verdragen neergelegde discriminatieverbod. Eiseressen verwijzen daarbij onder meer naar artikel 1 van de Grondwet, artikel 14 in samenhang met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 3 van het Internationaal Verdrag tot bescherming van de rechten van het kind (IVRK), artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR), alsmede de verschillende internationale discriminatieverboden en jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Subsidiair hebben eiseressen aangevoerd dat, als het onderscheid in het algemeen wel gerechtvaardigd is, dit in hun specifieke geval toch als een niet te rechtvaardigen onderscheid moet worden beschouwd, nu zij hier te lande rechtmatig verblijf hebben gehad op grond van een B9-procedure. Ook bij slachtoffers van mensenhandel en hun kinderen is er sprake van een subjectieve vrees voor terugkeer naar het land van herkomst. Er is dus geen rechtens te respecteren verschil tussen kinderen van asielzoekers en eiseres 2, als het gaat om het aspect van subjectieve vrees en de daarmee gepaard gaande spanning vanwege mogelijk gedwongen terugkeer. Eiseressen menen voorts dat zij ten onrechte niet zijn gehoord in hun bezwaren, en dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd tot een kennelijk ongegrond bezwaar.

3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bestreden beschikking rechtens juist is. Verweerder is van mening dat het onderscheid dat in de Regeling gemaakt wordt tussen asiel en regulier in zijn algemeenheid niet in strijd is met de diverse (inter-)nationale discriminatieverboden. Het gerechtvaardigd onderscheid tussen kinderen van asielzoekers en kinderen wiens ouders een B9 –procedure hebben doorlopen, ligt voorts in het feit dat de B9 procedure een zeer snelle en korte procedure is, met minimale voorwaarden voor verlening. Dit is wezenlijk anders dan de vroegere langdurige en slepende asielprocedures. Verweerder is voorts van mening dat de afwijzing niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM, dan wel artikel 3 van het IVRK.

4.1.

In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is bepaald dat een ieder het recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

4.2.

In artikel 14 van het EVRM is - voor zover hier van belang - bepaald dat het genot van rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

4.3.

Ingevolge artikel 3 van het IVRK vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging.

4.4.

Ingevolge artikel 26 van het IVBPR zijn allen gelijk voor de wet en hebben zij zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.



4.5 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van die wet worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

4.6

In artikel 17, eerste lid van de Vw 2000 en in artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000 worden categorieën vreemdelingen opgesomd die vrijgesteld zijn van de verplichting over een (geldige) mvv te beschikken. Op grond van het derde lid wijst verweerder de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier niet af wegens het ontbreken van een geldige mvv als dit leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).


5. Ingevolge de Regeling, dat van verweerders beleid deel uitmaakt, verleent verweerder een vergunning aan de vreemdeling die in het kader van de Regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd:

a. die jonger is dan 21 jaar op de startdatum van de peilperiode;

b. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, op de startdatum van de peilperiode tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag als bedoeld in artikel 28 Vw (asielaanvraag) heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;

c. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, van voogdijinstelling Nidos; én

d. die, voor zover van toepassing, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van de regeling.

Verweerder verleent ook een vergunning aan gezinsleden die op het moment van de beoordeling deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken. Verweerder beoordeelt of de gezinsband is verbroken aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk B2. Het toetsmoment is het moment van de aanvraag.

Omtrent de voorwaarde onder a en b. is in de Regeling voorts opgenomen dat de IND als peilperiode de periode van 29 oktober 2012 (de datum van het Regeerakkoord) tot de datum inwerkingtreding van de overgangsregeling hanteert. Indien de vreemdeling tussen 29 oktober 2012 en de datum van inwerkingtreding van deze Regeling 21 jaar wordt, werpt de IND dit niet tegen. Indien de termijn van vijf jaar verblijf in Nederland eerst wordt bereikt op de datum van inwerkingtreding van deze Regeling, werpt de IND dit eveneens niet tegen. Indien de vreemdeling op startdatum van de peilperiode niet voldoet aan de overige voorwaarden, wijst de IND de aanvraag af.

De IND werpt niet tegen dat door of namens de vreemdeling geen asielaanvraag is ingediend indien een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren. De overige voorwaarden gelden onverkort.

In paragraaf 3.3. van de Regeling, merkt verweerder, in aanvulling op het bepaalde in paragraaf B1/4.1.1 van de Vc 2000, de groep vreemdelingen die voldoet aan de voorwaarden van de Regeling aan als bijzondere groep aan wie in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid (thans derde lid) van het Vb 2000, vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend. Indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden van de Regeling en ook overigens niet is gebleken van omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/4.1.1, wijst verweerder de aanvraag af wegens het ontbreken van een mvv met toepassing van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000.

6.

De rechtbank overweegt het volgende.

Eiseressen stellen zich primair op het standpunt dat de Regeling een niet gerechtvaardigd onderscheid bevat tussen asielkinderen en kinderen wiens ouders geen asielaanvraag hebben ingediend. De rechtbank overweegt in dit kader allereerst dat de Regeling begunstigend beleid behelst, zodat aan verweerder een grote mate van discretie toekomt ten aanzien van de bepaling welke groepen van personen daaronder vallen en welke toelatingseisen op hen van toepassing zijn. Dit maakt dat niet licht geoordeeld kan worden dat het onderscheid dat daarmee ontstaat tussen vreemdelingen die wel en vreemdelingen die niet onder de Regeling vallen, niet gerechtvaardigd moet worden geacht. Dit laat echter onverlet dat ook begunstigend beleid niet strijdig mag zijn met de discriminatieverboden zoals neergelegd in onder meer artikel 14 van het EVRM, artikel 2 van het IVRK en artikel 26 van het IVBPR. De rechtbank zal derhalve de vraag moeten beantwoorden. of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het in verweerders beleid gemaakte onderscheid naar status tussen kinderen voor of door wie in het verleden een verblijfsvergunning asiel is aangevraagd en kinderen door of voor wie dat niet is gebeurd. Zo een rechtvaardiging bestaat er, zo blijkt onder uit meer het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EHRM) van 27 september 2011 (in de zaak 56328/07, Bah tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:NL:XX:2011:BR5142), indien het onderscheid een legitiem doel dient en het onderscheid proportioneel is aan het gediende doel. Uit rechtsoverweging 47 van dit arrest blijkt verder dat staten een ‘margin of appreciation’ hebben bij het vaststellen van verschillende behandeling en dat deze ‘margin of appreciation’ groter wordt als het gaat om niet onvervreemdbare eigenschappen:

“The Court recalls that the nature of the status upon which differential treatment is based weighs heavily in determining the scope of the margin of appreciation to be accorded to Contracting States. As observed above at paragraph 45, immigration status is not an inherent or immutable personal characteristic such as sex or race, but is subject to an element of choice. In the applicant’s case, while she entered the United Kingdom as an asylum seeker, she was not granted refugee status. She cannot therefore be described as a person who was present in a Contracting State because, as a refugee, she could not return to her country of origin. Furthermore, she subsequently chose to have her son join her in the United Kingdom. Given the element of choice involved in immigration status, therefore, while differential treatment based on this ground must still be objectively and reasonably justifiable, the justification required will not be as weighty as in the case of a distinction based, for example, on nationality. Furthermore, given that the subject matter of this case – the provision of housing to those in need – is predominantly socio-economic in nature, the margin of appreciation accorded to the Government will be relatively wide (see Stec and Others, cited above, § 52).”

7.

De rechtbank stelt voorop dat de verblijfsrechtelijke status en dus de status van asielzoeker niet een onvervreemdbare eigenschap betreft, zoals bijvoorbeeld geslacht en etniciteit wel zodanige eigenschappen zijn. Hier ligt immers een keuze aan ten grondslag om al dan niet een asielaanvraag in te dienen. Dat de keuze om al dan niet een asielaanvraag in te dienen veelal door de ouders van de minderjarige vreemdeling wordt gemaakt, maakt niet dat daarom sprake is van een onvervreemdbare eigenschap. Verweerder heeft dan ook een ruime ‘margin of appreciation’ daar waar het gaat om het vaststellen van de groepen kinderen die een geslaagd beroep kunnen doen op de Regeling.

8.

De rechtbank is in het licht van deze ruime “margin of appreciation” van oordeel dat er onvoldoende aanleiding bestaat om te concluderen dat verweerder niet in redelijkheid de toepasselijkheid van de Regeling – mede nu dit reeds een begunstigend uitzonderingsbeleid betreft – heeft kunnen beperken tot vreemdelingen met een asielachtergrond. Daarbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bijzonder van belang kunnen achten dat zowel in nationale als in internationale wetgeving een onderscheid wordt gemaakt tussen asielzoekers en reguliere migranten Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in zijn uitspraak van 10 november 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG5060) ook heeft overwogen, is de Nederlandse staat verschillende internationale verplichtingen aangegaan, onder meer door toetreding tot het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen, het bijbehorende Protocol van New York van 1967 en verschillende mensenrechtenverdragen, zoals het EVRM, die in het bijzonder zien op de vraag of bescherming moet worden geboden aan vreemdelingen die op asielgerelateerde gronden hier te lande verblijf beogen. Deze internationale verplichtingen hebben ertoe geleid dat de Nederlandse overheid ten aanzien van vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend andere verantwoordelijkheden heeft aangenomen dan voor vreemdelingen die dat niet hebben gedaan. Het internationaal recht kent voorts ook bijzondere bescherming toe aan kinderen met een asielachtergrond. Zo bepaalt artikel 22 van het IVRK, kort gezegd, dat een kind dat asiel zoekt of erkend is als vluchteling recht heeft op bijzondere bescherming en bijstand. Verweerder heeft dus ook een bijzondere verantwoordelijkheid ten aanzien van minderjarige kinderen met een asielachtergrond die afwijkt van de verantwoordelijkheid van de staat voor andere kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook reeds hierom niet worden gezegd dat het gemaakte onderscheid niet een legitiem doel dient of niet proportioneel is aan het gediende doel.

Voorts heeft verweerder van belang kunnen achten dat de positie van kinderen met een asielachtergrond een andere is dan de positie van kinderen met een reguliere achtergrond, zowel voor wat betreft de bij hen levende subjectieve vrees voor terugkeer naar het land van herkomst als voor wat betreft het verblijf van kinderen met een asielachtergrond in een asielzoekerscentrum. Uit de verschillende door verweerder genoemde onderzoeken blijkt immers dat de ontwikkeling van kinderen van asielzoekers die tijdens de asielprocedure in een asielzoekerscentrum verblijven schade kan oplopen als gevolg van dit verblijf. Ten aanzien van de stelling van eiseressen dat deze schade ook optreedt bij niet- asielzoekerskinderen, onder verwijzing naar de memo van 13 december 2013 van Prof.dr.mr. M.E. Kalverboer en Dr. A.E. Zijlstra getiteld: ‘De schade die kinderen oplopen als ze na langdurig verblijf in Nederland gedwongen worden uitgezet’ overweegt de rechtbank als volgt. Nu de bevindingen in dit memo in het geheel niet zijn onderbouwd kan op basis hiervan niet worden geconcludeerd dat de conclusies die in de eerdere rapporten zijn getrokken ten aanzien van kinderen van asielzoekers evenzeer van toepassing zijn op kinderen met een reguliere achtergrond. De rechtbank overweegt in dit verband voorts dat de overheid verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de geboden opvang in een asielzoekerscentrum. Daarentegen heeft zij in beginsel geen verantwoordelijkheid inzake de opvang of huisvesting van reguliere migranten. Het verschil in verantwoordelijkheid voor de opvang leidt er ook toe dat verweerder deze factor, nog los van het aspect van de duur van een asielprocedure, heeft mogen meewegen ter rechtvaardiging van het onderscheid tussen vreemdelingen met een asielachtergrond en met een reguliere achtergrond.

De stelling van eiseres 2 dat, voor zover er in het algemeen al een gerechtvaardigd onderscheid bestaat, dit in haar specifieke geval niet opgaat vanwege de B9 vergunning die zij heeft gehad waarbij artikel 3 van het EVRM ook een rol speelt bij de het verzoek om voortgezet verblijf , volgt de rechtbank niet. Vooropgesteld moet worden dat het voor eiseres 2 vrij stond na afloop van de geldigheid van haar B9 vergunning asiel aan te vragen. Eiseres 2 heeft hier om haar moverende redenen niet voor gekozen maar een reguliere aanvraag om voortgezet verblijf ingediend. Dat in deze procedure de aangevoerde asielgerelateerde omstandigheden zijn getoetst en niet tot een vergunning hebben geleid, maakt niet dat deze aanvraag gelijk moet worden gesteld met een asielaanvraag. Evenmin maakt het gegeven dat voor de Nederlandse staat ook een bijzondere verantwoordelijkheid voor slachtoffers van mensenhandel bestaat, niet dat deze op één lijn moet worden gesteld met de bijzondere verantwoordelijkheid die de Nederlandse staat heeft voor asielzoekers en hun minderjarige kinderen zoals hiervoor ook is weergegeven. De B9-procedures verschillen daarnaast ook qua karakter en duur wezenlijk van asielprocedures. Dat bij B9-procedures eveneens sprake kan zijn van subjectieve vrees voor terugkeer naar het land van herkomst, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het gemaakte onderscheid niet gerechtvaardigd te achten. Hierbij acht de rechtbank mede van belang dat de vreemdeling die in het bezit is van een B9-vergunning hier te lande rechtmatig verblijf heeft en aldus gedurende die periode beschermd is tegen gedwongen terugkeer. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de Regeling ook op dit punt niet in strijd is met de (inter)nationale discriminatieverboden zoals door eiseressen aangehaald.

9.

Met betrekking tot het beroep de artikel 3 van het IVRK overweegt de rechtbank dat uit de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2012 (LJN:BV3716) volgt dat artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking heeft in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, bezien in het licht van artikel 3 van het IVRK, voldoende rekenschap gegeven van de belangen van eiseres 1. Het beroep op artikel 3 van het IVRK slaagt dan ook reeds daarom niet.

10.

Eiseressen hebben voorts aangevoerd dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld op de bezwaren te worden gehoord. Deze beroepsgrond slaagt wel. Voor dat oordeel is het volgende redengevend. Verweerder heeft er met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van afgezien eiseressen in de gelegenheid te stellen op het bezwaar te worden gehoord. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling mag door het bestuursorgaan met toepassing van die bepaling slechts van het horen worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van de primaire besluiten en hetgeen eiseressen tegen deze besluiten in bezwaar hebben aangevoerd, is aan voormelde maatstaf niet voldaan, reeds omdat eiseressen al in bezwaar een beroep hebben gedaan op de discriminatieverboden waarop zij zich ook in beroep hebben beroepen. Van het beroep op die verboden kan niet gezegd worden dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het tot anders luidende besluiten kon leiden. De enkele verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter is daartoe volstrekt onvoldoende.

11.

Nu het beroep op de hoorplicht slaagt, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. In hetgeen onder de rechtsoverwegingen 6. tot en met 11. is overwogen met betrekking tot gronden die zijn aangevoerd tegen de redenen van afwijzing van de door eiseressen gevraagde vergunningen, ziet de rechtbank evenwel aanleiding om, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten.

12.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb verweerder veroordelen in de kosten die eisers heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 974,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand worden gelaten;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 974,- te betalen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eiseressen te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Schaffels, voorzitter, mr. M. Soffers en mr. B. Meijer, rechters, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)