Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:4738

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
AWB 14/3073
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers hebben in het formulier ‘Verzoekschrift/beroepschrift’ de keuzeoptie aangevinkt dat het geschrift een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening betreft.

Aan de hand van de strekking van het geschrift, de daarop gegeven toelichting alsmede de gebleken ondeskundigheid van de indiener, merkt de rechtbank het geschrift aan als beroepschrift.

Het is eisers toegestaan de beroepsgronden ter zitting aan te vullen, nu geen rechtsregel daaraan in de weg staat en geen sprake is van strijd met een goede procesorde.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Vreemdelingenkamer

Zittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 14/3073

Datum uitspraak: 17 april 2014

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

[naam],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

beiden van Sri Lankaanse nationaliteit,

eisers,

gemachtigde [naam],

tegen

de Minister van Buitenlandse Zaken,

Visadienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 27 juni 2013 hebben eisers aanvragen ingediend voor de afgifte van visa voor kort verblijf.

Bij besluiten van 15 juli 2013 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Tegen deze besluiten hebben eisers op 7 augustus 2013 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 10 januari 2014 heeft verweerder de bezwaren kennelijk ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van voornoemd besluit van 10 januari 2014 hebben eisers op 5 februari 2014 het formulier ‘Verzoekschrift/beroepschrift’ ingediend bij het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken. Op dit formulier hebben eisers de keuzeoptie aangevinkt dat het een verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening betreft.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 26 maart 2014. Eisers zijn verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W. Steenstra, werkzaam als procesvertegenwoordiger bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

De beoordeling

Ten aanzien van de interpretatie van het formulier ‘Verzoekschrift/beroepschrift’

1.

Eisers hebben in het formulier ‘Verzoekschrift/beroepschrift’ van 5 februari 2014 de keuzeoptie aangevinkt dat het een verzoek om een voorlopige voorziening betreft.

Op dit formulier is namens eisers het volgende vermeld:

“Onze ouders hebben wel recht om op bezoeken in Nederland, Ik ben erg verantwoordelijke als referent, Ik verzoek u om mensenrechten te beschermen. Ik beloof dat ze terugkeren naar SriLanka.”

2.

Bij schrijven van 10 februari 2014 heeft de rechtbank eisers gevraagd aan te geven wat de gronden van dat verzoek zijn, een onderbouwing van het spoedeisend belang te geven en te vermelden welke voorziening in de visie van verzoekers getroffen zou moeten worden. Hierop is namens eisers per brief van 18 februari 2014 als volgt gereageerd:

“Gronden van het verzoek:

vakantie naar nederland en om familie te bezoeken (familie = schoonzoon + eigen dochter)

Onderbouwen:

Niet spoedeisend maar ze zijn oudere mensen. Ze willen graag in de periode van lente/zomer hier komen vanwege de temperatuur. En extra bijzonderheden zwangerschap van [naam] (dochter van vreemdelingen)

Welke voorziening:

wij willen graag dat hun een Visum Kort Verblijf (VKV) verstreken wordt zodat ze op vakantie naar nederland kunnen komen en om familie te bezoeken.”

3.

Nadat de rechtbank ter zitting de betekenis van het begrip voorlopige voorziening ter sprake heeft gebracht, is namens eisers aangegeven dat het niet hun wens is dat in dezen een voorlopige voorziening wordt getroffen. Het formulier ‘Verzoekschrift/beroepschrift’ is bedoeld als beroepschrift en dient ook als zodanig door de rechtbank te worden beschouwd, aldus eisers.

4.

Verweerder heeft aangevoerd dat het formulier ‘Verzoekschrift/beroepschrift’ als verzoek om een voorlopige voorziening moet worden beschouwd, nu dat ook als zodanig op het formulier is aangevinkt. Onder verwijzing naar artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) stelt verweerder zich op het standpunt dat eisers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, gezien het feit dat naast het verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening geen beroep is ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.

5.

Gegeven de inhoud van het namens eisers ingediende formulier ‘Verzoekschrift/beroepschrift’, alsmede gezien de hierboven geciteerde en ter zitting geboden toelichting van eisers, stelt de rechtbank vast dat twijfel mogelijk is over de uitleg van bedoeld geschrift. Uitgaande van deze twijfel zijn voor de uitleg van het formulier onder andere van belang de strekking van dit geschrift (vergelijk o.a. Afdeling 19 januari 2005, JB 2005, 80) en de gebleken deskundigheid van de indiener (bijvoorbeeld Afdeling 1 februari 2006, 200505803, www.raadvanstate.nl). Naar het oordeel van de rechtbank is, gezien de hierboven in r.o.1 geciteerde tekst, de strekking van het formulier ‘Verzoekschrift/beroepschrift’ van 5 februari 2014 die van een beroepschrift. Dit vindt bevestiging in het feit dat namens eisers bij schrijven van 10 februari 2014 is aangevoerd, hetgeen ter zitting is herhaald, dat er wat hen betreft geen sprake is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb en dat het hun wens is dat de rechtbank de beslissing op bezwaar inhoudelijk beoordeelt. Bij haar interpretatie van het formulier betrekt de rechtbank tevens de door haar vastgestelde ondeskundigheid van de gemachtigde van eisers. De rechtbank beschouwt het meergenoemde formulier als beroepschrift en zal deze verder als zodanig beoordelen.

Ten aanzien van het beroep

6.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

7.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu zij volgens hem hebben verzuimd om beroepsgronden aan te voeren.

8.

De rechtbank overweegt het volgende. Ingevolge artikel 6:6 aanhef en onder a van de Awb kan een beroep niet ontvankelijk worden verklaard, indien ook na een geboden termijn voor herstel verzuim niet wordt voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, in welke bepaling is voorgeschreven dat het beroepschrift -onder andere- tenminste de beroepsgronden bevat.

9.

Op het formulier ‘Verzoekschrift/beroepschift’ van 5 februari 2014 is namens eisers het volgende vermeld:

“Onze ouders hebben wel recht om op bezoeken in Nederland, Ik ben erg verantwoordelijke als Referent, Ik verzoek u om mensenrechten te beschermen. Ik beloof dat ze terugkeren naar SriLanka.”

Door het bovenstaande aan te voeren, stellen eisers zich de facto op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat het voornemen van eisers om Nederland vóór het verstrijken van het visum te verlaten, niet kon worden vastgesteld. Dit -zij het impliciete- beroep op afwezigheid van vestigingsgevaar merkt de rechtbank aan als beroepsgrond, waardoor het beroep ontvankelijk is.

10.

Namens eisers is ter zitting naar voren gebracht dat zij zich op dezelfde standpunten stellen als zij deden ten tijde van het bezwaar. Hieruit begrijpt de rechtbank dat eisers de destijds aangevoerde gronden van bezwaar thans als (nadere) beroepsgronden wensen aan te voeren.

11.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het eisers vrij stond om ter zitting de beroepsgronden aan te vullen met dezelfde gronden als welke aan het bezwaar ten grondslag lagen. De rechtbank overweegt dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat bij de beoordeling van een beroep gronden worden betrokken die eerst worden aangevoerd nadat de termijn voor het indienen van beroepsgronden is verstreken, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde (vergelijk Afdeling 13 juli 2011, LJN BR1433). De rechtbank overweegt dat het ter zitting aanvoeren van beroepsgronden in onderhavige zaak bezwaarlijk in strijd kan worden geacht met de goede procesorde. Verweerder ziet zich door deze aanvulling op de beroepsgronden immers geconfronteerd met identieke kritiekpunten als door eisers in de bezwaarfase is aangevoerd, waardoor verweerder niet wordt “overvallen” door de inhoudelijk standpunten van eisers. Verweerder is ook gemotiveerd op deze standpunten ingegaan.

12.

Bij de beoordeling van de beroepsgronden, stelt de rechtbank vast dat eisers hebben verzuimd aan te geven om welke reden(en) verweerder de destijds aangevoerde gronden van bezwaar –thans aangevoerd als beroepsgronden- ten onrechte heeft gepasseerd. Nu eisers expliciet noch impliciet zijn ingegaan op de motivering van het besluit waartegen beroep en zij feitelijk hebben volstaan met het enkel herhalen van de gronden van bezwaar, zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

13.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Molenaar, rechter, in tegenwoordigheid van M. Paul, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2014.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.