Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:4642

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
C/09/461313 / KG ZA 14-253
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Journaliste moet voor interviewverzoek Rwandese man uitspraak beroepsrechter afwachten

De journaliste die een kort geding had aangespannen tegen de Staat om een Rwandese man in detentie te interviewen, moet van de Haagse voorzieningenrechter een uitspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) afwachten. De RSJ behandelt nog de klacht van de man tegen het weigeren van het interviewverzoek door de directeur van de gevangenis waar de Rwandees vastzit. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan hij, zolang die uitkomst nog niet bekend is, niet de eis honoreren om het interview toe te staan.

Deze man is in Rwanda verdacht van o.a. genocide en de rechtbank heeft in december zijn uitlevering aan Rwanda toegestaan. De man is op dit moment in afwachting van de uitkomst van het daartegen ingestelde cassatieberoep. Zowel de man als de journaliste hebben aan de directeur van de penitentiaire inrichting (p.i.) verzocht om toestemming voor het houden van een interview. Beide verzoeken zijn door de directeur afgewezen.

De klacht van de man hierover bij de beklagcommissie van de p.i. is recentelijk gegrond verklaard. De Staat heeft aangekondigd daartegen beroep te zullen aantekenen bij de RSJ. Daarop is nog niet beslist. De journaliste vordert in kort geding met een beroep op de vrijheid van nieuwsgaring dat de voorzieningenrechter aan haar toestemming verleent voor het houden van een interview. Die vordering wordt afgewezen. De voorzieningenrechter overweegt dat de journaliste bij de uitoefening van dat recht afhankelijk is van de medewerking van de man. Nu de man gedetineerd is, kunnen er beperkingen worden gesteld aan zijn uitingsvrijheid. De vraag of de directeur op goede gronden zijn toestemming heeft geweigerd en dus of de man alsnog zijn medewerking zal kunnen verlenen aan het interview, zal worden beantwoord in de procedure die thans loopt bij de beklagcommissie/de RSJ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/461313 / KG ZA 14-253

Vonnis in kort geding van 16 april 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. M. Herens te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden,

(Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 4 april 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

De heer [Rwandese man] (hierna: [Rwandese man]) heeft de Rwandese nationaliteit. Hij verblijft thans in Nederland in de penitentiaire inrichting [p.i.] (hierna: de p.i.).

1.2.

Rwanda heeft verzocht om de uitlevering van [Rwandese man] omdat op hem de verdenking rust dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan onder andere genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven. De uitleveringskamer van de rechtbank Den Haag heeft op 20 december 2013 die uitlevering toelaatbaar verklaard. [Rwandese man] heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Daarop is nog niet beslist.

1.3.

Eiseres is een journaliste die onder meer publiceert over de situatie in het Grote Merengebied in Midden-Afrika, waar Rwanda deel van uitmaakt. Eiseres heeft de wens om [Rwandese man] te interviewen en zij heeft deze wens via de echtgenote van [Rwandese man] aan hem kenbaar gemaakt. [Rwandese man] heeft eiseres daarna bij de p.i. op de bezoekerslijst van 10 februari 2014 laten plaatsen. Dit bezoek heeft geen doorgang gevonden, omdat het de p.i. voordien was gebleken dat eiseres journaliste is en [Rwandese man] niet de daarvoor benodigde toestemming van de directeur van de p.i. had gevraagd. Bij brief van 24 februari 2014 heeft de directeur van de p.i. aan [Rwandese man] kenbaar gemaakt dat er voor het interview geen toestemming wordt verleend omdat, kort gezegd, het voeren van een gesprek met een vertegenwoordiger van de media zich niet verdraagt met de belangen als genoemd in artikel 40 onder b, c en d van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw), hetgeen in de brief nader wordt toegelicht.

1.4.

Eiseres heeft ook zelf aan de directeur van de p.i. verzocht om haar toestemming te geven voor een interview met [Rwandese man]. Dit verzoek is afgewezen bij brief van 25 februari 2014. In deze brief wordt dezelfde afwijzingsgrond genoemd.

1.5.

[Rwandese man] heeft vervolgens twee klachten ingediend bij de beklagcommissie van de p.i., betreffende de weigering van het bezoek door eiseres (nummer ZO 2014/053) en de beslissing van de directeur om geen toestemming te geven voor een interview met eiseres (nummer ZO 2014/067). De beklagcommissie heeft hierover uitspraak gedaan op 28 maart 2014, welke uitspraak is verzonden op 31 maart 2014 (hierna: de uitspraak van de beklagcommissie). De beklagcommissie heeft de klachten van [Rwandese man] gegrond verklaard en, voor zover thans relevant, ten aanzien van de klacht met nummer ZO 2014/067 bepaald, onder vernietiging van de beslissing van de directeur van 24 februari 2014, dat de directeur binnen twee weken – met inachtneming van de uitspraak van de beklagcommissie – een nieuwe beslissing zal nemen.

1.6.

Gedaagde heeft aangekondigd tegen de uitspraak van de beklagcommissie beroep in te zullen stellen bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) en tegelijkertijd om schorsing te zullen verzoeken van de tenuitvoerlegging van die uitspraak.

2 Het geschil

2.1.

Eiseres vordert, zakelijk weergegeven, primair gedaagde te bevelen om haar binnen twee dagen na betekening van dit vonnis toegang te verlenen tot de p.i. dan wel de locatie waar [Rwandese man] op dat moment verblijft, teneinde hem voor de duur van tenminste drie uur onder vier ogen te kunnen interviewen met alle middelen waaronder video- en geluidsapparatuur en subsidiair haar de mogelijkheid te bieden om [Rwandese man] voor de duur van tenminste drie uur via Skype dan wel telefonisch te interviewen zonder dat daarbij door derden wordt meegeluisterd, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.2.

Daartoe voert eiseres, samengevat, het volgende aan. Zij wil [Rwandese man] interviewen om in artikelen, en mogelijk in een uitzending, inzicht te kunnen geven in de uitlevering van Rwandezen door Nederland, waarbij zij het menselijk aspect wil belichten. Ook wil zij zo meer te weten te komen over historische gebeurtenissen en de behandeling van Rwandese vluchtelingen. Zij heeft bij dit interview een spoedeisend belang omdat [Rwandese man] binnen afzienbare tijd aan Rwanda kan worden uitgeleverd en een interview dan niet meer mogelijk is. Eiseres betwist dat dit interview zich niet verdraagt met de in artikel 40 Pbw genoemde belangen. De motivering van de directeur van de p.i. kan op diverse punten niet worden gevolgd en deze is voorts niet voldoende geconcretiseerd. Het belang van gedaagde, zoals geformuleerd in de afwijzing van haar verzoek, weegt niet op tegen het belang van eiseres bij een vrije nieuwsgaring. Dit belang valt onder het grondrecht vrijheid van meningsuiting, zoals neergelegd in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de

fundamentele vrijheden (EVRM). Op dit recht wordt thans een inbreuk gemaakt die niet noodzakelijk is in een democratische samenleving en die derhalve ontoelaatbaar is. Het recht waarop inbreuk wordt gemaakt betreft een eigen recht van eiseres en zij heeft derhalve een zelfstandige vordering jegens gedaagde uit onrechtmatige daad, waarvoor deze civiele rechtsgang openstaat.

2.3.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

Gedaagde heeft zich primair op het standpunt gesteld dat eiseres weliswaar in haar vorderingen kan worden ontvangen, maar dat voor toewijzing hiervan geen plaats is. Gedaagde heeft hiertoe naar voren gebracht dat er nog geen beslissing is in de procedure als vermeld onder 1.6., waarin zal worden beslist op de klaagschriften van [Rwandese man], en dat er geen plaats is voor een met die beslissing strijdige uitspraak in kort geding. Eiseres meent daarentegen dat de voortgang en uitkomst van deze procedure niet afhankelijk kan worden gemaakt van die procedure, waarbij zij geen partij is. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent als volgt.

3.2.

Een aspect van de vrijheid van nieuwsgaring, dat door eiseres bij voormelde stellingname onvoldoende is onderkend, is dat een journalist bij de uitoefening van dit recht altijd afhankelijk is van de medewerking van de persoon die hij/zij wenst te interviewen. In het geval deze persoon, zoals [Rwandese man], gedetineerd is, heeft dit onmiskenbaar zijn weerslag op de vrijheid van nieuwsgaring. In dat geval kunnen er immers beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van de uitingsvrijheid van die persoon. Dit is nader uitgewerkt in artikel 40 Pbw, waarin is bepaald dat de directeur van de p.i. toestemming kan geven voor het voeren van een gesprek tussen de gedetineerde en een vertegenwoordiger van de media, voor zover dit zich verdraagt met een viertal in het artikel genoemde belangen. De directeur heeft die toestemming aan [Rwandese man] onthouden. De vraag of hij dit op goede gronden heeft gedaan en derhalve of [Rwandese man] zijn medewerking (alsnog) zal kunnen verlenen, zal worden beantwoord in de procedure die thans loopt bij de beklagcommissie/de RSJ. Zolang die uitkomst nog niet bekend is en daarmee niet duidelijk is of [Rwandese man] aan het interview zal kunnen meewerken, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen ruimte voor toewijzing van het door eiseres gevorderde in dit geding. De voorzieningenrechter kan immers niet treden in die beslissing van de RSJ. Gedaagde zal derhalve in zoverre worden gevolgd in zijn verweer. Dit maakt dat de voorzieningenrechter niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de overige stellingen en weren.

3.3.

Voor een nadere aanhouding, hetgeen overigens niet door eiseres maar door gedaagde is bepleit, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. In beginsel leent deze procedure, gezien haar spoedeisende karakter, zich daarvoor niet en van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan van dit uitgangspunt zou moeten worden afgeweken is niet gebleken. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat gedaagde een uitspraak van de RSJ niet zal nakomen. De vorderingen zullen derhalve worden afgewezen.

3.4.

Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.424,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 608,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2014.