Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:4388

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
AWB 13/30564, 13/30565
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

“Aanvraag afgifte document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Schijnrelatie. Zoals volgt uit paragraaf 4.2 van de richtsnoeren (COM 2009, 313) inzake richtlijn 2004/38, zijn systematische controles van aanvragen als de onderhavige verboden, maar mag verweerder wel individuele gevallen onderzoeken wanneer er een gegrond vermoeden van misbruik bestaat. In het onderhavige geval mocht verweerder toetsen of sprake was van een schijnrelatie. Niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is geweest van vooringenomenheid of onzorgvuldigheid. In de richtsnoeren is voorts opgenomen dat, indien een vermoeden van het bestaan van een schijnrelatie aanwezig is en nader onderzoek wordt gedaan, dit onderzoek een afzonderlijk onderhoud met elk van de partners kan omvatten. Er is geen rechtsgrond die verweerder verplicht een verslag van de hoorzitting ter goedkeuring, ter correctie of ter aanvulling aan eiser en referente voor te leggen. Nu met het bezwaar geen afdoende verklaring is gegeven voor de in het primaire besluit vastgestelde tegenstrijdigheden en vage verklaringen op essentiële punten over de aanloop naar, het ontstaan en het onderhouden van de relatie, wordt eiser niet gevolgd in de stelling dat het bezwaar noopte tot horen. De op verweerder rustende verplichting de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten bij de voorbereiding van een besluit gaat voorts niet zover dat, bij gebreke van iedere onderbouwing van het gestelde geheugenverlies, van verweerder mag worden verlangd hiernaar nader onderzoek te verrichten. Verweerder heeft, tot slot, gelet op de uiteengezette tegenstrijdigheden en vage verklaringen die eiser en referente tijdens de hoorzitting hebben afgelegd, waarvoor onvoldoende verklaring is gegeven in de beroepsgronden, niet ten onrechte geconcludeerd dat sprake is van een schijnrelatie. Het beroep is ongegrond.”

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-04-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 13/30564 (beroep)

AWB 13/30565 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 27 februari 2014 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op[geboortedatum], van Pakistaanse nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. H. Jager, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. E. de Jong, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit het rechtmatig verblijf blijkt als familielid van een burger van de Unie, te weten [referente] (referente), afgewezen.

Bij besluit van 1 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft op 17 januari 2014 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Op 6 april 2007 is aan eiser een verblijfsvergunning regulier verleend met als doel ‘studie’, geldig van 15 december 2006 tot 15 december 2007. Bij beschikking van 16 augustus 2007 is deze vergunning met terugwerkende kracht per 27 juni 2007 ingetrokken.
Voorts is aan eiser een verblijfsvergunning regulier onder de beperking met als doel ‘verblijf bij echtgenote [echtgenote]’ verleend met ingang van 13 november 2007 geldig tot 13 november 2008. Deze vergunning is verlengd tot 13 november 2013. Bij beschikking van 23 april 2010 is deze vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken per 28 december 2009. Bij beschikking van 2 september 2010 is het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 16 februari 2011 (AWB 10/32567) is het hiertegen ingediende beroep ongegrond verklaard.
Voorts heeft eiser op 1 maart 2011 een verzoek ingediend tot toepassing van artikel 64 Vw, hetgeen heeft geleid tot uitstel van vertrek voor de duur van zes maanden, tot 3 september 2011.
Op 20 april 2011 heeft eiser een aanvraag wijziging beperking in ‘voortgezet verblijf’ ingediend, welke aanvraag bij beschikking van 9 december 2011 is afgewezen. Bij beschikking van 2 juli 2012 is het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Het ingediende beroep is voorts bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 18 januari 2013 (AWB 12/24078) ongegrond verklaard.
Op 5 september 2012 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend.
Eiser en referente zijn niet gehuwd. Zij hebben op 4 september 2012 een relatieverklaring ondertekend, waarin door beiden wordt verklaard dat zij sinds 9 augustus 2011 een duurzame relatie onderhouden, daartoe een gemeenschappelijke huishouding voeren en feitelijk samenwonen.

2.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op de volgende grond. Uit onderzoek is verweerder onmiskenbaar gebleken dat sprake is van een schijnrelatie, die enkel is aangegaan om het in richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: richtlijn 2004/38) neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten, waarop anders geen aanspraak zou kunnen worden gemaakt.

3.

Eiser voert in de eerste plaats aan dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat in de zaak van eiser en referente sprake is van contra-indicaties, op grond waarvan nader onderzoek was vereist. Dat sprake is van een relatie tussen een derdelander en een burger van de Unie met Oost-Europese nationaliteit en een combinatie van nationaliteiten die qua culturele en religieuze achtergrond niet voor de hand liggend zou zijn, geeft naar de mening van eiser blijk van discriminatoire aannames in plaats van objectieve factoren voor een onderzoek.

3.1

In het primaire besluit heeft verweerder aangegeven dat sprake is van de volgende individuele indicatoren:
- er is sprake van een relatie tussen een derdelander en een burger van de Unie met een
Oost-Europese nationaliteit;

- het betreft een combinatie van nationaliteiten die qua culturele achtergrond niet
meteen voor de hand liggend is;

- betrokkene heeft meerdere verblijfsprocedures zonder resultaat in Nederland
doorlopen;

- de relatie met referente is aangegaan en de onderhavige aanvraag is ingediend nadat
betrokkene één of meer terugkeerbesluiten is opgelegd;
- betrokkene heeft in eerdere procedures verzuimd informatie door te geven die
mogelijk gevolgen had gehad voor het verblijfsrecht (afmelding studie en beëindi-
ging relatie);
- een broer van betrokkene ontleent verblijfsrecht aan een relatie met de dochter van
referente;
- referente is vijftien jaar ouder dan betrokkene.
Verweerder heeft naar aanleiding van de door eiser ingediende aanvraag nader onderzoek verricht naar de vraag of sprake is van misbruik. Volgens verweerder bestond aanleiding voor dat onderzoek omdat hem gebleken is dat het aantal aanvragen om toetsing aan het Unierecht, waarbij sprake is van een huwelijks- of partnerrelatie tussen onderdanen van landen buiten de Europese Unie met burgers van de Unie, in het bijzonder met burgers van de Unie met een Oost-Europese nationaliteit, aanzienlijk is toegenomen en hierbij is geconstateerd dat bij een groot aantal van deze aanvragen sprake was van een schijnrelatie. Voorts is gebleken dat op eiser en referente individuele indicatoren van toepassing zijn die dat nadere onderzoek rechtvaardigen.
Ter zitting heeft verweerder voorts toegelicht dat genoemde individuele indicatoren, die aangeven dat er mogelijk sprake is van fraude of misbruik, enkel aanleiding zijn om tot verder onderzoek over te gaan. De besluitvorming is voorts gebaseerd op de resultaten uit het onderzoek en niet op de indicatoren.

3.2

In overweging 28 van richtlijn 2004/38 worden schijnhuwelijken omschreven als huwelijken die zijn aangegaan met als enig doel het in de richtlijn neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten. Uit paragraaf 4.2 van de in COM 2009, 313, neergelegde richtsnoeren inzake richtlijn 2004/38 blijkt dat lidstaten individuele gevallen mogen onderzoeken wanneer er een gegrond vermoeden van misbruik of fraude bestaat, waarbij zij zich kunnen baseren op eerdere analyses en ervaringen die aantonen dat er een duidelijk verband bestaat tussen gevallen waarin misbruik is bewezen en bepaalde kenmerken van deze gevallen. De lidstaten kunnen daarbij een reeks indicatieve criteria vaststellen die doen vermoeden dat de door de richtlijn 2004/38 verleende rechten waarschijnlijk zijn misbruikt, met als enig doel inbreuk te maken op de nationale immigratiewetgeving. Deze criteria kunnen eventueel leiden tot het instellen van een onderzoek, dat een afzonderlijk onderhoud met elk van de echtgenoten of partners kan omvatten. Op grond van het Unierecht is het niet toegestaan systematisch onderzoek te doen naar bepaalde groepen migranten.

3.3

Zoals volgt uit paragraaf 4.2 van de richtsnoeren zijn systematische controles van aanvragen als de onderhavige verboden, maar mag verweerder wel individuele gevallen onderzoeken wanneer er een gegrond vermoeden van misbruik bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het onderhavige geval op het standpunt mogen stellen dat sprake was van concrete indicaties die in beginsel een onderzoek naar misbruik van richtlijn 2004/38 rechtvaardigden. De rechtbank volgt derhalve niet de stelling van eiser dat geen sprake was van objectieve factoren, maar van discriminatoire aannames. Dit brengt met zich dat verweerder in het geval van eiser en referente mocht toetsen of sprake was van een schijnrelatie. Niet aannemelijk is gemaakt dat daarbij sprake is geweest van vooringenomen-heid of onzorgvuldigheid bij verweerder. De beroepsgrond kan daarom niet slagen.

4.

Eiser voert voorts aan dat eiser en referente de mogelijkheid is ontnomen de tijdens de hoorzitting van 14 mei 2013 gegeven antwoorden te controleren en eventueel te corrigeren, dan wel om op elkaars verklaringen te kunnen reageren, om onduidelijkheden te verklaren en op te helderen. Het op 14 mei 2013 gehouden gehoor heeft derhalve niet op zorgvuldige wijze plaatsgevonden.

4.1

Voor zover eisers beroep zich er mede op richt dat het afzonderlijk horen van eiser en referente geen passend middel was om te beoordelen of de bij verweerder gerezen twijfel aan de oprechtheid van hun relatie gegrond was, faalt het. In de richtsnoeren, zoals hierboven reeds opgemerkt onder 3.2, is immers aangegeven dat, als een vermoeden van het bestaan van een schijnrelatie aanwezig is en nader onderzoek wordt gedaan, dit onderzoek een afzonderlijk onderhoud met elk van de partners kan omvatten.

4.2

Voorts kan verweerder worden gevolgd in zijn stelling dat er geen rechtsgrond is die verweerder verplicht om het verslag van de hoorzitting ter goedkeuring, ter correctie of ter aanvulling aan eiser en referente voor te leggen. Gelet op de aard van het onderzoek, waarbij juist een waardering dient plaats te vinden van de verklaringen die partners afzonderlijk van elkaar, en zonder enige sturing of andere invloed door de andere, hebben afgelegd, is het feit dat niet de gelegenheid is geboden om achteraf correcties en aanvullingen aan te brengen, niet als onzorgvuldig aan te merken. Overigens volgt uit het verslag van het gehoor, onder meer op bladzijden 12, 13 en 27, dat eiser en referente tijdens het gehoor zijn geconfronteerd met tegenstrijdige of andersluidende verklaringen van de ander, waarna de gelegenheid is gegeven hierop te reageren. De beroepsgrond wordt verworpen.

5.

Eiser voert voorts aan dat de hoorplicht is geschonden. Door af te zien van een hoorzitting, hoewel daarom wel is verzocht, heeft verweerder eiser de mogelijkheid ontnomen om in de bestuurlijke voorfase aanvullend te verklaren of getuigen te laten horen, terwijl de conclusie van verweerder dat onmiskenbaar is gebleken van een schijnrelatie in feite slechts is gebaseerd op het oordeel van één of twee medewerkers van verweerder. Dit klemt te meer nu het volgens eiser vrijwel nooit voorkomt dat partners elke vraag over hun relatie identiek beantwoorden. Het standpunt van verweerder in de bestreden beslissing dat de argumenten van eiser in het bezwaarschrift nog meer vragen oproepen, brengt mee dat die vragen, niet zonder eiser daarover te horen, in zijn nadeel mochten worden uitgelegd.

5.1

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden afgezien van het horen, indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. De beoordeling of sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar is afhankelijk van de inhoud van het bezwaarschrift, bezien in het licht van het primaire besluit en de wettelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat het bezwaar tot horen noopte, nu met het bezwaar geen afdoende verklaring is gegeven voor de in het primaire besluit vastgestelde tegenstrijdige en vage verklaringen op essentiële punten over de aanloop naar, het ontstaan en onderhouden van de relatie. Dat het bezwaar daarnaast nog meer vragen opwerpt over de oprechtheid van de gestelde relatie, zoals verweerder in het bestreden besluit heeft aangegeven, brengt niet mee dat verweerder eiser en referente daarover had moeten horen. De beroepsgrond faalt derhalve.

6.

Eiser voert voorts als grond van beroep aan dat het op de weg van verweerder had gelegen om het Bureau Medische Advisering (BMA) te vragen nader onderzoek te doen, gelet op de door eiser in de bezwaarfase geciteerde email van de longarts van eiser, dr. [arts], waarin is opgenomen:

[eiser], geboren [geboortedatum], wonende [adres], is op onze polikliniek behandeld wegens tuberculose van de darm. Hij rapporteert momenteel geheugenverlies. Alhoewel deze klacht nog niet geobjectiveerd is en er geen causaal verband aangetoond is, kan wel een verband bestaan tussen geheugenverlies en tuberculose of gebruik van tuberculostatica.

Nu verweerder aan zijn beslissing (mede) ten grondslag heeft gelegd dat eiser een aantal vragen niet kon beantwoorden en op een aantal andere vragen niet geheel identieke antwoorden gaf als referente, was onderzoek door het BMA naar het causale verband tussen de medische behandeling en vormen van geheugenverlies noodzakelijk.

6.1

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het standpunt mogen innemen dat het citaat uit de (ongedateerde) email van dr.[arts] voornoemd zeer summier en algemeen is, en geen aanleiding vormt voor nader onderzoek door het BMA. Uit deze verklaring volgt immers weliswaar dat er een verband kan bestaan tussen geheugenverlies en tuberculose of tuberculostatica, maar niet dat er daadwerkelijk geheugenverlies bij eiser is vastgesteld. De op verweerder rustende verplichting de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten bij de voorbereiding van een besluit reikt niet zo ver dat, bij gebreke van iedere onderbouwing van het gestelde geheugenverlies, van verweerder mag worden verlangd hiernaar nader onderzoek te verrichten. Dit leidt tot verwerping van de beroepsgrond.

7.

Tot slot voert eiser aan dat verweerder ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat sprake is van een schijnrelatie. Niet langer wordt betwist dat eiser en referente in dezelfde woning wonen, dat zij op hetzelfde adres staan ingeschreven en dat zij een duurzame relatie hebben nu zij reeds meer dan zes maanden samenwonen. Volgens eiser is verweerder niet geslaagd in het bewijs dat de samenwoning en relatie als enige doel het verkrijgen van verblijfsrechten hebben. De verklaringen tijdens de hoorzittingen bieden daarvoor geen bewijs. Eiser en referente hebben daarin immers verklaard over hun samenleven en huishouding. De bestreden beslissing berust niet op een deugdelijke onderbouwing, nu de vraag of partners over bepaalde zaken eensluidend en consistent dienen te verklaren, enkel gebaseerd is op de persoonlijke mening daaromtrent van verweerder.

7.1

Verweerder heeft aan zijn oordeel dat sprake is van een schijnrelatie ten grondslag gelegd dat eiser en referente op essentiële punten tegenstrijdige, uiterst summiere, bevreemdingwekkende of vage verklaringen hebben afgelegd over hun eerste ontmoeting, het verdere contact na deze ontmoeting, het ontstaan van hun relatie en over gebeurtenissen in het recente verleden.

7.2

Gelet op de door verweerder in het besluit in primo en het bestreden besluit uiteengezette tegenstrijdige en vage verklaringen die eiser en referente tijdens de hoorzitting van 14 mei 2013 hebben afgelegd, waarvoor door eiser onvoldoende verklaring is gegeven in de beroepsgronden, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte geconcludeerd dat sprake is van een schijnrelatie. Zo is terecht opmerkelijk bevonden dat eiser verklaarde dat hij tijdens hun eerste ontmoeting in Litouwen Russisch met referente sprak, terwijl referente verklaarde dat zij eiser nooit Russisch heeft horen spreken. Dit geldt evenzeer voor de andersluidende verklaring die eiser en referente hebben afgelegd ten aanzien van hun eerste ontmoeting in Nederland. Referente verklaarde dat zij eiser in Amsterdam voor het eerst ontmoette in het huis van haar dochter aan[adres], terwijl eiser verklaarde dat deze eerste ontmoeting zeker niet aan[adres] plaatsvond. Ook heeft verweerder de vage verklaringen van eiser over het ontstaan van de (intieme) relatie zodanig bevreemdingwekkend kunnen vinden, dat de geloofwaardigheid van het bestaan ervan is aangetast. Zo wist eiser niet of referente, zoals zij verklaart, af en toe bij eiser bleef slapen voordat ze gingen samenwonen, en evenmin of de intieme relatie is ontstaan vóór of na het samenwonen. Tot slot acht de rechtbank het met verweerder opmerkelijk dat eiser en referente tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over de dagen waarop referente in de week voorafgaand aan de hoorzitting heeft gewerkt. Volgens referente werkte zij van maandag tot en met donderdag, en vervolgens op zaterdag, terwijl eiser verklaarde te denken dat referente op vrijdag had gewerkt, en dat hij niet wist of zij op andere dagen van die week had gewerkt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat voornoemde tegenstrijdigheden en vaagheden niet slechts betrekking hebben op onderdelen op detailniveau, zoals eiser poogt ingang te doen vinden, maar op onderdelen die in het licht van het ontstaan en onderhouden van een relatie als belangwekkend mogen worden aangemerkt, en de conclusie dat sprake is van een schijnrelatie rechtvaardigen.

7.3

De verklaring van de getuige ter zitting, de dochter van referente, kan aan de hierboven weergegeven tegenstrijdigheden en vaagheden niet afdoen, waarbij in aanmerking wordt genomen dat deze verklaring geen inzicht biedt in de motieven die ten grondslag liggen aan de samenwoning van eiser en referente. Ook het feit dat referente ten behoeve van eiser als contactpersoon staat geregistreerd voor medewerkers van het ziekenhuis, is onvoldoende om, in weerwil van de tegenstrijdige en vage verklaringen op essentiële onderwerpen, te oordelen dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat sprake is van een schijnrelatie. De beroepsgrond wordt derhalve verworpen.

8.

Het beroep is ongegrond.

9.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Verzoek om een voorlopige voorziening

10.

Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

11.

Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.C. Westermann-Smit, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2014.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.