Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:4344

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
03-06-2014
Zaaknummer
C-09-461761 - JE RK 14-587
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Kinderrechter

Rekestnummer: JE RK 14-587

Zaaknummer: C/09/461761

Datum beschikking: 1 april 2014

Machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg

Beschikking op het op 10 maart 2014 ingekomen verzoekschrift van:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, Crisis Interventie Team (verder: Bureau Jeugdzorg),

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats],

kind uit het huwelijk van:

[vader],

de vader, overleden,

en

[moeder],

de moeder,

wonende te [plaats A],

die het ouderlijk gezag alleen uitoefent.

De minderjarige verblijft feitelijk in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, te weten[X].

Procedure

Bij beschikking d.d. 12 maart 2014, waarvan de inhoud als hier overgenomen dient te worden beschouwd, heeft de kinderrechter in de rechtbank aan Bureau Jeugdzorg voorlopige machtiging verleend de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg van 14 maart 2014 tot 7 april 2014 en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot de zitting van 1 april 2014.

De kinderrechter heeft tevens kennisgenomen van:

- het verzoekschrift met bijlage(n) met daarin vervat de verklaring van Bureau Jeugdzorg

dat een situatie als bedoeld in artikel 29b, derde lid, van de Wet op de Jeugdzorg zich

voordoet;

- de instemmingsverklaring d.d. 11 maart 2014 van een gedragswetenschapper als bedoeld

in artikel 29b, vijfde lid, van de Wet op de Jeugdzorg, die de jeugdige met het oog daarop

kort tevoren heeft onderzocht;

- het indicatiebesluit van Bureau Jeugdzorg Haaglanden d.d. 28 maart 2014, met de daarbij

behorende aanvraag.

Op 1 april 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank opnieuw met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- mevrouw[A], namens Bureau Jeugdzorg;

- de moeder, vergezeld van haar partner, de heer [B];

- mevrouw [C] en mevrouw [D] van Stichting MEE;

- mevrouw R. Musa, tolk in de Somalische taal;

- de minderjarige, bijgestaan door haar advocaat, mr. L. van Dijk.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot machtiging de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van het indicatiebesluit.

Ter zitting heeft mevrouw [A] aangegeven dat dat minderjarige weinig probleembesef laat zien en dat door haar gedrag haar veiligheid in het geding raakt. Zij reageert door steeds haar zin te willen krijgen. Voorts heeft zij aangegeven dat zolang de moeder blijft meewerken met de hulpverlening, een ondertoezichtstelling niet nodig is.

De moeder heeft ingestemd met het verzochte, doch slechts voor de duur van zes maanden.

Zij wil het beste voor de minderjarige en zij wil dat de veiligheid van de minderjarige gewaarborgd wordt.

De minderjarige heeft verweer gevoerd. Volgens haar is er geen sprake van loverboy-problematiek en zij meent dat haar gedrag niet veranderd kan worden door haar in een gesloten setting te plaatsen.

De advocaat van de minderjarige heeft verzocht tot afwijzing van het verzoek. Hij heeft daartoe naar voren gebracht dat er geen bewijs is van loverboy-problematiek, maar dat er meer sprake is van een problematiek tussen de minderjarige en de moeder. Hij meent dat als oplossing voor dit probleem de gesloten plaatsing een te zwaar middel is, een middel dat slechts is gebaseerd op het enkele feit dat de minderjarige is weggelopen uit de crisisopvang. Hij meent dat gevolg moet worden gegeven aan het oordeel van de gedragswetenschapper dat er een ondertoezichtstelling moet zijn om sturing te kunnen geven in de problematiek tussen de minderjarige en de moeder. Door sturing van een gezinsvoogd(es) zou een gesloten plaatsing niet nodig zijn.

Beoordeling

De kinderrechter overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het verzoek tot machtiging de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg de instemming heeft van de gezaghebbende ouder(s). Nu derhalve sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29b, tweede lid, onder c, van de Wet op de Jeugdzorg, is een ondertoezichtstelling van de minderjarige niet vereist.

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de minderjarige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat het wegloopgedrag van de minderjarige ernstig is, temeer daar zij diverse keren is teruggevonden in het bijzijn van meerderjarige mannen en het niet duidelijk is wat zij daar uitvoert. Voorts overweegt de kinderrechter dat de relatie tussen de minderjarige en de moeder ernstig verstoord is vanwege het niet nakomen van de afspraken en het zich niet houden aan de regels door de minderjarige. Een terugplaatsing bij de moeder zal opnieuw tot escalaties en weglopen van de minderjarige leiden. De minderjarige overziet de gevolgen van haar (zelfbepalend) gedrag niet waardoor zij haar eigen veiligheid en die van anderen in gevaar brengt. Dit zelfbepalend gedrag kan niet door de moeder begrensd worden en ook niet in de open settingen waar zij heeft verbleven. Gezien haar wegloopgedrag en het gevaar dat hieruit voortvloeit is plaatsing van de minderjarige in een gesloten setting aangewezen. Voorts overweegt de kinderrechter dat behandeling van de minderjarige is vereist om haar te leren wat de gevolgen van haar gedrag en handelingen zijn, temeer nu is gebleken dat de minderjarige weinig probleembesef heeft en oppositioneel- en manipulatief gedrag vertoont. Dit zijn allemaal risicofactoren die een ernstige bedreiging vormen voor haar veiligheid en ontwikkeling. Nu door de gesloten plaatsing de dreiging van de veiligheid van de minderjarige grotendeels is weggenomen is de kinderrechter van oordeel dat er een toetsingsmoment moet zijn om te kijken hoe de minderjarige zich ontwikkelt binnen de gesloten setting en of de behandeling daar aanslaat. De kinderrechter zal derhalve de machtiging voor de duur van zes maanden verlenen en het verzoek voor het overige aanhouden. De kinderrechter verwacht van Bureau Jeugdzorg dat zij hem en de belanghebbenden ruim voor de nader te bepalen zitting schriftelijk informeert over het verloop van de behandeling van de minderjarige, het te volgen hulpverleningsplan en over de thuissituatie bij de moeder.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

machtigt de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b, eerste lid, van de Wet op de Jeugdzorg van 7 april 2014 tot 12 september 2014, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit d.d. 28 maart 2014;

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de terechtzitting van

9 september 2014 op een nog nader te bepalen tijdstip;

verzoekt Bureau Jeugdzorg tijdig voor voornoemde zitting schriftelijk verslag uit te brengen zoals hierboven is overwogen;

gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:

- de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden;
- de moeder en haar partner;
- de minderjarige;
- de advocaat van de minderjarige, mr. L. van Dijk.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G.J. Brink, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2014 in tegenwoordigheid van A.U. Hatuina als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag..