Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:4330

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
C-09-451578 - HA ZA 13-1090
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis in erfrechtconflict. Instructies aan advocaten door rechtbank.

Zie ook ECLI:NL:RBDHA:2015:318 voor het eindvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel (civiele bodemzaken)

zaaknummer / rolnummer: C/09/451578 / HA ZA 13-1090

Vonnis van 9 april 2014

in de zaak van:

mevrouw [de dochter],

de dochter wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat: mr. A.H. van Haga te Den Haag,

tegen

de heer [de oudste zoon],

de oudste zoon wonende te [woonplaats] of [woonplaats],

gedaagde 1 in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie,

advocaat: mr. R.S. Sewdajal te Zoetermeer,

en

de heer [de jongste zoon],

de jongste zoon wonende te [woonplaats],

gedaagde 2 in conventie,

advocaat: mr. N. Roodenburg te Den Haag.

De rechtbank zal de procespartijen in dit erfrechtconflict hierna kortheidshalve, en zoals hierboven in de kop van dit vonnis al aangegeven, zo veel mogelijk de dochter, de oudste zoon en de jongste zoon noemen.

De procedure

1.1 De rechtbank heeft bij het wijzen van dit vonnis rekening gehouden met de inhoud van de hierna volgende procestukken, uit welke opsomming ook het procesverloop blijkt:

  • -

    de twee dagvaardingen van 20 september 2013 tegen de eerste rolzitting van 2 oktober 2013, met de producties 1 t/m 15 van de dochter;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van voorwaardelijke eis in reconventie van 13 november 2013 met de producties 1 en 2 van de oudste zoon;

  • -

    de ter rolzitting van 13 november 2013 door de rolgriffier aan de advocaat van de jongste zoon “verleende akte van niet-dienen van conclusie van antwoord”;

  • -

    het comparitievonnis van 27 november 2013 en de beschikking datumbepaling van 20 december 2013 van de rechtbank;

  • -

    het door de rechtbank opgemaakte proces-verbaal van de comparitie van partijen van dinsdag 11 februari 2014.

1.2 De vonnisdatum is nader bepaald op vandaag.

De door de rechtbank vastgestelde feiten

2.1 Op 4 november 2008 zijn door een ongeval in Suriname de twee ouders van de drie procespartijen overleden. Volgens de notariële verklaring(en) van erfrecht van notaris Lalmahomed van 28 januari 2009 hebben de drie kinderen de nalatenschappen van hun overleden beide ouders allen zuiver aanvaard, en had de dochter toen ook een boedelvolmacht aan haar beide broers (de oudste en de jongste zoon) verleend.

2.2 Tot de beide nalatenschappen van de beide overleden ouders van de drie partijen behoren in ieder geval de formeel nog onverdeelde onroerende zaken aan de [adres 1] en aan de [adres 2] te [woonplaats]. De [adres 1] is sinds het overlijden van de beide ouders feitelijk beheerd door de oudste zoon en de [adres 2] door de jongste zoon. De jongste zoon heeft voorts de bankrekeningen op naam van de beide overleden ouders en nadien de erfgenamen rekening(en) krachtens de voornoemde volmacht beheerd, en hij heeft voorts het grootste deel van het overig financieel en feitelijk beheer van de nalatenschappen van de ouders gevoerd.

2.3 Bij notariële akte van 25 januari 2012 van notaris Lalmahomed heeft de dochter haar eerder bij onderhandse akte van 22 januari 2009 verleende boedelvolmacht aan haar beide broers (zie hiervoor bij 2.1) weer ingetrokken. Er was en is sprake van ernstig verstoorde verhoudingen tussen de drie procespartijen.

De te beoordelen geschillen van partijen

3.1 De dochter vordert in conventie ten eerste dat de rechtbank de oudste en de jongste zoon hoofdelijk zal veroordelen om de in de dagvaardingen opgesomde informatie met behoorlijke bewijsstukken aan de dochter te verstrekken over samengevat de omvang van de nalatenschappen en de waarden van de daartoe behorende vermogensbestanddelen, over de door het beheer genoten vruchten waaronder vooral de huurinkomsten van de twee onroerende zaken aan de [straat met adres 1 en adres 2] en de op de banktegoeden ontvangen rente met kopie van alle bankafschriften vanaf 4 november 2008, en over de inhoud van de kluis, de waarde van de (gouden en zilveren) sieraden, de overlijdensrisicoverzekeringen en de spaarverzekering. Ten tweede vordert de dochter dat de rechtbank daarna in deze procedure de wijze van verdeling van de nalatenschappen tussen partijen zal vaststellen met de hoogte van ieders erfdeel, zo veel mogelijk op de wijze zoals nader in de dagvaardingen gesteld, alles met nevenvorderingen. De oudste zoon heeft daartegen schriftelijk verweer in conventie gevoerd bij conclusie van antwoord en mondeling ter zitting. De jongste zoon heeft tot dusver alleen mondeling verweer ter zitting gevoerd wegens onder meer de eerder door de rolgriffier aan zijn advocaat verleende “akte van niet-dienen”.

3.2 De oudste zoon vordert in voorwaardelijke reconventie, op voorwaarde dat de rechtbank zal beslissen dat de onroerende zaak aan de [adres 1] te [woonplaats] ondanks zijn verweer in conventie niet zonder nadere verrekening aan hem zal worden toegedeeld, dat de rechtbank de dochter zal veroordelen om aan de oudste zoon te betalen een bedrag van € 12.666,67 voor de door hem sinds 4 november 2008 betaalde beheerskosten voor de [adres 1]. Daartegen heeft de dochter ter zitting mondeling verweer gevoerd.

3.3 Voor de weergave van de (nadere) standpunten van de drie procespartijen volstaat de rechtbank nu kortheidshalve met een verwijzing naar de inhoud van de hiervoor bij 1.1 opgesomde processtukken met alle producties tot dusver.

De beoordeling door de rechtbank

4.1 Zoals ter zitting van 11 februari 2014 al nader besproken en bepaald, zal de rechtbank nu een tussenvonnis wijzen met daarbij zo veel mogelijk gerichte instructies aan de drie partijen en hun advocaten tot het op de voet van art. 22 Rv alsnog produceren van de tot dusver in het griffiedossier om uiteenlopende redenen nog ontbrekende, maar voor het nemen van zorgvuldige eindbeslissingen noodzakelijke behoorlijke bewijsstukken en/of behoorlijke nadere onderbouwingen van de eigen stellingen van de drie procespartijen.

4.2 Zoals ter eerste zitting ook al besproken, zal de rechtbank daartoe nu ambtshalve een datum voor een tweede comparitie van partijen bepalen, waarbij de drie advocaten uiterlijk 14 dagen voorafgaand aan die tweede zitting per brief aan de comparitierechter met gelijktijdige kopie aan elkaar ieder een nadere conclusie met in ieder geval alsnog de vereiste behoorlijke bewijsstukken en/of nadere onderbouwingen moeten hebben ingezonden. Ter tweede zitting zal de rechtbank vervolgens het wederhoor toepassen op die aldus per brief buiten de rolzittingen om uiterlijk 14 dagen voor die tweede zitting te ontvangen nadere conclusies van de drie advocaten met alsnog productie van de vereiste nadere bewijsstukken en/of onderbouwingen en met desgewenst ook eventuele eiswijzigingen, en zal opnieuw een schikking worden beproefd voordat een datum voor eindvonnis zal worden bepaald.

4.3 Van de advocaat van de dochter (mr. Van Haga) verwacht de rechtbank aldus dat zij in haar nadere conclusie uiterlijk 14 dagen voor de tweede zitting in ieder geval zo veel mogelijk alsnog zal produceren behoorlijke bewijsstukken en/of onderbouwingen van:

a. a) de WOZ-waarden en de getaxeerde of geschatte verdelingswaarden per 4 november 2008 (sterfdatum) en per 9 april 2014 (heden) van de onroerende zaken aan de [adres 1] en aan de [adres 2] te [woonplaats];

b) de door haar gestelde hypothecaire geldlening “bij Quion Rotterdam” van € 100.000,-;

c) de geschatte verdelingswaarde(n) van de Nissan Micra per sterfdatum en per heden;

d) de getaxeerde of geschatte verdelingswaarden van de per sterfdatum nog aanwezige, en zo veel mogelijk te specificeren inboedelgoederen van de beide ouders, de inhoud van de kluis en de sieraden, met zoveel mogelijk bewijsstukken zoals bijvoorbeeld eventuele foto’s van onder meer de door de dochter zelf gestelde gouden ring, televisie en stereo-installatie.

Voor het overige kan en zo nodig moet de dochter in haar nadere conclusie met nadere bewijstukken voorafgaand aan de tweede zitting uiteraard nog onderbouwd doen stellen al hetgeen zij in deze verdelingszaak overigens nog relevant acht.

4.4 Van de advocaat van de oudste zoon (mr. Sewdajal) verwacht de rechtbank aldus dat zij in haar nadere conclusie uiterlijk 14 dagen voor de tweede zitting in ieder geval zo veel mogelijk alsnog zal produceren behoorlijke bewijsstukken en/of onderbouwingen van:

a. a) de WOZ-waarden en de getaxeerde of geschatte verdelingswaarden per 4 november 2008 (sterfdatum) en per 9 april 2014 (heden) van de onroerende zaken aan vooral de door de oudste zoon beheerde [adres 1] en voorts aan de [adres 2] te [woonplaats];

b) alsnog behoorlijke rekening en verantwoording van het door de oudste zoon vanaf de sterfdatum tot heden gevoerde beheer over de onroerende zaak aan de [adres 1] te [woonplaats], met in ieder geval behoorlijke bewijsstukken van alle sindsdien door hem ontvangen huuropbrengsten en van alle sindsdien door hem betaalde beheerskosten van die formeel nog onverdeelde onroerende zaak, waaronder de door hem in voorwaardelijke reconventie gestelde kosten van circa € 19.000,-;

c) bewijsstukken van de gestelde koopovereenkomst met betalingsbewijs van de Nissan Micra vóór de sterfdatum van zijn ouders;

d) de getaxeerde of geschatte verdelingswaarden van de per sterfdatum nog aanwezige, en zo veel mogelijk te specificeren inboedelgoederen van de beide ouders, de inhoud van de kluis en de sieraden, met zoveel mogelijk bewijsstukken zoals bijvoorbeeld eventuele foto’s.

Voor het overige kan en zo nodig moet de oudste zoon in zijn nadere conclusie met nadere bewijstukken voorafgaand aan de tweede zitting uiteraard nog onderbouwd doen stellen al hetgeen hij in deze verdelingszaak overigens nog relevant acht.

4.5 Van de advocaat van de jongste zoon (mr. Roodenburg) verwacht de rechtbank dat hij in zijn nadere conclusie uiterlijk 14 dagen voor de tweede zitting in ieder geval zo veel mogelijk alsnog zal produceren behoorlijke bewijsstukken en/of onderbouwingen van:

a. a) de WOZ-waarden en de getaxeerde of geschatte verdelingswaarden per 4 november 2008 (sterfdatum) en per 9 april 2014 (heden) van het registergoed aan de [adres 1] en vooral van het door de jongste zoon beheerde registergoed aan de [adres 2] te [woonplaats];

b) alsnog behoorlijke rekening en verantwoording van het door de jongste zoon vanaf de sterfdatum tot heden gevoerde beheer over de onroerende zaak aan de [adres 2] te [woonplaats], met in ieder geval behoorlijke bewijsstukken van alle sindsdien door hem ontvangen huuropbrengsten en alle sindsdien door hem betaalde beheerskosten van die formeel nog onverdeelde onroerende zaak, en met kopie van de hypotheekakte en de omvang van de hypotheekschuld voor de [adres 2] te [woonplaats] per sterfdatum en per heden;

c) alsnog behoorlijke rekening en verantwoording van het door de jongste zoon vanaf de sterfdatum tot heden gevoerde overig financieel beheer over de beide nalatenschappen, met in ieder geval kopie op chronologische volgorde van alle bankafschriften van de door hem beheerde bankrekeningen van de beide ouders en nadien de erfgenamen rekening(en), kopie van de aangiften successierechten en de aanslagen successierechten, kopie van de begrafeniskosten en bewijsstukken van de (wijze van) betaling daarvan, de datum en de wijze van uitkering en besteding van de door de dochter via haar productie 14 onderbouwd gestelde spaarrekening of spaarverzekering van de vader bij Heineken Nederlands Beheer en van de eventuele uitkeringen van overlijdensrisicoverzekeringen van beide ouders, en voorts van de door de jongste zoon aan de dochter en de oudste zoon betaalde (en daarna volgens de dochter weer teruggeëiste) deelbetalingen van € 6.666,67 en/of circa € 6.000,-;

d) de getaxeerde of geschatte verdelingswaarden van de per sterfdatum nog aanwezige, en zo veel mogelijk te specificeren inboedelgoederen van de beide ouders, de Nissan Micra, de inhoud van de kluis die naar de rechtbank ter eerste zitting begreep na het overlijden van de beide ouders door de jongste zoon is geopend en de waardevolle sieraden, met zoveel mogelijk bewijsstukken zoals bijvoorbeeld eventueel beschikbare foto’s van al die roerende zaken van de ouders van partijen.

Voor het overige kan en zo nodig moet de jongste zoon in zijn nadere conclusie met nadere bewijstukken voorafgaand aan de tweede zitting - na en ondanks de door de rolgriffier van de rechtbank aan hem eerder verleende “akte van niet-dienen” - alsnog onderbouwd en schriftelijk doen stellen al hetgeen hij in deze verdelingszaak overigens nog relevant acht.

4.6 Aan het eventueel niet alsnog produceren van de voormelde vereiste behoorlijke bewijsstukken en/of onderbouwingen van de eigen stellingen bij nadere schriftelijke conclusie die moet zijn ontvangen uiterlijk 14 dagen voorafgaand aan de tweede zitting, zal de rechtbank op de voet van art. 22 Rv bij eindvonnis per geschilpunt de gepaste gevolgen kunnen verbinden in het nadeel van de aldus eventueel nog steeds in gebreke blijvende procespartij. Voor het overige gelden voor de tweede zitting opnieuw dezelfde zittingsregels die de rechtbank voor de eerste zitting al had bepaald in haar comparitievonnis van 27 november 2013, en voorts alle procedurele regels die zijn bepaald in het landelijk procesreglement, waaronder vooral die in hoofdstuk 8 van het landelijk procesreglement nu de rechtbank in dit tussenvonnis de onderstaande zittingsdatum ambtshalve heeft bepaald zonder voorafgaande opgave van de eventuele (zwaarwegende) verhinderdata van partijen.

De beslissingen

De rechtbank:

- beveelt een tweede comparitie van partijen met de hiervoor aangegeven doelen en met inachtneming van al het hiervoor door de rechtbank bepaalde op dinsdag 17 juni 2014 om 13.00 uur in één van de zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de comparitierechter mr. H. Wien;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2014.