Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:4236

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
08-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_10071
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van concrete feiten en omstandigheden is eiseres voor het arbeidsongeval aan te merken als werkgever in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.

Wetsverwijzingen
Arbeidsomstandighedenbesluit 3.17, geldigheid: 2014-04-08
Arbeidsomstandighedenwet 1998 16 10, geldigheid: 2014-04-08
Arbeidsomstandighedenwet 1998 33, geldigheid: 2014-04-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/304

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/10071

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2014 in de zaak tussen

de besloten vennootschap B.V. [eiseres], gevestigd te [plaats] ([gemeente]), eiseres

(gemachtigde: mr. G. Geurts),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW),

(gemachtigde: mr. I.E. van Heijningen).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1988 (de Arbowet).

Bij besluit van 1 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2014. Voor eiseres is verschenen [A], directeur van de B.V., bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Verweerder heeft eiseres een bestuurlijke boete van € 9000 opgelegd in verband met een arbeidsongeval op 25 mei 2012 op het bedrijfsterrein van [B], [adres] te [plaats], waarbij een werknemer van eiseres, [C], lichamelijk letsel heeft opgelopen. [C] is tijdens de reparatie van een roldeur die niet goed sloot, met zijn hoofd bekneld geraakt tussen de in werking zijnde opengaande overheaddeur en het oprollende deel.

2.

Ingevolge artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) wordt het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, voorkomen en indien dat niet mogelijk is zoveel mogelijk beperkt.

Het niet naleven van artikel 3.17 van het Arbobesluit vormt een overtreding zoals bedoeld in artikel 16, tiende lid juncto artikel 33, tweede lid, van de Arbowet.

3.

Eiseres heeft, samengevat, aangevoerd dat de boete ten onrechte is opgelegd omdat zij niet als werkgever in de zin van de Arbowet kan worden beschouwd. [C] is bij haar in dienst als werknemer maar ten tijde van het ongeval verrichtte hij werkzaamheden voor een ander bedrijf, te weten [B] B.V. Bij wijze van gunst heeft [C], op verzoek van de algemeen directeur van [B], zijn voormalige werkgever, getracht de storing aan de overheaddeur te verhelpen. Van werkzaamheden die werden verricht in het kader van het dienstverband met eiseres, bijvoorbeeld op basis van het onderhoudscontract tussen beide bedrijven dan wel met een opdracht van eiseres was dan ook geen sprake. Voor het onderhoud van de deur is een servicecontract afgesloten met [D] B.V. te Utrecht.

4.1

Partijen zijn verdeeld over de vraag of eiseres voor het arbeidsongeval als werkgever is aan te merken in de zin van de Arbowet. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.

4.2

In de verklaring van 17 oktober 2012 van [E], directeur van eiseres, die als bijlage is gevoegd bij en deel uitmaakt van het op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van de Inspectie SZW, staat onder meer het volgende vermeld:

“Het slachtoffer is sinds 4 oktober 2010 in vaste dienst bij het bedrijf. Daarvoor werkte hij gedurende 15 jaar bij [B] als onderhoudsmonteur. Bij het opheffen van de technische dienst hebben wij het slachtoffer in dienst genomen. Door de overgang van de medewerkers is het onderhoud van het interne materieel en de vrachtwagens aan [eiseres] uitbesteed. Dit is mondeling overeengekomen. De werkzaamheden waarmee het slachtoffer mee bezig was is niet het reguliere werk wat hij normaal doet. Hij is onderhoudsmonteur voor het rijdend materieel”.

In de verklaring van 15 juni 2012 van [C] staat onder meer het volgende vermeld:

“Tijdens het ongeval bevond ik mij bij [B] B.V.. Ik was de dag ervoor ’s avonds gebeld door de directeur van het bedrijf [B] B.V. om te kijken naar een overheaddeur die niet goed sloot. Ik ben eerst bij mijn werkgever geweest om te overleggen met mijn leidinggevende, chef-werkplaats, en die vond het goed dat ik ging kijken naar de overheaddeur”.

In de verklaring van 30 mei 2013 van [F], leidinggevende van [C], staat onder meer het volgende vermeld:

“Ik weet dat [C] in het verleden in dienst was bij [B]. Wij hebben het onderhoud van de vrachtwagens, heftrucks en machines bij deze firma. In het verleden werkte [C] bij de technische dienst van [B]. Hij was daarom het aanspreekpunt voor [B]. Als er onderhoud moest worden gepleegd of als er storingen waren dan werd [C] gebeld. Bij een melding bracht [C] mij op de hoogte en kon hij de storing gaan verhelpen. In principe hoefde hij geen toestemming te krijgen om een dergelijke melding te behandelen. Behalve als het druk was dan moest eerst het werk intern gedaan worden voordat het werk bij [B] gedaan kon worden. Voor het beoordelen van de storing aan de overheaddeur was er tijd dus kon hij gelijk naar de overheaddeur gaan kijken. [C] was gebeld ik weet niet door wie en had dat aan mij verteld en ging de storing verhelpen of beoordelen. Dit was de standaardwerkmethode.

Het plegen van onderhoud en het verhelpen van storingen behoorde tot de standaard werkzaamheden van [C] tot aan het grasmaaien toe”.

In een eigen verklaring van [F] van 29 juli 2013, die eiseres in de bezwaarprocedure heeft ingebracht, staat vermeld dat het niet tot het takenpakket van [C] behoorde om storingen aan de overheaddeur te verhelpen omdat daar een onderhoudscontract voor was afgesloten.

4.3

Gelet op vorenstaande getuigenverklaringen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de betreffende werkzaamheden aan de overheaddeur volgens een gebruikelijke werkmethode was toebedeeld aan het slachtoffer. Het was niet ongebruikelijk dat [C] rechtstreeks door [B] benaderd werd aangezien [C] in het verleden bij de technische dienst van [B] werkte en voor dat bedrijf, waarmee eiseres een onderhoudscontract heeft, het aanspreekpunt was. De leidinggevende wist dat [C] de storingswerkzaamheden ging verrichten en ook op welk moment dat was. Het is [C] toegestaan de werkzaamheden te verrichten. Bovendien werden de werkzaamheden krachtens een arbeidsovereenkomst verricht. De getuigenverklaringen bevatten geen aanwijzingen voor de stelling dat het hier een gunst betrof.

Dat het verhelpen van een storing aan de betreffende deur wellicht officieel niet tot de reguliere werkzaamheden van [C] behoorde omdat, zoals mondeling was overeengekomen, hij onderhoudsmonteur is voor het rijdend materieel en omdat voor het onderhoud van de deur een contract was gesloten met [D], maakt dit niet anders. Uit de getuigenverklaring van de leidinggevende kan worden opgemaakt dat sprake was van een niet duidelijk afgebakend takenpakket van [C], een ruime inzetbaarheid en een nauwe wederzijdse band tussen [C] en de bedrijven, die beiden jarenlang aan de [adres] zijn gevestigd. Onder die omstandigheden lag het in de rede dat [C] voor het verhelpen van de storing met medeweten en instemming van zijn werkgever is ingeschakeld. Deze veronderstelling wordt ondersteund door de verklaring van zowel directeur [E] tegenover de inspectie als die van directeur [A] ter zitting van de rechtbank, dat het ongeval een leermoment is geweest voor het bedrijf en dat sindsdien strenger wordt toegezien op het verrichten van andere dan reguliere werkzaamheden.

Het onderhoudscontract met [D] heeft blijkbaar geen grote rol gespeeld althans niet bij [B], nu, zoals blijkt uit de zich in het dossier bevindende verklaring van logistiek manager [G], [C] vanwege eerdere afwezigheid eerst daags na de storing en dankzij het ontbreken van dringende werkzaamheden bij eiseres kon langskomen, terwijl er ook voor gekozen had kunnen worden gekozen [D] direct na de storing in te schakelen.

4.4

Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de werkzaamheden die [C] ten tijde van het ongeval heeft uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van eiseres vallen. Eiseres is derhalve terecht als werkgever aangemerkt. Gelet op het feit dat de overtreding vaststaat was verweerder bevoegd de boete op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat de boete, gelet op de aard en ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd, niet onevenredig is. Voor een matiging van de boete ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.

5.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Meide, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.