Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:4213

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
02-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_8633
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2015:531, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank is van oordeel dat eiser in 2008 en 2009 zijn fiscale woonplaats in Nederland had in plaats van het Verenigd Koninkrijk. Eiser is dan ook terecht in Nederland naar zijn wereldinkomen in de belastingheffing betrokken. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op een hogere aftrek ter voorkoming van dubbele belasting dan reeds door verweerder is verleend. Eiser heeft slechts een zeer globaal overzicht verstrekt van de landen waarin hij in de onderhavige jaren werkzaam is geweest en dat uit dit overzicht het aantal gewerkte dagen per land niet kan worden vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 2.1, geldigheid: 2014-04-03
Algemene wet inzake rijksbelastingen 4, geldigheid: 2014-04-03
Wet op de loonbelasting 1964 6, geldigheid: 2014-04-03
Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, 's-Gravenhage, 07-11-1980 15, geldigheid: 2014-04-03
Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, 's-Gravenhage, 07-11-1980 24, geldigheid: 2014-04-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1050
V-N Vandaag 2014/890
V-N 2014/45.7

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 13/8633 en SGR 13/8635

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2014 in de zaken tussen

[X], wonende te [Z], eiser

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2008 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 78.032. Daarbij is een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend van € 5.963.

Verweerder heeft voorts aan eiser voor het jaar 2009 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 84.867. Daarbij is een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend van € 6.782.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2014. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen [B].

Overwegingen

Feiten

1.

Eiser, geboren op [datum] 1962, heeft de Britse nationaliteit en stond van 23 februari 2005 tot 16 mei 2006 ingeschreven op een woonadres in het Verenigd Koninkrijk. Eiser heeft uit een vorig huwelijk twee kinderen.

2.

Eiser beschikt vanaf 23 februari 2005 over een sofinummer. Van 21 maart 2006 tot 5 juni 2008 stond hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het adres [adres 1] in [plaats]. Op voormeld adres stond van 1 april 1997 tot 5 juni 2008 eisers huidige levenspartner, [C] (zijn partner), ingeschreven.

3.

Vanaf 2 juni 2006 heeft eiser in Nederland een auto, Audi TT coupe, op zijn naam staan.

4.

Eiser heeft in 2008 samen met zijn partner een woning gekocht aan de [adres 2] in [Z]. Zij hebben daartoe twee hypotheken bij de MNF-bank afgesloten, bestaande uit een aflossingsvrije hypotheek ten bedrage van € 209.775 en een levenshypotheek ten bedrage van € 150.000. Eiser en zijn partner staan vanaf 5 juni 2008 op voormeld adres in [Z] in het GBA ingeschreven.

5.

Eiser beschikt in 2008 over een Nederlandse bankrekening en in 2009 over twee Nederlandse bankrekeningen.

6.

Eiser was in de onderhavige jaren in dienstbetrekking bij een Britse werkgever, waar hij zich bezig hield met de aankoop en installatie van raffinaderijen. In 2012 is eisers dienstbetrekking bij de Britse werkgever beëindigd. Tot de gedingstukken behoren een tweetal ten name van eiser gestelde zogenoemde P60-eindejaarsoverzichten van de Britse werkgever over de (Britse) fiscale jaren 2007-2008 (6 april 2007 – 5 april 2008) en 2008-2009 (6 april 2008- 5 april 2009). Op voormelde overzichten staan de adressen in [plaats] (2007-2008) en [Z] (2008-2009) als privéadres vermeld. Voorts vermelden die overzichten een genoten loon van respectievelijk £ 36.382,81 (2007-2008) en £ 63.369,84 (2008-2009) en een bedrag aan ingehouden belasting van respectievelijk £ 8.921,17 (2007-2008) en £ 16.760,40 (2008-2009). Het door eiser in die jaren van zijn Britse werkgever genoten loon is op een Nederlandse bankrekening van eiser gestort.

7.

Eiser is in de onderhavige jaren in het Verenigd Koninkrijk verzekerd voor de sociale verzekeringen.

8.

Eiser heeft in zijn aangiften voor de onderhavige jaren uitsluitend het loon van de Britse werkgever van respectievelijk € 78.032 (2008) en € 84.867 (2009) aangegeven. Hij heeft daarbij voor voormelde bedragen om aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verzocht. Ook heeft hij om vrijstelling van premies volksverzekeringen verzocht. Bij de aanslagregeling heeft verweerder bij de berekening van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting rekening gehouden met een buitenlands inkomen van respectievelijk € 19.508 (2008: 25% x € 78.032) en € 21.217 (2009: 25% x € 84.867) en hiervoor een aftrek van respectievelijk € 5.963 (2008) en € 6.782 (2009) verleend.

Geschil

9. In geschil is of eiser in de onderhavige jaren zijn fiscale woonplaats in Nederland heeft gehad, en zo ja, over welk deel van het inkomen Nederland het heffingsrecht heeft en of eiser recht heeft op een hogere aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.

10.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de aanslagen.

11.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

12.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Woonplaats

13.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 wordt een natuurlijk persoon die in Nederland woont als binnenlands belastingplichtige aangemerkt.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt naar omstandigheden beoordeeld waar iemand woont. Een natuurlijke persoon heeft zijn woonplaats in Nederland, indien hij een duurzame betrekking van persoonlijke aard met Nederland heeft. Bepalend daarbij is of uit uiterlijke omstandigheden blijkt dat de banden van de belastingplichtige met Nederland voldoende sterk zijn om te kunnen aannemen dat hij hier te lande het duurzame middelpunt van zijn persoonlijke levensbelangen heeft.

14.

Verweerder, die een natuurlijk persoon als binnenlands belastingplichtig aanmerkt, dient feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat die persoon in Nederland woont. Verweerder heeft hiervoor gewezen op de hiervoor onder 2 tot en met 6 vermelde feiten – de inschrijving van eiser in het GBA vanaf 21 maart 2006, eisers bezit vanaf juni 2006 van een in Nederland geregistreerde auto, de koop van een woning in Nederland in 2008 door eiser, de door eiser in 2008 in Nederland afgesloten hypotheken, de op de P60-eindoverzichten vermelde Nederlandse privéadressen en de uitbetaling van het loon van de Britse werkgever in die jaren op een Nederlandse bankrekening – en heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de fiscale woonplaats van eiser in 2008 en 2009 in Nederland lag. Hetgeen eiser hiertegen heeft aangevoerd – kort gezegd hierop neerkomende dat het centrum van zijn sociale leven in die jaren, gelet op zijn Britse achtergrond en nationaliteit, het verblijf samen met zijn vader in een huurwoning in het Verenigd Koninkrijk, zijn Britse werkgever en zijn in het Verenigd Koninkrijk wonende familie, waaronder zijn twee kinderen, en vrienden, in het Verenigd Koninkrijk was gelegen – acht de rechtbank in het licht van de hiervoor aangehaalde feiten te summier en onvoldoende concreet onderbouwd. Juist in een situatie waar getoetst moet worden aan feitelijkheden, mocht van eiser worden verwacht dat hij zijn stellingen nader zou concretiseren dan wel met bewijsstukken zou onderbouwen. Overigens heeft verweerder eiser ook diverse malen uitdrukkelijk om nadere gegevens verzocht. Ook kan uit de door eiser in beroep ingebrachte bewijsstukken niet worden afgeleid dat eiser in 2008 en 2009 zijn woonplaats in het Verenigd Koninkrijk had. Zo houdt de in de E101-verklaring opgenomen toewijzing van de sociale zekerheidswetgeving aan het Verenigd Koninkrijk niet in dat eiser in die jaren in het Verenigd Koninkrijk woonde en aldaar belastingplichtig was, nu een dergelijke verklaring enkel bepaalt welk sociaal zekerheidsstelsel van toepassing is. Bovendien hebben de overige stukken geen betrekking op de onderhavige jaren.

15.

Ook uit de verklaringen van eiser over zijn relatie met zijn partner en de redenen van de toekenning van een sofinummer, de inschrijving in het GBA, het bezit van de in Nederland op zijn naam gestelde auto, de aankoop van de woning in Nederland en het bezit van een Nederlandse bankrekening, kan niet worden afgeleid dat eiser in de onderhavige jaren zijn woonplaats in het Verenigd Koninkrijk had. Bovendien bevat een aantal van die verklaringen inconsistenties. Zo geeft eiser in zijn brief van 3 december 2012 aan dat hij sporadisch in Nederland verbleef, terwijl hij in zijn nadere stuk van 7 februari 2014 aangeeft dat hij zich in Nederland heeft ingeschreven, zodat hij op het adres in [plaats] kon wonen in verband met zijn werkzaamheden bij [werkgever]. Daarnaast heeft hij in voormeld stuk aangegeven dat hij de woning in [Z] onder meer heeft gekocht, omdat hij vaker in Nederland verbleef voor zijn werkzaamheden bij [werkgever]. Ook geeft eiser in dat stuk aan dat de inschrijving in Nederland mede verband hield met de omstandigheid dat hij een auto op zijn naam wilde ter compensatie van een schuld die hij voor zijn partner had betaald. In de brief van 27 februari 2013 geeft eiser echter aan dat de inschrijving in Nederland verband hield met de aankoop van een woning in Nederland. Voorts heeft eiser in zijn nadere stuk aangegeven dat hij een Nederlandse bankrekening nodig had om betalingen voor zijn werkgever te kunnen verrichten voor de werkzaamheden bij [werkgever], terwijl hij in zijn brief van 27 februari 2013 heeft aangegeven dat het loon van de Britse werkgever op een Nederlandse bankrekening werd gestort.

16.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft eiser in 2008 en 2009 zijn fiscale woonplaats in Nederland. Verweerder heeft dan ook eiser terecht als binnenlandse belastingplichtige aangemerkt. Dit brengt mee dat eiser in Nederland in de belastingheffing wordt betrokken naar zijn wereldinkomen. Het door eiser van zijn Britse werkgever genoten loon is dan ook naar nationaal recht in Nederland belastbaar. Eisers andersluidende standpunt dat op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet loonbelasting 1964 geen sprake is van een inhoudingsplichtige en dat daarom ook geen sprake is van een werknemer en een dienstbetrekking en van in Nederland belastbaar loon, is onjuist en faalt derhalve.

Verdragstoepassing

17.

Indien op grond van een belastingverdrag dan wel het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 de heffing van (een gedeelte van) eisers wereldinkomen aan een ander land is toegewezen, dient Nederland een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen. Niet in geschil is dat uitsluitend in het Verenigd Koninkrijk belasting is geheven over het door eiser van zijn Britse werkgever genoten loon.

18.

Artikel 15, eerste lid, van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, Trb. 1980, 205, zoals gewijzigd bij Protocol van 24 augustus 1989, Trb. 1989,128 (het Verdrag) wijst het heffingsrecht van salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen toe aan het Verenigd Koninkrijk, indien en voor zover de dienstbetrekking in het Verenigd Koninkrijk wordt uitgeoefend. Gelet op paragraaf 1 van het commentaar op artikel 15 van het OESO-modelverdrag gaat het daarbij, anders dan eiser meent, om eisers fysieke aanwezigheid in het Verenigd Koninkrijk om aldaar zijn werkzaamheden te verrichten (vgl. Hoge Raad 15 oktober 1986, nr. 23 702, ECLI:NL:HR:1986:AW7864, BNB 1987/72).

19.

Indien aan de in artikel 15, tweede lid, van het Verdrag opgenomen (cumulatieve) voorwaarden is voldaan, komt, in afwijking op het vorenstaande, alsnog het heffingsrecht aan Nederland toe. Eén van die voorwaarden is dat de werknemer in het belastingjaar niet langer dan 183 dagen in de werkstaat verblijft. Het begrip “verblijf” ziet eveneens op fysieke aanwezigheid (vgl. Hoge Raad 21 februari 2003, nr. 37 011, ECLI:NL:HR:AF2699).

20.

Voor de beoordeling van de vraag aan welk land in het onderhavige geval het heffingsrecht toekomt, is dus, gelet op het vorenstaande onder 18 en 19, bepalend in welk land, en voor hoelang (meer of minder dan 183 dagen), eiser fysiek zijn werkzaamheden heeft verricht. Slechts voor de werkzaamheden die eiser fysiek in het Verenigd Koninkrijk heeft verricht, wordt op grond van het Verdrag door Nederland een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend. Eisers andersluidende standpunt dat het heffingsrecht reeds wegens de invulling van zijn dienstbetrekking in het Verenigd Koninkrijk aan het Verenigd Koninkrijk toekomt, is dan ook een onjuiste interpretatie van voormelde verdragsartikelen en faalt derhalve.

21.

Eisers werkzaamheden voor zijn Britse werkgever bestonden uit het begeleiden van de verkoop en installatie van raffinaderijen door zijn werkgever. Desgevraagd heeft eiser aangeven dat hij, naast zijn verblijf in het Verenigd Koninkrijk, in 2008 onder meer in Noorwegen, Spanje, België en in 2009 in België, Frankrijk, Bahrein, Korea en Duitsland heeft verbleven met een globale aanduiding van de perioden. Verweerder heeft voor de onderhavige jaren een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend, waarbij hij op basis van de door eiser verstrekte informatie schattenderwijs ervan uit is gegaan dat eiser in beide jaren 25% van zijn werkzaamheden fysiek in het Verenigd Koninkrijk heeft verricht.

22.

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat eiser aannemelijk dient te maken dat hij recht heeft op een hogere aftrek ter voorkoming van dubbele belasting dan reeds door verweerder is verleend. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser slechts een zeer globaal overzicht heeft verstrekt van de landen waarin hij in de onderhavige jaren werkzaam is geweest en dat uit dit overzicht het aantal gewerkte dagen per land niet kan worden herleid. Nu eiser hierover geen duidelijkheid heeft verschaft en voorts gesteld noch gebleken is dat hij in 2008 en/of 2009 183 dagen of meer in het Verenigd Koninkrijk of in één van de andere bezochte landen is verbleven, komt het heffingsrecht geheel aan Nederland toe. Eiser komt dan ook niet voor een hogere aftrek in aanmerking. Dat de voormalige werkgever van eiser, naar eiser heeft gesteld, thans geen informatie meer kan of wil verstrekken, komt voor eisers eigen rekening en risico. Bovendien geldt in het belastingrecht de vrije bewijsleer en kan eiser ook op andere wijzen, bijvoorbeeld aan de hand van pinbetalingen of visumgegevens, aan zijn bewijslast voldoen.

23.

Ook overigens is niet gebleken dat de onderhavige aanslagen te hoog zijn vastgesteld. Hoewel bij de aanslagregeling over het jaar 2008 zowel bij eiser als zijn partner geen rekening is gehouden met enige aftrek van betaalde hypotheekrente, heeft eiser tot op heden, ook na de opmerking op dit punt door verweerder in het verweerschrift, geen betalingsbewijzen hiervan verstrekt. Voor een vermindering van de aanslag over het jaar 2008 is dan ook geen plaats.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

24.

Eisers stelling dat verweerder in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel, proportionaliteitsbeginsel, rechtzekerheidsbeginsel, neutraliteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, heeft gehandeld, faalt, nu hij deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. In dit kader acht de rechtbank van belang dat eiser inmiddels een verzoek bij het ministerie van Financiën heeft ingediend om een zogenoemde onderlinge overlegprocedure als bedoeld in artikel 24 van het Verdrag teneinde de heffing van dubbele belasting ongedaan te maken en dat in verband met die overlegprocedure uitstel van betaling is verleend.

Slotsom

25.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de beroepen ongegrond.

Proceskosten

26.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, en mr. M.A. Dirks en mr. J.W. van den Berge, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep