Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:4159

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
04-04-2014
Zaaknummer
AWB 12/33657
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:2979, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

1F, MK, niet uizetbaar, inreisverbod

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/33657

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. F.A. van den Berg,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (en diens rechtsvoorgangers), verweerder,

gemachtigde: mr. J. Raaijmakers.

Procesverloop

Eiser heeft op 23 oktober 2012 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 oktober 2012 (het bestreden besluit) waarbij het bezwaar tegen de weigering van het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring gegrond is verklaard en waarbij een inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser is opgelegd.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 18 november 2013. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak tweemaal verlengd.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is geboren op [geboortedag] 1959 en stelt staatloos Palestijn te zijn. Hij verblijft sedert 4 september 1993 als vreemdeling in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland. Zijn aanvragen om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf zijn bij besluit van 12 november 1993 afgewezen. Het bezwaar is bij besluit van 28 oktober 1994 ongegrond verklaard. Het beroep daartegen is bij uitspraak van 10 juli 1996 (AWB 94/11474) ongegrond verklaard. Het besluit van 12 november 1993 is in rechte onaantastbaar.

Eiser heeft sindsdien zonder resultaat een aantal procedures ter verkrijging van een verblijfsvergunning doorlopen. Bij uitspraak van deze rechtbank van 18 januari 2007 (AWB 06/38436), naar aanleiding van de tweede asielaanvraag van eiser, is de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (Vv) in rechte komen vast te staan.

Verweerder heeft eiser bij besluit van 5 juli 2011 ongewenst verklaard. Het bezwaar van eiser daartegen is bij besluit van 23 september 2011 ongegrond verklaard. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 26 januari 2012 (kenmerk AWB 11/31136) gegrond verklaard. Daarbij is het beroep van eiser op artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gegrond verklaard.

2.

Op 29 maart 2012 heeft verweerder het voornemen uitgebracht om de maatregel tot ongewenstverklaring op te heffen en aan eiser een inreisverbod op te leggen voor de duur van tien jaar. Eiser heeft vervolgens zijn zienswijze op dit voornemen ingediend. Bij het bestreden besluit is het bezwaar gegrond verklaard, de ongewenstverklaring opgeheven en aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.

3.

In het bestreden besluit heeft verweerder ondermeer het volgende overwogen. Volgens verweerder staat artikel 3 van het EVRM er niet aan in de weg om aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar op te leggen. De internetartikelen kunnen niet leiden tot het standpunt dat eiser bij terugkeer een risico loopt zoals in dit artikel is bedoeld.

Volgens verweerder bevindt eiser zich thans in de situatie dat hij buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten. Vanwege de 1F-tegenwerping komt eiser niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning. Daarmee bevindt hij zich in een vergelijkbare situatie als de vreemdeling aan wie artikel 1F is tegengeworpen en die bij terugkeer het reële risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM loopt. Dit leidt ertoe dat, gelet op het tijdsverloop sinds de aanvraag, beoordeeld dient te worden of het opleggen van het inreisverbod niet disproportioneel is. Dit is niet het geval. De omstandigheid dat hij zich meer dan tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland bevindt, wegens omstandigheden buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten en tevens aannemelijk heeft gemaakt dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst niet mogelijk is, staat niet in de weg aan het opleggen van een inreisverbod. Dit brengt immers enkel met zich dat eiser niet zal worden uitgezet, maar doet evenmin af aan de op de vreemdeling rustende verplichting bij voortduring te zoeken naar mogelijkheden om aan zijn vertrekplicht invulling te geven. Dat er geen vooruitzicht bestaat op verandering in de vertrekmogelijkheden binnen niet al te lange termijn, betekent immers nog niet dat op langere termijn dergelijke veranderingen zich wel zullen voordoen. Pas indien sprake is van omstandigheden die het opleggen van een inreisverbod disproportioneel maken en betrokkene op dat moment nog steeds buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten, kan niet tot het opleggen van een inreisverbod worden overgegaan. Dergelijke omstandigheden doen zich hier niet voor. Dat betrokkene inmiddels negentien jaar in Nederland verblijft, nimmer met justitie in aanraking is geweest en de gedraging als bedoeld in artikel 1F van het Vv meer dan dertig jaar geleden heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders. Tot slot is niet gebleken van humanitaire of andere redenen zoals bedoeld is artikel 66a, achtste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod, aldus verweerder in het bestreden besluit.

4.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder in dit geval dient af te zien van het opleggen van een inreisverbod omdat dit in strijd is met artikel 3 van het EVRM en omdat het disproportioneel is. Eiser verkeert in een buiten-schuldsituatie. Hij kan niet worden uitgezet en hij kan het land niet op eigen gelegenheid verlaten, zo heeft ook verweerder erkend in het bestreden besluit.

Daargelaten het voorgaande, bij het opleggen van een inreisverbod dient volgens eiser het Unierechtelijk openbare-ordecriterium worden gehanteerd. Er dient sprake te zijn van een actuele bedreiging en hij verwijst daartoe naar artikel 11, tweede lid, van de richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn). In dit geval is hiervan geen sprake. Eiser heeft het delict immers dertig jaar geleden gepleegd.

5.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en zich ook ter zitting op het standpunt gesteld dat het opleggen van een inreisverbod in dit geval niet disproportioneel is. Er is ten aanzien van eiser geen sprake van een zeer uitzonderlijke situatie. Volgens verweerder kan eiser zich niet beroepen op het Unierechtelijk openbare-ordebegrip omdat hij geen Unieburger is.

De rechtbank overweegt als volgt.

6.

In artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat het inreisverbod wordt gegeven voor ten hoogste vijf jaren, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van verweerder een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. De duur wordt berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

Het achtste lid bepaalt dat onze Minister in afwijking van het eerste lid om humanitaire of andere redenen kan afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

Op grond van artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaren, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer de omstandigheid dat hem artikel 1 F van het Vv wordt tegengeworpen.

In artikel 1, aanhef, en onder s en t, van de Vw 2000 wordt, voor wat betreft de definities van terugkeerbesluit en inreisverbod, verwezen naar artikel 3 van de Terugkeerrichtlijn.

Volgens artikel 3, aanhef en onder lid 3, van de Terugkeerrichtlijn is “terugkeer” het proces waarbij een onderdaan van een derde land, vrijwillig gevolg gevend aan een terugkeerverplichting of gedwongen, terugkeert naar zijn land van herkomst of een land van doorreis overeenkomstig communautaire of bilaterale overnameovereenkomsten of andere regelingen, of een ander derde land waarnaar de betrokken onderdaan van een derde land besluit vrijwillig terug te keren en waar deze wordt toegelaten.

Volgens het vierde lid is een “terugkeerbesluit” de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld.

Het zesde lid bepaalt dat een “inreisverbod” een administratieve of rechterlijke beslissing of handeling is waarbij de betrokkene de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor een bepaalde termijn wordt verboden, samen met een terugkeerbesluit.



7. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 4 augustus 2006, waarbij in bezwaar de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag van eiser is gehandhaafd, een terugkeerbesluit is. In het bij het besluit behorende voorblad is immers bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken dient te verlaten.

8.

Voorts stelt de rechtbank vast dat het bezwaarschrift tegen de ongewenstverklaring uitsluitend gegrond is verklaard omdat de Wet van 15 december 2011 tot wijziging van de Vw 2000 in verband met de omzetting van de Terugkeerrichtlijn per 31 december 2011 van kracht is geworden (Staatsblad 2011, 663) en onmiddellijke werking had. Om die reden is de ongewenstverklaring opgeheven en is aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.

9.

Vervolgens stelt de rechtbank vast dat eiser zich feitelijk bevindt in een situatie waarin hij niet verwijderbaar is en evenmin zelf uit Nederland kan vertrekken. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit (de rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 3) ook erkend dat hiervan sprake is. Om die reden is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om te toetsen aan mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer.

10.

Voorts formuleert de rechtbank de rechtsvraag die eiser in zijn beroepsgronden heeft opgeworpen als volgt. In geschil is of aan een vreemdeling van wie vaststaat dat hij Nederland niet uit eigen beweging kan verlaten en evenmin kan worden uitgezet, een inreisverbod kan worden opgelegd.

11.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerders motivering voor het opleggen van een inreisverbod, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 3 is opgenomen, ondeugdelijk. Van belang is dat eiser geen gevolg kan geven aan zijn verplichting ingevolge het terugkeerbesluit om het land te verlaten. Eiser kan daartoe evenmin worden gedwongen. Het terugkeerbesluit, dat dateert van 4 augustus 2006, is om voornoemde reden zonder betekenis in dit geval. Uit de systematiek van de Terugkeerrichtlijn vloeit voort dat er geen inreisverbod kan worden opgelegd als er geen terugkeerbesluit is. Verweerder had beter moeten motiveren waarom een niet-uitvoerbaar terugkeerbesluit wel kan leiden tot een inreisverbod. Dat eiser wellicht op langere termijn uit Nederland kan vertrekken, acht de rechtbank een ontoereikende motivering nu dit een toekomstige onzekere gebeurtenis betreft. Voorts had verweerder zich dienen af te vragen of de omstandigheid dat eiser niet uitzetbaar is en niet kan voldoen aan zijn vertrekplicht, geen reden is zoals bedoeld in artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 om af te zien van het opleggen van het inreisverbod.

12.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

13.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden vastgesteld op € 974,-- (een punt voor het beroepschrift, een punt voor het verschijnen ter zitting, per punt € 487,--, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen;

- gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, ten bedrage van €156,- (honderdzesenvijftig euro), vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 974,- (negenhonderdvierenzeventig euro), te betalen door verweerder aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, voorzitter, en mrs. J. de Graaf en B.F.Th. de Roos, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.