Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:4155

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
07-04-2014
Zaaknummer
AWB 14/5456, 14/5458, 14/5455, 14/5457
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin II, Spanje, visum verlening. Artikel 9, vierde lid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 14/5456 en 14/5458 (voorlopige voorzieningen) en 14/5455 en 14/5457 (bodemprocedures)

V-nummers: [nummer], [nummer] en [nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 3 april 2014 in de zaak tussen

[naam 1], eiseres 1,

[naam 2] eiseres 2,

[naam 3] eiser,

hierna te noemen: eisers

gemachtigde mr. W.P.R. Peeters,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. N. Hamzaoui.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 25 februari 2014 (hierna: de bestreden besluiten), heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen.

Op 5 maart 2014 hebben eisers tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op hun beroepen is beslist.

De behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden op 20 maart 2014. Partijen hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Aangezien nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk op de beroepen worden beslist. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.

Eiseres 1 heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1972. Haar kinderen, eiser en eiseres 2, zijn geboren op respectievelijk [geboortedag] 1998 en [geboortedag] 1999. Eisers bezitten de Congolese nationaliteit (DRC). Op 17 december 2013 hebben eisers aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij de bestreden besluiten deze aanvragen afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen.

3.

Verweerder stelt dat uit Eurodac is gebleken dat eisers door de Spaanse autoriteiten in het bezit zijn gesteld van een visum, geldig van 9 september 2013 tot 23 oktober 2013, waarmee zij naar Spanje zijn gereisd. Gelet hierop is Spanje verantwoordelijk voor de behandeling van de asielverzoeken. Eisers hebben niet met documenten aangetoond dat zij sindsdien het grondgebied van de lidstaten hebben verlaten. De Spaanse autoriteiten is op 18 december 2013 verzocht om eisers over te nemen op grond van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (Verordening 343/2003). Op 6 februari 2014 zijn de Spaanse autoriteiten akkoord gegaan met de overname van eisers. Verweerder stelt zich met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt dat ervan kan worden uitgegaan dat Spanje de verplichtingen zoals vastgelegd in het Vluchtelingenverdrag en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet zal schenden. In hetgeen eisers hebben aangevoerd ziet verweerder geen concrete aanwijzingen voor een verdragsschending, noch voor een situatie op grond waarvan Nederland de behandeling van de asielverzoeken (onverplicht) aan zich had moeten trekken.

4.

Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat Spanje op grond van artikel 9, vierde lid, van de Verordening 343/2003 verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielaanvragen, nu zij wel degelijk vanuit Spanje zijn teruggekeerd naar hun land van herkomst. Ter onderbouwing hiervan hebben zij in beroep een viertal documenten overgelegd, te weten een kopie van een arrestatiebevel van 19 september 2013, waarop staat vermeld dat eiseres 1 voor het laatst op 18 september 2013 te Kinshasa is gezien, een aanwezigheidsverklaring van een school te Kinshasa, waarin staat vermeld dat eiseres 2 gedurende de maand september 2013 regelmatig lessen volgde, en een kopie van een dagvaarding waarop staat vermeld dat eiseres 1 zich op 17 februari 2014 moet melden.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.

Op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag, ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

6.

Op grond van artikel 9, vierde lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, van de Verordening 343/2003 is de lidstaat die een visum heeft afgegeven dat minder dan zes maanden is verlopen, verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek.

7.

Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking) (Verordening 604/2013) heeft met ingang van 1 januari 2014 Verordening 343/2003 vervangen. Ingevolge artikel 49 van de Verordening 604/2013 is deze verordening van toepassing op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend vanaf 1 januari 2014, en is zij vanaf die dag van toepassing op elk verzoek tot overname of terugname van verzoekers, ongeacht de datum waarop het verzoek is ingediend. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór die datum is ingediend, wordt bepaald volgens de criteria die zijn vastgesteld in Verordening 343/2003.

8.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de voorzieningenrechter gaat ervan uit, dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is in deze zaak moet worden bepaald volgens de in de Verordening 343/2003 vastgestelde criteria.

Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat het bestreden besluit dateert van 25 februari 2014, zodat de Verordening 604/2013 van toepassing is op alle aspecten die niet zien op de bepaling van de verantwoordelijke lidstaat.

9.

De voorzieningenrechter stelt vast dat Spanje bij brief van 6 februari 2014 heeft bevestigd dat zij zich verantwoordelijk acht voor de behandeling van de asielaanvragen.

Gelet hierop, en bezien in het licht van onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 maart 2012 in zaak nr. 201108754/1/V4 en van 17 maart 2014 in zaak 201305202/1/V4, is Spanje verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvragen en is verweerder niet gehouden zich ervan te vergewissen dat dit land zich terecht verantwoordelijk acht. Voorts is niet gebleken van zeer bijzondere, met de asielaanvragen samenhangende, omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. De beroepsgrond faalt.

10.

De beroepen zijn derhalve ongegrond.

11.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaken is er geen aanleiding voor het treffen van voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2014.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.