Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:4127

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-02-2014
Datum publicatie
03-04-2014
Zaaknummer
C/09/457130 / KG RK 13/2414
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2013-58

zaak-/rekestnummer: C/09/457130 / KG RK 13/2414

datum beschikking: 17 februari 2014

BESLISSING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in de zaak van:

[X] AUTOLEASE,

gevestigd te [plaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. J. Bulder,

strekkende tot wraking van:

mr. F.J. Verbeek,

kantonrechter in de rechtbank Den Haag,

hierna: de kantonrechter.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

Op 16 december 2013 heeft een in het openbaar gehouden getuigenverhoor van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag plaatsgevonden, waarbij de [X] Autolease (hierna: [X]) als procespartij is verschenen en waarbij de heer[A] (hierna: [A]), een medewerker van [X], als getuige is gehoord. Daarnaast heeft de kantonrechter de heer [B] (hierna: [B]), de wederpartij van [X] in de hoofdzaak (in enquête) gehoord. Na afronding van het verhoor van [B] heeft verzoekster de kantonrechter gewraakt.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

2.1

Op 3 februari 2014 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer

behandeld. Verzoekster is niet zelf verschenen ter terechtzitting, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bulder, voornoemd. De kantonrechter is niet verschenen en heeft schriftelijk haar zienswijze aan de rechtbank doen toekomen.

2.2

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van het getuigenverhoor op 16 december 2013, de schriftelijke reactie van de kantonrechter van 6 januari 2014, de nadere toelichting op het wrakingsverzoek van 31 januari 2014 en de reactie daarop van de kantonrechter van 3 februari 2014.

3 Het standpunt van verzoekster

3.1

[X] heeft op 16 december 2013 aan haar mondelinge wrakingsverzoek ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven − dat zij van mening is dat de kantonrechter 1) de partijgetuige [B] woorden in de mond heeft gelegd en 2) niet bereid is om [A] in contra-enquête opnieuw te horen.

3.2

In de brief van 31 januari 2014 heeft [X] deze wrakingsgronden als volgt nader toegelicht. [X] heeft [B] tijdens het verhoor op 16 december 2013 een e-mail voorgehouden en gevraagd naar de daarin genoemde datum 30 oktober. [X] stelt dat [B] niet duidelijk kon verklaren over die datum. Volgens [X] zei de kantonrechter: “daar zal mijnheer wel 30 september mee bedoeld hebben”, hetgeen vervolgens door [B] werd beaamd. [X] heeft daarop te kennen gegeven dat de kantonrechter de verklaring van [B] ten onrechte heeft aangevuld. [X] stelt voorts dat zij na het verhoor van [B] gemotiveerd heeft verzocht om [A] in contra-enquête te mogen horen. In de weigering van de kantonrechter om [A] nogmaals, maar dan in contra-enquête, te horen ziet [X] een duidelijke partijdigheid van de kantonrechter.

3.3

[X] formuleert in de nadere toelichting op het wrakingsverzoek nog enkele andere wrakingsgronden. [X] stelt − zakelijk weergegeven − dat de kantonrechter ten onrechte heeft geweigerd om de door haar ter comparitie aan [B] gegeven bewijsopdracht schriftelijk vast te leggen, dat de kantonrechter [B] ten onrechte heeft toegestaan om na de comparitie bewijsstukken te produceren en dat de kantonrechter [B] ten onrechte heeft gevraagd of hij een verklaring wilde afleggen. Ook in deze handelwijze ziet [X] een vorm van partijdigheid van de kantonrechter.

4 Het standpunt van de kantonrechter

4.1

Volgens de kantonrechter is haar beslissing om [A] niet (nogmaals) als getuige te horen een procedurele beslissing. De kantonrechter wijst erop dat [X] te zijner tijd bij conclusie na enquête kan reageren op de verklaring van [B].

4. 2 De kantonrechter is verder van mening dat zij [B] geen woorden in de mond heeft gelegd. Volgens de kantonrechter heeft mr. Bulder [B] tijdens diens verhoor geconfronteerd met een door hem aan [X] verstuurde e-mail, waarin stond vermeld dat [B] het gebruik van de leaseauto wilde stopzetten per 30 oktober. De e-mail is volgens de kantonrechter verstuurd op 27 september 2012 en op 28 september 2012 heeft [B] de leaseauto bij [X] ingeleverd. De heer Bulder heeft [B] gevraagd wat de datum in de e-mail betekende. [B] heeft daarop geantwoord dat hij per het einde van de maand wilde stoppen met de leaseauto. De kantonrechter verklaart zich niet te kunnen herinneren wat vervolgens letterlijk is gewisseld. De kantonrechter kreeg de indruk dat [B] zich had vergist in de maand en heeft [B], die de Nederlandse taal niet vlekkeloos sprak, toen gevraagd of zij het zo moest begrijpen dat [B] de maanden september en oktober door elkaar had gehaald. [B] heeft daarop volgens de kantonrechter bevestigend geantwoord.

4.3

De kantonrechter is van oordeel dat zij in de wijze waarop zij de zaak ter zitting heeft behandeld geen blijk heeft gegeven van partijdigheid en dat ook overigens geen sprake is geweest van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op grond waarvan de rechterlijk onpartijdigheid schade zou hebben kunnen lijden en artikel 6 EVRM zou zijn geschonden.

4.4

De kantonrechter heeft tot slot haar zienswijze gegeven over de hiervoor onder 3.3 bedoelde wrakingsgronden.

5 De beoordeling

5.1

Artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering schrijft voor dat de partij die om wraking verzoekt alle feiten en omstandigheden die volgens haar mening het wrakingsverzoek rechtvaardigen, tegelijk worden voorgedragen. Op 16 december 2013 heeft [X] de hiervoor onder 3.1 en 3.2 beschreven wrakingsgronden voorgedragen. De bij brief d.d. 31 januari 2014 aangevoerde aanvullende wrakingsgronden, zoals hiervoor weergegeven onder 3.3, zijn naar het oordeel van de wrakingskamer te laat voorgedragen. Dit betekent dat de wrakingskamer deze wrakingsgronden bij de beoordeling van het wrakingsverzoek buiten beschouwing zal laten.

5.2

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.4

Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat tijdens het verhoor van [B] is gesproken over een e-mail met daarin de datum 30 oktober vermeld. De kantonrechter erkent dat zij [B] heeft gevraagd of hij de maanden september en oktober door elkaar haalde. De wrakingskamer is van oordeel dat dit geen onbegrijpelijke vraag is, gelet op de omstandigheden dat tussen partijen niet in geschil is dat [B] de auto op 28 september heeft ingeleverd en [B], volgens de onweersproken stelling van de kantonrechter, de Nederlandse taal niet vlekkeloos beheerst. De gang van zaken getuigt naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook niet van het ontbreken van onpartijdigheid van de kantonrechter.

5.5

De wrakingskamer overweegt dat de beslissing van de kantonrechter om [X] niet toe te laten om [A] in contra-enquête te horen dient te worden aangemerkt als processuele beslissing. Dergelijke beslissingen vormen in principe geen grond voor een wraking. Alleen indien de beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de kantonrechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoekster dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. De wrakingskamer is van oordeel dat dit hier niet het geval is. Bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De wrakingskamer neemt bij haar oordeel op dit punt in aanmerking dat [X] niet het recht is ontnomen om te reageren op de verklaring van [B] door middel van een conclusie na enquête.

5.6

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek moet worden afgewezen.

6 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoekster;

• de kantonrechter mr. F.J. Verbeek.

Deze beslissing is gegeven door mrs. E. Timmermans, voorzitter, H.M.D. de Jong en R. Cats, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 februari 2014.