Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:4006

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
02-04-2014
Zaaknummer
655437-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Delfts raadslid, verdacht van schenden ambtsgeheim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/114

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/655437-12

Datum uitspraak: 2 april 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 19 maart 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. van Gosen en van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 juni 2012 te Delft een geheim waarvan hij wist of

redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of

wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep, te weten

gemeenteraadslid van de gemeente Delft, verplicht was te bewaren, opzettelijk

heeft geschonden, immers heeft hij, verdachte,

als geheim bestempelde informatie afkomstig uit de besloten vergadering van de

commissie bestuur leefomgeving en duurzaamheid d.d. 12 juni 2012 op de

internetsite www.leefbaar-delft.nl geplaatst, te weten (onder andere):

- namen en/of functies van (een) medewerker(s) van Avalex en/of Deloitte en/of

- een citaat van A. de Groot en/of

- ( een) omschrijving(en) van hetgeen tijdens die vergadering besproken is;

art 272 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 Vrijspraak

3.1

Inleiding

Verdachte was in juni 2012 namens Leefbaar Delft gemeenteraadslid van de gemeente Delft. In die hoedanigheid heeft hij op 12 juni 2012 een besloten vergadering van de raadscommissie Bestuur Leefomgeving en Duurzaamheid van de gemeente Delft bijgewoond. Op die vergadering werd gesproken over een forensisch rapport van Deloitte aangaande vuilverwerkingsfirma Avalex. Verdachte wordt er thans van verdacht dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan schending van een ambtsgeheim door als geheim bestempelde informatie uit deze besloten vergadering te plaatsen op de website van Leefbaar Delft.

Om de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte opzettelijk een ambtsgeheim heeft geschonden, zoals tenlastegelegd, dient de rechtbank achtereenvolgens de volgende deelvragen te beantwoorden:

  • -

    Heeft verdachte informatie uit de vergadering van de commissie naar buiten gebracht?

  • -

    Dient de informatie uit de vergadering van de commissie als een geheim in de zin van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht te worden aangemerkt?

  • -

    Had verdachte opzet op het naar buiten brengen van die geheime informatie?

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hem ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe – kort gezegd –aangevoerd dat verdachte het rapport van Deloitte alsmede diverse namen en teksten uit de besloten vergadering op de website www.leefbaar-delft.nl heeft geplaatst, terwijl deze informatie op de wettelijke basis van artikel 86 van de Gemeentewet in combinatie met artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur geheim was verklaard en verdachte op de hoogte was van deze geheimverklaring. Naar de mening van de officier van justitie dient voorbij te worden gegaan aan het standpunt van verdachte dat geen sprake is van een schending van een geheim omdat het rapport al eerder was ‘gelekt’, aangezien die opvatting geen steun vindt in de wet of jurisprudentie.

Ten slotte heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op overmacht in de zin van noodtoestand toekomt, omdat het enkele oneens zijn met (toepassing van) wettelijke voorschriften onvoldoende is om noodtoestand aan te nemen. Verdachte had dienen na te gaan hoe hij op andere wijze dan door overtreding van de wet zijn doel kon bereiken.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit.

Hij heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat hetgeen hij op zijn website heeft geschreven niet een weergave is van hetgeen in de vergadering van de commissie van 12 juni 2012 is besproken, maar een verzonnen karikatuur.

Voorts heeft verdachte aangevoerd dat de informatie uit de vergadering van de commissie niet geheim was. Daartoe heeft verdachte betoogd dat het voorstel tot geheimverklaring onterecht was en dat de procedure tot geheimverklaring zijns inziens niet juist is verlopen. Toen de voorzitter aan het einde van de vergadering aangaf dat het besprokene geheim zou worden verklaard, wilde verdachte aangeven dat hij het hier niet mee eens was, maar kreeg hij daartoe de kans niet.

Met betrekking tot informatie uit het rapport van Deloitte heeft verdachte aangevoerd dat dit rapport elders al volledig online stond en dat hij slechts een link naar het rapport heeft geplaatst.

Ten slotte heeft verdachte een beroep gedaan op overmacht in de zin van noodtoestand. Hij heeft aangevoerd dat de beslissing om het besprokene in de vergadering geheim te verklaren hem het uitvoeren van zijn ambt als controlerend en reagerend raadslid onmogelijk maakt.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Heeft verdachte informatie uit de vergadering van de commissie naar buiten gebracht?

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat verdachte op 13 juni 2012 op de website www.leefbaar-delft.nl een artikel heeft geplaatst. In dit artikel heeft verdachte onder andere namen en functies van medewerkers van Avalex en Deloitte en een citaat van A. de Groot van Deloitte geplaatst. Gelet op de vorm en de overige inhoud van het artikel lijkt hetgeen verdachte heeft geschreven op een verslag van wat in de (besloten) vergadering van de commissie van 12 juni 2012 is besproken. De voorzitter van de commissie heeft in haar aangifte verklaard dat hetgeen verdachte op de website heeft gepubliceerd een sfeerbeschrijving betreft van de vergadering en dat de citaten van De Groot afkomstig zijn uit de vergadering. Verdachte heeft noch in zijn (zich in het dossier bevindende) mailwisseling met de griffier van de commissie (die ging over de vraag of verdachte met zijn publicatie een geheimhoudingsplicht had geschonden), noch tijdens zijn verhoor bij de politie aangegeven dat hetgeen hij heeft geschreven verzonnen zou zijn. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de door verdachte eerst ter terechtzitting afgelegde verklaring dat sprake is van een verzonnen karikatuur, niet geloofwaardig.

De rechtbank beantwoordt op grond het vorenstaande de vraag of verdachte informatie uit de vergadering van de commissie naar buiten heeft gebracht dan ook bevestigend.

Dient de informatie uit de vergadering van de commissie als een geheim in de zin van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht te worden aangemerkt?

De rechtbank stelt voorop dat het niet aan de strafrechter is om zelfstandig te beoordelen of de in artikel 227, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde en beweerdelijk door verdachte geschonden geheimhoudingsplicht terecht aan verdachte is opgelegd. Het is echter wel de taak van de strafrechter om de vraag te onderzoeken of de aan verdachte opgelegde geheimhoudingsplicht formeel in overeenstemming is met de wettelijke regeling waarop deze is gebaseerd (zie: HR 17 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4610).

De mogelijkheid tot geheimhouding dient in het onderhavige geval te worden gebaseerd op de Gemeentewet (Gw) in samenhang met de Wet Openbaarheid Bestuur (Wob). Ingevolge artikel 86, eerste lid, van de Gemeentewet kan een commissie in een besloten vergadering, op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de commissie worden overgelegd, geheimhouding opleggen. De geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde, dient volgens datzelfde artikel 86 tijdens die vergadering te worden opgelegd.

De voorzitter van de commissie heeft in haar aangifte verklaard dat aan het eind van de vergadering de vraag is gesteld of iedereen het eens was met geheimhouding van het besprokene in de besloten vergadering en dat iedereen het daar mee eens was.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het opleggen van de geheimhouding procedureel niet juist is verlopen. Volgens verdachte heeft hij, nadat de voorzitter aan het einde van de vergadering mededeelde dat sprake zou zijn van geheimhouding, zijn hand opgestoken om aan te geven dat hij het hiermee niet eens was, maar kreeg hij niet de kans het woord te voeren.

De rechtbank overweegt als volgt. Van de betreffende vergadering bevinden zich geen notulen in het dossier. Nog daargelaten of op de juiste wijze tot het opleggen van de geheimhouding is besloten, stelt de rechtbank vast dat uit het dossier niet kan worden opgemaakt op welke grond de beslissing tot het opleggen van de geheimhouding is genomen. Ook in de aangifte wordt geen concrete grond hiervoor genoemd. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of deze beslissing is genomen op grond van enig belang genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, op grond waarvan geheimhouding zou kunnen worden opgelegd. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of aan de formele vereisten van de aan verdachte opgelegde geheimhoudingsplicht, welke voortvloeien uit het bepaalde in artikel 86 van de Gemeentewet en artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, is voldaan en zal verdachte om die reden vrijspreken van het hem ten laste gelegde feit.

4 De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.A.J. van de Kar, voorzitter,

mrs. R.G.C. Veneman en M.J. Dubelaar, rechters

in tegenwoordigheid van mr. R. van der Graaff, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2014.

Mr. Dubelaar is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.