Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:3736

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-01-2014
Datum publicatie
27-03-2014
Zaaknummer
C-09-450183 FA RK 13-6962
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nihilstelling kinderalimentatie. Art. 1:401 lid 4 BW. Beschikking waarin kinderalimentatie is bepaald heeft van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven beantwoord, nu de winst, waarbij bij de vaststelling is gerekend (de prognoses), nooit meer is behaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 13-6962

Zaaknummer: C/09/450183

Datum beschikking: 30 januari 2014 (bij vervroeging)

Alimentatie

Beschikking op het op 4 september 2013 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. R.A. Kamphuis te Leiden.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. M.E.M. Beijersbergen te Alphen aan den Rijn.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    het f-formulier d.d. 27 december 2013 van de zijde van de man.

De minderjarige [de minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Op 9 januari 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man luidt – met wijziging van na te melden beschikking – met ingang van 1 januari 2009 de kinderalimentatie op nihil te bepalen, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

De man stelt als grond voor dit verzoek dat de beschikking van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan doordat van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (artikel 1:401 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW)).

De vrouw voert verweer dat hierna zal worden besproken.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad van 1989 tot medio 2007.

- Uit de moeder zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], die door de man is erkend;

- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], die door de man is erkend.

- De minderjarigen verblijven thans bij de vrouw.

- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 1 juni 2010 is – voor zover hier van belang –: de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen bepaald op: met ingang van 1 oktober 2008 tot 20 juli 2009 € 100,- per maand per kind, met ingang van 20 juli 2009 € 379,- per maand per kind en per 1 januari 2010 € 365,- per maand per kind.

- Als gevolg van de wijziging van rechtswege ingevolge artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie thans € 379,42.

Beoordeling

Onjuiste of onvolledige gegevens

Ingevolge artikel 1:401 lid 4 BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De man heeft, ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van onjuiste of onvolledige gegevens, aangevoerd dat hij zijn inkomsten uit onderneming sinds 2009 flink heeft zien dalen naar een jaarwinst van ongeveer € 16.000,-. De man heeft (door zijn financiële problemen) pas recent beschikking gekregen over de jaarstukken 2011 en 2012. De jaarstukken van 2010, 2011 en 2012 laten zien dat het slechte resultaat in 2009 geen uitzondering was nu de winst in die jaren respectievelijk € 16.842,-, € 10.726,- en € 16.302,-bedroeg. De rechtbank is bij de bepaling van de kinderalimentatie uitgegaan van een gemiddelde winst uit onderneming van € 29.079,33. Nu deze winst nooit meer is behaald, stelt de man dat hij van aanvang af geen draagkracht heeft gehad om de kinderalimentatie te kunnen voldoen en verwijst daarvoor naar de door hem overgelegde financiële gegevens.

De vrouw betwist de stellingen van de man. Zij heeft aangevoerd dat tijdens de procedure in 2010 door de man stukken in het geding zijn gebracht, waaronder de jaarstukken 2006 tot en met 2009. De rechtbank is bij het berekenen van de draagkracht van de man in 2010 uitgegaan van de gemiddelde jaarwinst over de laatste drie jaren (2007, 2008, 2009) ad € 29.079,33. Door de vrouw is benadrukt dat dit een juist uitgangspunt is, nu de rechtbank geen rekening heeft kunnen houden met de eerste halfjaarcijfers 2010. De man heeft deze prognoses over 2010 immers niet overgelegd. De gevolgen hiervan dienen voor rekening van de man te komen. Voorts is de man niet in hoger beroep gegaan van de beschikking van 1 juni 2010.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij beschikking van deze rechtbank van 1 juni 2010 is de kinderalimentatie bepaald op basis van prognoses aangaande de winst uit onderneming die de man geacht werd te behalen op basis van de behaalde resultaten in het verleden (gemiddelde winst van 2007, 2008 en 2009). Daarbij bewoog de winst in 2009 zich op het niveau van de thans bekende winsten in 2010 en 2012, te weten rond de € 16.000,- terwijl de winst in 2011 nog lager was. De rechtbank is van oordeel dat door de man, op basis van de thans bekende gegevens over 2010, 2011 en 2012, voldoende is onderbouwd dat de winst uit onderneming die de man op basis van gegevens uit het verleden geacht werd te behalen in de jaren 2009 tot en met 2012 geenszins heeft behaald. Blijkens de beschikking van 1 juni 2010 is de rechtbank in haar berekeningen uitgegaan van een jaarwinst van ruim € 29.000,-. Nu is vast komen te staan dat deze winst vanaf 2009 nooit meer is behaald, maar dat het winstniveau zich is gaan bewegen op een bedrag van ongeveer de helft daarvan, is de rechtbank van oordeel dat voornoemde beschikking van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord.

Nu deze omstandigheid gevolgen kan hebben voor de draagkracht van de man, zal de rechtbank de hoogte van de bijdrage voor de minderjarigen opnieuw beoordelen.

Draagkracht van de man

Als de rechtbank bij de berekening van de financiële draagkracht uit zou gaan van de hoogste jaarwinst van de afgelopen drie jaren (2010, 2011 en 2012), te weten € 16.842,-, dan nog heeft de man, na aftrek van de arbeidsongeschiktheidsverzekering, onvoldoende draagkracht om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Immers, het netto besteedbaar inkomen van de man bij een dergelijke winst uit onderneming, na aftrek van de arbeidsongeschiktheidsverzekering, bedraagt € 910,-, welk bedrag lager is dan de thans geldende bijstandsnorm van € 936,-, maar ook lager dan de bijstandsnorm zoals deze voorheen gold.

De rechtbank overweegt daarbij dat de man in de jaren 2010, 2011 en 2012 gelden aan de onderneming heeft onttrokken. Uitgaande van de daadwerkelijke onttrekkingen (en niet van bijvoorbeeld hetgeen aan de onderneming is onttrokken voor de betaling van belastingen en datgene wat fiscaal verantwoord moet worden zoals privé gebruik van auto en telefoon) merkt de rechtbank op dat deze bedragen niet heel hoog zijn en bovendien dalen in omvang. In de jaarrekeningen is voorts te zien dat het eigen vermogen daalt en de opnames dus ten laste gaan van het eigen vermogen. Op basis van de jaarrekeningen 2010, 2011 en 2012 wordt duidelijk dat de kortlopende schulden gedurende die jaren hoger zijn dan de vlottende activa. Hoewel er geen cijfers of prognoses voor 2013 zijn overgelegd, is er, mede gelet op de economische situatie, geen aanleiding om er van uit te gaan dat de situatie voor 2013 wezenlijk anders zal zijn dan die van de jaren ervoor. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om bij de berekening van de draagkracht van de man in voorgaande jaren rekening te houden met de privé onttrekkingen en is de rechtbank van oordeel dat van de man niet kan worden gevergd dat hij privé onttrekkingen aan de onderneming zal (blijven) doen ten behoeve van de kinderalimentatie.

Gelet op het gebrek aan draagkracht van de man komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de behoefte van de minderjarigen.

Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de draagkracht van de man in beginsel geen ruimte laat voor het vaststellen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen.

In de omstandigheid dat alimentatie naar haar aard bestemd is om te worden geconsumeerd, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat de door de man eventueel te veel betaalde kinderalimentatie niet door de vrouw behoeft te worden terugbetaald.

Ingangsdatum

In de beschikking van 10 juni 2010 is de kinderalimentatie bepaald met ingang van 1 oktober 2008. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen verschillende periodes. Voor de periode van 1 oktober 2008 tot 20 juli 2009 is de bijdrage bepaald op € 100,-- per kind per maand. Voor de periode daarna zijn, uitgaande van de datum van indiening van het verzoek (20 juli 2009) hogere bijdrages opgelegd. Thans wordt nihilstelling verzocht met ingang van 1 januari 2009. In de omstandigheid dat 2008 een uitzonderlijk goed jaar was ziet de rechtbank aanleiding om er van uit te gaan dat de man in staat is geweest om tot 20 juli 2009 voormeld bedrag van € 100,-- per kind per maand te voldoen. De rechtbank zal de nihilstelling laten ingaan met ingang van 20 juli 2009.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank d.d. 1 juni 2010 – :

bepaalt de door de man met ingang van 20 juli 2009 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

­ [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

­ [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

op nihil;

bepaalt dat de vrouw niet gehouden is betalingen ten titel van kinderalimentatie, voor zover deze door de man zijn gedaan met betrekking tot de periode gelegen na 20 juli 2009, aan de man terug te betalen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Nijhuis in tegenwoordigheid van

mr. C.H.M. van Toor-van Essenn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2014.