Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:3708

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
27-03-2014
Zaaknummer
AWB 14-00399, AWB 14-00401 en AWB 14-00390
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:1190, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de nauwe samenhang tussen het intrekkingsbesluit en de vrijheidsontnemende maatregel noopt artikel 6 van het Handvest ertoe artikel 7:1 lid 1 Awb buiten toepassing te laten en het beroep tegen het intrekkingsbesluit ontvankelijk te achten.

Verweerder heeft niet onderzocht of eiser als familielid van een Turkse werknemer verblijfsrecht ontleent aan Besluit 1/80. Uit artikel 59 van het Aanvullend Protocol volgt dat Turkse staatsburgers niet gunstiger mogen worden behandeld dan Unieburgers. Nu het verblijfsrecht van eiser vóór de aanscherping van artikel 3.86 Vb 2000 op 1 juli 2012 niet kon worden beëindigd, noopt de standstillbepaling ertoe dat voor eiser in ieder geval dezelfde waarborgen dienen te gelden tegen verwijdering van het grondgebied die gelden voor Unieburgers. In dit verband ligt tevens de vraag voor of artikel 8.22 lid 3 sub a Vb 2000, waarin is bepaald dat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling (Unieburger) die in de voorafgaande tien jaar in Nederland heeft gewoond niet wordt beëindigd tenzij dwingende redenen van openbare veiligheid daartoe nopen, in de weg staat aan de intrekking van eisers verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom hij van zijn intrekkingsbevoegdheid op grond van artikel 22 lid 1 sub c Vw 2000 gebruik heeft gemaakt, terwijl in een aanvraagsituatie gelet op artikel 21a lid 2 Vw 2000 eisers aanvraag zou moeten worden gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/00399 (voorlopige voorziening verblijfsbeëindiging)

AWB 14/00401 (beroep verblijfsbeëindiging)

AWB 14/00390 (beroep vrijheidsontnemende maatregel)


V-nr:[nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 29 januari 2014 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Turkse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser,

(gemachtigde mr. S.J. van der Woude),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde mr. J.P. Guérain).

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2013 (hierna: het bestreden besluit I) heeft verweerder eisers verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken met ingang van 5 december 2013, aan eiser meegedeeld dat hij het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland onmiddellijk dient te verlaten en aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar. Dit besluit is aan eiser uitgereikt op 5 januari 2014.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt alsmede beroep ingesteld bij deze rechtbank. (AWB 14/00401). Daarnaast heeft eiser verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de rechtsgevolgen van dit besluit op te schorten en verweerder de uitzetting te verbieden (AWB 14/00399).

Bij besluit van 5 januari 2014 (hierna: het bestreden besluit II) is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in vreemdelingenbewaring gesteld. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en daarbij verzocht om schadevergoeding (AWB 14/00390).

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft de beide beroepen en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gevoegd behandeld ter zitting van 14 januari 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van der Weijden. De rechtbank heeft het onderzoek in alle drie de zaken ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 17 januari 2014 heeft de rechtbank het onderzoek in alle drie zaken heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen zijn standpunt ten aanzien van het besluit tot verblijfsbeëindiging nader te onderbouwen. Vervolgens is het onderzoek ter zitting voortgezet op 24 januari 2014. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.P. Guérain. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Het beroep tegen het bestreden besluit I (AWB 14/00401)

1.

De ontvankelijkheid van het beroep

1.1.

Eiser, geboren in Nederland op [geboortedatum] en van Turkse nationaliteit, had sinds 17 juni 1997 een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder eisers verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken en aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar. Dit besluit is voorafgaand aan het gehoor en de daaropvolgende inbewaringstelling op 5 januari 2014 aan eiser uitgereikt.

1.2.

Tegen het bestreden besluit I dient ingevolge de nationale wettelijke regelgeving eerst bezwaar te worden gemaakt, voordat beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank. Vast staat dat verweerder nog niet op het bezwaar van eiser tegen het bestreden besluit I heeft beslist.

1.3.

De rechtbank acht het beroep van eiser tegen het bestreden besluit I ontvankelijk en overweegt daartoe het volgende. Analoog aan de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ8388) en 11 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA3601) is de rechtbank in deze zaak van oordeel dat gelet op het door eiser ingestelde beroep tegen de op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 opgelegde maatregel van bewaring, ter voorkoming van strijd met artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), tegen het bestreden besluit I rechtstreeks beroep open dient te staan bij de rechtbank. De intrekking van eisers verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd geldt ingevolge artikel 27, tweede lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 27, eerste lid, Vw 2000, voor zover hier van belang, als terugkeerbesluit en heeft van rechtswege tot gevolg dat eiser niet langer rechtmatig verblijf heeft en Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, welke vertrektermijn verweerder bij het bestreden op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 heeft verkort tot nul dagen. Tussen het intrekkingsbesluit en de krachtens artikel 59 opgelegde maatregel van bewaring bestaat een nauwe samenhang. Het intrekkingsbesluit geldt immers op grond van artikel 27 van de Vw 2000 als terugkeerbesluit en vormt daarmee de basis voor het opleggen van de maatregel van bewaring, waardoor bij vaststelling dat de intrekking onrechtmatig is de grondslag aan de maatregel van bewaring komt te ontvallen. Ingevolge de Vw 2000 staan tegen het intrekkingsbesluit en de maatregel van bewaring afzonderlijke en niet gelijk lopende rechtsmiddelen open. Tegen het intrekkingsbesluit dient eerst de bezwaarprocedure te worden doorlopen, tegen de maatregel van bewaring dient beroep te worden ingesteld bij deze rechtbank. De rechtbank is gelet op de nauwe samenhang tussen de beide besluiten van oordeel dat het in artikel 6 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte vergt dat de beroepen van eiser tegen het bestreden besluit I en de maatregel van bewaring gelijktijdig door de rechtbank dienen te worden behandeld.

1.4.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de analogie met de voornoemde Afdelingsuitspraken niet op gaat vanwege de aard van het bestreden besluit I, waarbij een verblijfvergunning regulier van onbepaalde tijd is ingetrokken en een inreisverbod is opgelegd voor de duur van 10 jaar, en vanwege het karakter van de bezwaarprocedure. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Ook in een geval als het onderhavige vergt de wezenlijke inhoud van het in artikel 6 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, te weten het recht op een onmiddellijke vrijlating indien de bewaring onrechtmatig is, dat de rechtbank zich spoedig en (nagenoeg) gelijktijdig met het bewaringsberoep uitlaat over het ingevolge artikel 27 van de Vw 2000 met een terugkeerbesluit gelijkgestelde intrekkingsbesluit. De aard van het intrekkingsbesluit en het karakter van de bezwaarprocedure mogen aan dat recht geen afbreuk doen.

1.5.

De rechtbank ziet in de onderhavige zaak dan ook aanleiding te verklaren dat artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten toepassing blijft, zodat verweerder niet langer bevoegd is op het bezwaar van eiser tegen het bestreden besluit I te beslissen. De rechtbank zal de bestreden besluiten I en II toetsen in het licht van de daartegen door eiser voorgedragen beroepsgronden.

2.

Beroepsgronden van eiser tegen de intrekking

2.1.

Eiser heeft aangevoerd dat de intrekking in strijd is met de standstillbepalingen van artikel 13 van Besluit 1/80 van de Associatieraad en artikel 41 van het Aanvullend Protocol bij de associatieovereenkomst tussen de EEG en Turkije omdat hij als gezinslid van een Turkse werknemer verblijfsrecht aan Besluit 1/80 ontleent. Ter zitting heeft eiser daaraan toegevoegd dat, voor zover verweerder aan het Unierechtelijke openbareordecriterium had mogen toetsen, sprake zou moeten zijn van dwingende reden van openbare orde als bedoeld in artikel 28, derde lid, van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (de Verblijfsrichtlijn). Eiser betoogt voorts dat verweerder niet de bevoegdheid had om de verblijfsvergunning in te trekken op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, althans dat verweerder van deze bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken, nu hij op grond van artikel 21a, tweede lid, van de Vw 2000 niet bevoegd was om eiser een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te weigeren. Verder heeft eiser aangevoerd dat de verblijfsbeëindiging en de oplegging en duur van het inreisverbod strijd opleveren met recht op privé-, familie en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2.2.

Ten aanzien van het beroep op de standstillbepaling overweegt de rechtbank het volgende.

2.3.

Verweerder heeft in het bestreden besluit I primair overwogen dat niet is gebleken dat eiser verblijfsrecht kan ontlenen aan Besluit 1/80. Ter zitting heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit I overwogen dat, indien eiser wel verblijfsrecht zou ontlenen aan Besluit 1/80, zijn verblijf zou kunnen worden beëindigd als zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Ter zitting heeft verweerder hieraan, onder verwijzing naar artikel 59 van het Aanvullend Protocol, toegevoegd dat Turkse staatsburgers niet gunstiger worden behandeld dan Unieburgers.

2.4.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit I enkel heeft beoordeeld of eiser zelf als werknemer verblijfsrecht ontleent aan Besluit 1/80, maar dat niet is onderzocht en beoordeeld of eiser als gezinslid van een Turkse werknemer rechten kan ontlenen aan dit besluit. Eiser heeft aangevoerd dat hiervan in zijn geval sprake is en heeft ter onderbouwing van zijn stelling een curriculum vitae van zijn vader overgelegd, alsook een verklaring van [bedrijf] waarin is vermeld dat zijn vader aldaar van 23 april 1979 tot en met 10 juli 2001 werkzaam is geweest. Nu het een ambtshalve genomen belastend besluit betreft, lag het op de weg van verweerder om te onderzoeken of eiser aan artikel 7 van Besluit 1/80 verblijfrecht kon ontlenen. Het bestreden besluit is op dit onderdeel dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

2.5.

Nu verweerder op pagina 7 van het bestreden besluit heeft overwogen dat ook wanneer eiser verblijfsrecht zou ontlenen aan het Besluit 1/80, verweerder de verblijfsvergunning van eiser intrekt, ziet de rechtbank aanleiding te beoordelen of de standstillbepaling in de weg zou kunnen staan aan de intrekking van eisers verblijfsrecht. Anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, kan eisers verblijfrecht op grond van Besluit 1/80 niet verloren zijn gegaan doordat hij volwassen is geworden en niet langer deel uitmaakt van het gezin van zijn vader. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HVJEU), waaronder de uitspraak van 8 november 2011 (ECLI:NL:XX:2011:BU8584) inzake [betrokkene] volgt immers dat het gezinslid van een Turkse werknemer dat de voorwaarden van artikel 7, eerste alinea, van Besluit 1/80 vervult, de hem door deze bepaling verleende rechten slechts in twee gevallen kan verliezen, te weten wanneer de aanwezigheid van de Turkse migrant op het grondgebied van de gastlidstaat wegens zijn persoonlijke gedrag een reële en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, als bedoeld in artikel 14, lid 1, van dit besluit, of wanneer de betrokkene het grondgebied van deze staat gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten.

2.6.

Verder stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een aanscherping van de wet en dat, indien artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 op 1 juli 2012 niet zou zijn gewijzigd, verweerder niet bevoegd zou zijn geweest om de verblijfsvergunning van eiser in te trekken. De rechtbank volgt verweerder in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat uit artikel 59 van het Aanvullend Protocol voortvloeit dat Turkse staatsburgers niet gunstiger mogen worden behandeld dan Unieburgers. De rechtbank is evenwel ook van oordeel dat de verplichtingen die voortvloeien uit de standstillbepaling met zich brengen dat in een geval als het onderhavige, waarbij sprake is van een dusdanige aanscherping van de wet die het mogelijk maakt het verblijf van een Turkse staatsburger te beëindigen terwijl dit voor die aanscherping niet mogelijk was, niet alleen het thans geldende artikel 3.86 van het Vb 2000 buiten toepassing dient te blijven, maar dat voor de Turkse staatsburger dezelfde waarborgen dienen te gelden tegen verwijdering van het grondgebied die gelden voor Unieburgers. In dit verband ligt tevens de vraag voor of artikel 8.22, derde lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000, waarin is bepaald dat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling (Unieburger) die in de voorafgaande tien jaar in Nederland heeft gewoond niet wordt beëindigd tenzij dwingende redenen van openbare veiligheid daartoe nopen, in de weg staat aan de intrekking van eisers verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Het bestreden besluit I is op dit onderdeel dan ook niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder dit gebrek gedurende de rechterlijke procedure niet heeft hersteld.

2.7.

De rechtbank overweegt verder dat, wanneer sprake zou zijn van het hiervoor genoemde criterium van dwingende reden van openbare veiligheid en aan de voorwaarde voor het toepassen van de intrekkingsbevoegdheid van artikel 22, eerste lid, onder c, van de Vw 2000, de vraag voorligt of verweerder in redelijkheid van zijn intrekkingsbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Eiser wijst in dit verband op artikel 21a, tweede lid, van de Vw 2000 waarin, voor zover hier van belang, is bepaald dat indien de vreemdeling in Nederland is geboren en sindsdien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en inmiddels 18 jaar is, zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd slechts kan worden afgewezen indien de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan 60 maanden wegens handel in verdovende middelen. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft bestreden dat hij in de situatie van eiser een aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gelet op artikel 21a, tweede lid, van de Vw 2000, niet had kunnen weigeren. De rechtbank overweegt verder dat in het bestreden besluit I niet is gemotiveerd waarom verweerder van zijn intrekkingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt, terwijl in een aanvraagsituatie gelet op artikel 21a, tweede lid, van de Vw2000 eisers aanvraag zou moeten worden gehonoreerd. De rechtbank acht de aanvullende motivering die verweerder op dit onderdeel van het besluit ter zitting heeft gegeven, dat verweerder van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt gelet op de veelheid en ernst van de gepleegde feiten in verhouding tot de belangen van eiser bij voortzetting van zijn verblijf in Nederland, onvoldoende toereikend. Uit deze nadere motivering blijkt immers dat verweerder in zijn belangenafweging de omstandigheid als genoemd in artikel 21a, tweede lid, van de Vw 2000 nog steeds niet heeft meegenomen en gewogen. Hieruit volgt dat ook dit onderdeel van het bestreden besluit I niet deugdelijk is gemotiveerd, welk gebrek evenmin gedurende de rechterlijke procedure door verweerder is hersteld.

2.8.

De rechtbank ziet in de onder 2.4, 2.7 en 2.8 vastgestelde gebreken voldoende aanleiding om het beroep gegrond te verklaren wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en het bestreden besluit I als geheel te vernietigen. De beroepsgrond gericht tegen de belangenafweging van verweerder in het kader van artikel 8 van het EVRM behoeft dan ook geen bespreking meer.

2.9.

De rechtbank ziet gelet op de inbewaringstelling van eiser in samenhang met het feit dat verweerder na de heropeningsbeslissing reeds in de gelegenheid is geweest een nadere reactie te geven op de onder 2.6 en 2.7 weergegeven kwesties en verweerder naar het oordeel van de rechtbank te dien aanzien geen deugdelijke motivering heeft gegeven, geen aanleiding om verweerder middels een bestuurlijke lus nogmaals in de gelegenheid te stellen een nadere motivering over te leggen.

Ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit II (AWB 14/00390)

3.1. Eiser heeft aangevoerd dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is, omdat er geen rechtsgeldig terugkeerbesluit aan ten grondslag ligt.

3.2. Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven onder rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 heeft overwogen slaagt het beroep van eiser. Nu het bestreden besluit I wordt vernietigd, verbleef eiser immers nog altijd rechtmatig hier te lande, zodat verweerder hem ten onrechte met toepassing van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring heeft gesteld. De overige tegen de maatregel gerichte gronden behoeven geen verdere bespreking.

3.3. Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 5 januari 2014 in strijd is met de wet. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond, vernietigt het bestreden besluit II en beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring.

3.4. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 105,-- per dag dat eiser op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en € 80,-- per dag dat eiser in het huis van bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, in totaal € 2.060,--.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 14/00399)

4.

Nu heden op het beroep geregistreerd onder nummer AWB 14/00401 is beslist, bestaat geen belang meer bij het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af.

Ten aanzien van de proceskosten in alle zaken

5.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.191,50 (2 punten voor de beroepschriften, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 487,--, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

in de procedure, geregistreerd onder nummer AWB 14/00401,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

De rechtbank

in de procedure, geregistreerd onder nummer AWB 14/00390,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- beveelt dat verweerder de bewaring onmiddellijk opheft;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.060,-- (zegge: tweeduizend zestig euro);

De voorzieningenrechter,

in de procedure, geregistreerd onder nummer AWB 14/00399,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

De rechtbank/voorzieningenrechter,

in alle zaken:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.191,50 (zegge: tweeduizend hondereenennegentig euro en vijftig cent), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: JV

Coll: MvM

D: B

VK

Tegen de uitspraak, voor zover het betreft de beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel, kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Tegen de uitspraak, voor zover het betreft de beroep tegen de intrekking, kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.