Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:3478

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-03-2014
Datum publicatie
20-03-2014
Zaaknummer
13/9196
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De termijn van artikel 19 van de Awir is voor de onderhavige berekeningsjaren overschreden en eiseres is daarvan ten onrechte niet in kennis gesteld. Zoals blijkt uit de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2375) heeft de overschrijding van die termijn niet tot gevolg dat een voorschot niet meer mag worden herzien. Niet valt in te zien waarom een dergelijke herziening niet zou mogen plaatsvinden middels de definitieve toekenning. De Awir verbindt immers verder geen consequenties aan deze termijnoverschrijding.

Volgens de Memorie van Toelichting bij artikel 19 van de Awir moeten voor de aldaar bedoelde termijnverlenging “vanzelfsprekend gegronde redenen” zijn. De rechtbank leidt daaruit af dat de termijn waarbinnen nog definitief kan worden toegekend niet onbeperkt is. Voor de vraag of in onderhavig geval verweerder nog in redelijkheid definitief heeft kunnen toekennen, heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de termijn van artikel 21, tweede lid, van de Awir. Op grond van die bepaling kan verweerder een onjuiste toekenning herzien uiterlijk vijf jaar na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft. Nu verweerder de tegemoetkomingen heeft toegekend binnen vijf jaar na afloop van het desbetreffende berekeningsjaar en eiseres reeds bij ontvangst van de voorschotbeschikkingen moest weten dat deze onjuist waren, acht de rechtbank de overschrijdingen van de termijn van artikel 19 van de Awir niet onredelijk, onbehoorlijk of anderszins in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijke bestuur.

Wetsverwijzingen
Wet op het kindgebonden budget 5
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 15
Wet op het kindgebonden budget 6
Wet inkomstenbelasting 2001 2.7
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 16
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 19
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 26
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/586
V-N 2014/26.20.9
FutD 2014-0673
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 13/9196, 13/9197 en 13/9198

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2014 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z], eiseres

en

Belastingdienst/Toeslagen, kantoor [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres beschikkingen afgegeven voor de definitieve berekening van de kindertoeslag voor het jaar 2008 en voor het kindgebonden budget voor de jaren 2009 en 2010.

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 8 oktober 2013, de bezwaren ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2014 te Den Haag.

Eiseres is aldaar verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A].

Overwegingen

Feiten

1.

Met dagtekening 29 september 2007 heeft verweerder van de Sociale verzekeringsbank (SVB) ten aanzien van eiseres een zogenoemd startsignaal ontvangen. Naar aanleiding hiervan is aan eiseres een voorschot kindertoeslag voor het berekeningsjaar 2008 toegekend van € 376. Daarbij is uitgegaan van een geschat toetsingsinkomen van eiseres van nihil en van haar echtgenoot van € 40.169.

2.

De aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2008 voor de echtgenoot van eiseres is vastgesteld op 7 oktober 2009. Daarbij is het verzamelinkomen bepaald op € 53.968.

3.

Bij beschikking van 2 augustus 2013 heeft verweerder de kindertoeslag 2008 definitief berekend op nihil. Daarbij is uitgegaan van een gezamenlijk toetsingsinkomen van € 53.968.

4.

Voor het berekeningsjaar 2009 heeft verweerder aan eiseres een voorschot kindgebonden budget toegekend van € 588. Het voorschot is vastgesteld op basis van een geschat toetsingsinkomen van eiseres van nihil en van haar echtgenoot van € 41.213.

5.

De aanslag IB/PVV voor het jaar 2009 voor de echtgenoot van eiseres is vastgesteld op 15 oktober 2010. Daarbij is het verzamelinkomen bepaald op € 55.757.

6.

Bij beschikking met dagtekening 9 augustus 2013 heeft verweerder het kindgebonden budget 2009 definitief berekend op nihil. Daarbij is uitgegaan van een gezamenlijk toetsingsinkomen van € 55.757.

7.

Voor het berekeningsjaar 2010 heeft verweerder aan eiseres een voorschot kindgebonden budget toegekend van € 586. Het voorschot is vastgesteld op basis van een geschat toetsingsinkomen van eiseres van nihil en van haar echtgenoot van € 41.625.

8.

De aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 voor de echtgenoot van eiseres is vastgesteld op 12 augustus 2011. Daarbij is het verzamelinkomen bepaald op € 62.287.

9.

Bij beschikking met dagtekening 16 augustus 2013 heeft verweerder het kindgebonden budget 2010 definitief berekend op nihil. Daarbij is uitgegaan van een gezamenlijk toetsingsinkomen van € 62.287.

10.

Op de verschillende voorschotbeschikkingen is vermeld dat deze zijn berekend op basis van het voor het desbetreffende jaar geschatte toetsingsinkomen en op basis van gegevens afkomstig van de SVB en wordt verzocht de gegevens te controleren. Verder wordt daarin gewezen op de verplichting wijzingen die leiden tot een lager toeslagbedrag door te geven.

11.

Op de beschikkingen waarbij de kindertoeslag respectievelijk de kindgebonden budgetten definitief zijn berekend op nihil, is tevens vermeld dat eiseres de aan haar uitbetaalde voorschotten moet terugbetalen.

Geschil
12. In geschil is of verweerder heeft mogen terugkomen op de voorschotbeschikkingen en de voorschotten heeft mogen terugvorderen. Niet in geschil is dat de voorschotten, uitgaande van daarbij gehanteerde geschatte toetsingsinkomens terecht zijn verleend. Evenmin is in geschil dat eiseres, gezien de uiteindelijk vastgestelde verzamelinkomens voor onderhavige jaren, geen recht heeft op kindertoeslag respectievelijk kindgebonden budget (hierna gezamenlijk aangeduid als de toeslagen).

13.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij niet zelf heeft verzocht om toekenning van de toeslagen, maar dat dit op initiatief van verweerder is gebeurd. Wanneer bij de verlening van de voorschotten wordt uitgegaan van onjuiste inkomensgegevens, dient dat daarom voor risico van verweerder te blijven. Eiseres mocht er vanuit gaan dat verweerder beslist op basis van juiste gegevens. Daarbij is de termijn tussen het verlenen van de voorschotten en de definitieve vaststellingen te lang. Zodra de aangifte voor de IB/PVV was ingediend, kon bij verweerder het toetsingsinkomen bekend zijn en kon de hoogte van de toeslagen definitief worden vastgesteld. Dat hij dit pas jaren later doet en daarbij de voorschotten terugvordert, is dan niet meer redelijk. Eiseres vindt dat de definitieve toekenningen moeten worden vastgesteld overeenkomstig de aan haar toegekende voorschotten.

14.

Verweerder neemt het standpunt in dat hij de toeslagen voor onderhavige jaren op nihil heeft mogen stellen en dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

15.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

16.

In artikel 5 van de Wet op het kindgebonden budget (de Wkb) is bepaald dat de ouder die over het berekeningsjaar aanspraak heeft op een kindgebonden budget, en over het berekeningsjaar reeds in aanmerking komt voor een andere tegemoetkoming waarvan de uitvoering is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen, geacht wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 15 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) voor het kindgebonden budget te hebben gedaan.

17.

Ingevolge artikel 6 van de Wkb wordt degene bij wie in het jaar 2006 bij de vaststelling van de verschuldigde inkomstenbelasting op grond van artikel 2.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 kinderkorting in aanmerking is genomen en die voor het berekeningsjaar niet in aanmerking komt voor een andere tegemoetkoming waarvan de uitvoering is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen, geacht voor het jaar 2008 een aanvraag te hebben gedaan als bedoeld in artikel 15 van de Awir. Voor de toepassing van artikel 16, eerste en tweede lid, van de Awir wordt in dat geval de aanvraag geacht te zijn gedaan op 1 oktober 2007.

18.

Ingevolge artikel 15, vierde lid, van de Awir wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren.

19.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Awir verleent de Belastingdienst, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

20.

Ingevolge artikel 19 van de Awir kent de Belastingdienst de tegemoetkoming toe binnen acht weken nadat de laatste in dit kader van belang zijnde aanslag inkomstenbelasting voor het berekeningsjaar is vastgesteld. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat wanneer de tegemoetkoming niet binnen die termijn kan worden toegekend, de Belastingdienst belanghebbende hiervan schriftelijk in kennis stelt.

21.

Ingevolge artikel 26 van de Awir is de belanghebbende, indien een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

22.

Gezien het bepaalde in de artikelen 5 en 6 van de Wkb in samenhang met artikel
15 van de Awir wordt eiseres geacht voor het jaar 2008 een aanvraag om toekenning van kindertoeslag te hebben gedaan en voor de daarop volgende jaren aanvragen te hebben gedaan voor de toekenning van een kindgebonden budget.

23.

Bij de invoering van de Wkb is de zogenoemde kinderkorting omgezet in een kindertoeslag. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wkb (Kamerstukken II 2006/07, 30 912, nr. 3, blz. 10) blijkt dat de wetgever zoveel mogelijk heeft voorzien in een automatische toekenning van de kindertoeslag teneinde te voorkomen dat alle gerechtigden een eerste aanvraag moeten indienen. Het niet hoeven aanvragen van de toekenning is dus expliciet beoogd met de desbetreffende regeling. Dat eiseres niet daadwerkelijk een aanvraag heeft ingediend, is dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte voorschotten aan eiseres heeft toegekend en daarop niet meer zou mogen terugkomen (zie in dit verband de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 oktober 2011, ECLI:NL: RVS:2011:BT8597).

24.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het vierde en vijfde lid, van de Awir, voortvloeit dat aan de verlening van een voorschot geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toekenning bestaat. Het voorschot wordt immers slechts verleend tot het vermoedelijke bedrag van de tegemoetkoming en die verlening kan worden herzien.

25.

Voorts moet het eiseres onmiddellijk bij de ontvangst van de voorschotbeschikkingen duidelijk zijn geweest dat haar tot te hoge bedragen voorschotten werden verleend, omdat daarop expliciet de onjuiste toetsingsinkomens stonden vermeld. Gezien de aanmerkelijke verschillen tussen die geschatte inkomens en de daadwerkelijk genoten inkomens, kan dit eiseres niet zijn ontgaan. Dat zij ondanks de duidelijke oproep daartoe op de voorschotbeschikkingen, de inkomensgegevens niet heeft gecontroleerd komt voor haar risico. Ook om die reden kan daarom geen sprake zijn van een in rechte te honoreren vertrouwen dat op de voorschotten niet zou worden teruggekomen. Het enkele feit dat verweerder niet binnen de daarvoor in artikel 19 van de Awir gestelde termijn de toeslagen (definitief) heeft toegekend, leidt evenmin tot het oordeel dat eiseres er op mocht vertrouwen dat de voorschotbeschikkingen juist waren en dat deze niet zouden worden herzien.

26.

Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn van artikel 19 van de Awir voor onderhavige berekeningsjaren is overschreden en dat eiseres daarvan ten onrechte niet in kennis is gesteld. Zoals blijkt uit de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2375) heeft de overschrijding van die termijn niet tot gevolg dat een voorschot niet meer mag worden herzien. Niet valt in te zien waarom een dergelijke herziening niet zou mogen plaatsvinden middels de definitieve toekenning. De Awir verbindt immers verder geen consequenties aan deze termijnoverschrijding.

27.

Dat neemt evenwel niet weg dat volgens de Memorie van Toelichting bij artikel
19 van de Awir voor de aldaar bedoelde termijnverlenging “vanzelfsprekend gegronde redenen” moeten zijn. De rechtbank leidt daaruit af dat de termijn waarbinnen nog definitief kan worden toegekend niet onbeperkt is. Voor de vraag of in onderhavig geval verweerder nog in redelijkheid definitief heeft kunnen toekennen, heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de termijn van artikel 21, tweede lid, van de Awir.

28.

Op grond van die bepaling kan verweerder een onjuiste toekenning herzien uiterlijk vijf jaar na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft. Nu verweerder de tegemoetkomingen heeft toegekend binnen vijf jaar na afloop van het desbetreffende berekeningsjaar en eiseres reeds bij ontvangst van de voorschotbeschikkingen moest weten dat deze onjuist waren, acht de rechtbank de overschrijdingen van de termijn van artikel 19 van de Awir niet onredelijk, onbehoorlijk of anderszins in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijke bestuur.

29.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

30.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.