Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:3052

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2014
Datum publicatie
12-03-2014
Zaaknummer
AWB 14/2346, 14/2342
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AA, afwijzing asiel. Geloofwaardig relaas, geen geronde vrees voor vervolging of reëel risico schending 3 EVRM. Lijdt niet aan ziekte vergevorderd en levensbedreigend stadium. Beroep ogg, verzoek afwijzen, geen pkv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 14/2346 (voorlopige voorziening) en 14/2342 (bodemprocedure)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 27 februari 2014 in de zaak tussen

[naam], eiseres,

gemachtigde mr. M.S. Yap,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. Hadfy-Kovacs.

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2014 (hierna: het bestreden besluit), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), is de asielaanvraag van eiseres afgewezen.

Op 30 januari 2014 heeft eiseres tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op haar beroep is beslist.

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 20 februari 2014. Eiseres is ter zitting verschenen samen met haar twee meerderjarige zoons, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M. Madjlessi, tolk in de Farsi taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Aangezien nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk op het beroep worden beslist. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.

Eiseres is op [geboortedag]1941 geboren en bezit de Iraanse nationaliteit. Zij is op 29 september 2013 met een visum voor kort verblijf uit Iran naar Nederland vertrokken. De geldigheidsduur van het visum is eenmaal verlengd tot 25 december 2013. Op 25 december 2013 heeft eiseres te kennen gegeven een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan te willen vragen. Op 21 januari 2014 is zij in de gelegenheid gesteld deze aanvraag in te dienen. Verweerder heeft bij het bestreden besluit deze aanvraag afgewezen.

3.

Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij niet terug kan keren naar Iran nu zij daar niemand meer heeft die voor haar kan zorgen. Al haar kinderen verblijven in het buitenland. Eiseres is enkele malen bezocht door agenten die haar vroegen naar de verblijfplaats van haar kinderen. Eiseres vreest dat zij haar zullen blijven lastigvallen wanneer zij terugkeert naar Iran. De gezondheid van eiseres is ook slecht.

4.

Verweerder heeft in het bestreden besluit de aanvraag van betrokkene afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), in samenhang gelezen met artikel 3.35, derde lid, aanhef en onder d, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000). Daarnaast wordt eiseres niet een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 in het kader van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en heeft verweerder ambtshalve geweigerd krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat uitzetting van eiseres achterwege blijft.

5.

Eiseres heeft aangevoerd dat artikel 3.35, derde lid, aanhef en onder d, van het VV 2000 niet een zelfstandige grond bevat om te komen tot een toetsingskader van de positieve overtuigingskracht. Eiseres heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 2 juli 2013 (AWB 13/14059 ev.). Eiseres heeft haar asielaanvraag zo spoedig mogelijk ingediend en heeft goede redenen aangevoerd waarom zij zich eerst na afloop van haar visumtermijn heeft gemeld in Ter Apel. Eiseres beroept zich op Sippenhaft en verwijst naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Iran van augustus 2012 (onder 3.3.5) en december 2013 (onder 2.2.5) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 26 augustus 2010 (AWB 10/13877). Alle kinderen van eiseres hebben een asielvergunning gekregen. Zeker in het Iran van nu zal eiseres niet met rust gelaten worden door de Iraanse autoriteiten. Ook wijst eiseres op haar hoge leeftijd en haar medische klachten. Eiseres is niet meer in staat voor zichzelf te zorgen. Voor de beoordeling van de medische situatie van eiseres dient verweerder het Bureau Medische Advisering (BMA) in te schakelen, mede in het licht van de ambtshalve beoordeling op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Ook dient artikel 8 van het EVRM, anticiperend op het nieuwe artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), wel in het kader van de aanvraag van eiseres beoordeeld te worden, aldus eiseres.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

6.

In artikel 29, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 staat vermeld op welke gronden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend.

7.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

8.

Volgens artikel 3.35, derde lid, van het VV 2000, waarin artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 nader is uitgewerkt, worden de verklaringen van de vreemdeling, indien hij deze geheel of gedeeltelijk niet met documenten kan onderbouwen, geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

(…);

d. de vreemdeling heeft zijn aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten;

(…).

9.

Zoals ook blijkt uit het verhandelde ter zitting, is niet in geschil is dat verweerder het relaas van eiseres geloofwaardig heeft geacht. Om die reden is het tegenwerpen door verweerder van artikel 3.35, derde lid, van het VV 2000 zonder betekenis. Het in beroep aangevoerde ten aanzien van het tegenwerpen van artikel 3.35, derde lid, aanhef en onder d, van het VV 2000 en het hanteren van het toetsingskader van de positieve overtuigingskracht kan daarom geen doel treffen.

10.

Beoordeeld moet vervolgens worden of verweerder op goede gronden heeft bepaald dat het asielrelaas niet kwalificeert voor een asielvergunning.

11.

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer de uitspraak van 17 februari 2010 (LJN: BL4556), volgt dat bij de toetsing door de rechter van het standpunt van verweerder omtrent het realiteitsgehalte van de door de vreemdeling aan de niet ongeloofwaardig geachte feiten en omstandigheden ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat, geen plaats is voor terughoudendheid betreffende de toets of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vermoedens van de desbetreffende vreemdeling die deel uitmaken van de gebeurtenissen die volgens zijn asielrelaas hebben plaatsgevonden, niet plausibel te achten zijn en dientengevolge niet als geloofwaardig kunnen worden aangenomen.

12.

Indien en voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat de door een vreemdeling in zijn asielrelaas gestelde feiten en omstandigheden met inbegrip van diens eventuele vermoedens die deel uitmaken van gebeurtenissen die volgens het asielrelaas hebben plaatsgevonden, geloofwaardig worden geacht en in zoverre als vaststaande feiten en omstandigheden moeten worden aangenomen, is het vervolgens aan hem om te beoordelen of deze feiten en omstandigheden kwalificeren als rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Beoordeeld dient te worden of de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat, reëel en daarmee plausibel te achten zijn. Die beoordeling vindt niet langer plaats in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas, maar in het kader van de beoordeling of de als vaststaand aangenomen feiten en omstandigheden kwalificeren als rechtsgrond voor verlening van voormelde verblijfsvergunning. Van die beoordeling maakt voorts deel uit de beantwoording van de vraag of, indien en voor zover de staatssecretaris de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat plausibel acht, deze ook voldoende zwaarwegend zijn voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning.

13.

De voorzieningenrechter overweegt dat de door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de uitspraak van 20 januari 2011 (LJN: BP7005, inzake N.S. tegen Denemarken) genoemde risicofactoren door verweerder zijn opgenomen in het beleid door middel van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 nr. 2012/10. Deze risicofactoren spelen een rol bij de beoordeling van het risico bij terugkeer in het kader van artikel 3 van het EVRM. De voorzieningenrechter overweegt dat geloofwaardig wordt geacht dat eiseres in het verleden enkele malen bezocht is door mannen van de overheid die navraag kwamen doen naar de verblijfplaats van haar kinderen. Eiseres heeft aangevoerd bij terugkeer naar Iran te vrezen voor Sippenhaft, mede vanwege het feit dat zij als ex-asielzoeker met een verlopen visum terugkeert naar Iran.

14.

In het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Iran van 27 augustus 2012 is ten aanzien van Sippenhaft het navolgende opgenomen:

“Sippenhaft in de beperkte betekenis van het in gijzeling nemen van familieleden, teneinde te bewerkstelligen dat een (gezochte) persoon zich meldt bij de daartoe in aanmerking komende instanties, kwam in de verslagperiode voor, hoewel het volgens de Iraanse wet niet is toegestaan. In de praktijk komt het, met name in politiek getinte zaken, voor dat familieleden van de beschuldigde bij wijze van drukmiddel worden opgepakt.

Gevallen van Sippenhaft in de ruime betekenis van het woord deden zich in de praktijk gedurende de verslagperiode eveneens voor. Het gaat dan vooral om het uitoefenen van druk op familieleden van een gezochte of gevangen persoon of van personen op vrije voeten, teneinde hem/haar te arresteren, de mond te snoeren of een bekentenis te laten afleggen. Ook zijn er familieleden van personen die het regime onwelgevallig zijn, hoogst waarschijnlijk onder gezochte en valse beschuldigingen, vastgezet, met naar het zich laat aanzien als voornaamste doel deze personen het zwijgen op te leggen. Sippenhaft in de ruime betekenis van het woord strekt zich ook uit tot familieleden van Iraniërs die Iran hebben verlaten.”

In het algemeen ambtsbericht over Iran van 24 december 2013 staat het volgende:

“In deze verslagperiode werden regelmatig familieleden van journalisten, die zelf in ballingschap waren, lastiggevallen door autoriteiten. Zie hiervoor ook hierboven op pagina 17. Ook werden de dochters en de zoon van beide leiders van de Green Movement, die onder huisarrest zaten, in februari 2013 meegenomen voor ondervraging en later weer vrijgelaten.”

15.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld, mede gelet op voormelde landeninformatie, dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij te vrezen heeft voor Sippenhaft bij terugkeer naar Iran. Uit de door eiseres naar voren gebrachte feiten en omstandigheden blijkt immers niet dat op eiseres druk is uitgeoefend om haar kinderen te kunnen opsporen, arresteren, de mond te snoeren of een bekentenis af te laten leggen. Dat eiseres wel een zodanige druk heeft ervaren, hoe vervelend deze bezoeken ook geweest moeten zijn voor eiseres, betekent niet dat moet worden aangenomen dat de autoriteiten ook daadwerkelijk druk op eiseres hebben uitgeoefend.

16.

Over de stelling dat eiseres bij terugkeer naar Iran problemen kan verwachten omdat haar visum verlopen is en zij asiel heeft aangevraagd in Nederland, oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. In voornoemd ambtsbericht van december 2013 wordt vermeld dat over vervolging in Iran van terugkerende asielzoekers geen informatie bekend is. Het enkele feit dat de aan eiseres verleende visum inmiddels verlopen is, is naar het oordeel van de voorzieningen onvoldoende reden om aan te nemen dat eiseres een verhoogd risico loopt om problemen te ondervinden bij haar terugkeer naar Iran. Voorts is niet aannemelijk dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van het door eiseres in Nederland gedane asielverzoek, dan wel dat eiseres om andere redenen in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten is komen te staan. Eiseres is immers ook de afgelopen jaren meermalen met geldige documenten Iran in- en uitgereisd. De voorzieningenrechter concludeert dat verweerder terecht heeft bepaald dat het asielrelaas van eiseres niet leidt tot het aannemen van gegronde vrees voor vervolging, als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, of van een reëel risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

17.

Met betrekking tot de medische problematiek van eiseres en haar vrees dat uitzetting om die reden leidt tot schending van artikel 3 van het EVRM, wordt het volgende overwogen. Volgens de rechtspraak van het EHRM (onder andere de uitspraak van 2 mei 1997 in de zaak St. Kitts, nr. 146/1996/767/964, RV 1997, 70 en van 6 februari 2001 in de zaak Bensaid, nr. 44599/98, JV 2001/103) kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van deze verdragsbepaling. Van uitzonderlijke omstandigheden kan volgens deze uitspraken van het EHRM slechts sprake zijn als de vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium.

18.

Eiseres heeft cardiale, andere lichamelijke en psychische klachten. Zij is voor haar fysieke klachten behandeld in het land van herkomst. Zij gebruikt medicijnen en zij gebruikte ook in het land van herkomst al geruime tijd medicijnen. Ondanks haar klachten is eiseres meermalen naar Nederland gereisd en weer terug naar Iran gereisd. Niet is gesteld of gebleken dat haar toestand is verslechterd. De stelling dat eiseres in Nederland is verwezen naar een psycholoog, maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en levensbedreigend stadium. Verweerder heeft geen advies van het BMA hoeven vragen, alvorens daarover te beslissen. Verweerder heeft terecht het standpunt ingenomen dat eiseres ook op medische gronden niet in aanmerking komt voor een asielvergunning.

19.

Op grond van artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van één van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen. Verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter het standpunt kunnen innemen dat hiervan niet is gebleken. Eiseres heeft immers geen medische gegevens overgelegd waaruit een dergelijke conclusie kan worden getrokken, dan wel op grond waarvan een advies van het BMA had moeten worden opgevraagd. Niet gebleken is dat eiseres niet kan reizen, of dat zij voor haar kwalen niet in Iran kan worden behandeld. Uit het overgelegde patiëntendossier blijkt dat zij jarenlang in Iran is behandeld voor haar medische problemen en dat zij daar medicijnen heeft gekregen. Eiseres heeft niet onderbouwd dat haar medische situatie verslechterd is. De bewijslast daarvoor ligt bij eiseres. De beroepsgrond met betrekking tot artikel 64 van de Vw 2000 treft geen doel.

20.

Met betrekking tot het beroep op artikel 8 van het EVRM overweegt de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, dat een strikte scheiding tussen asiel en regulier voortvloeit uit de systematiek van de Vw 2000. Dit leidt ertoe dat de beoordeling van een beroep op artikel 8 van het EVRM, behoudens in het kader van een afgeleide asielvergunning als bedoeld artikel 29, tweede lid a, b, of c, van de Vw 2000, dient plaats te vinden in het kader van een aanvraag tot verlening van een reguliere verblijfsvergunning. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiseres niet onder de voorwaarden van vergunningverlening in het kader van de afgeleide vergunning valt. Voor zover eiseres een beroep heeft gedaan op het toekomstige nieuwe artikel 3.6a van het Vb 2000, oordeelt de voorzieningenrechter dat deze bepaling nog niet van kracht is. Eiseres heeft geen geldige reden aangevoerd om deze bepaling voor haar toch van toepassing te achten. Dit beroep faalt dan ook.

21.

Eiseres heeft gezien het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat haar aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres terecht afgewezen en terecht bepaald dat zij niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op medische gronden.

22.

Het beroep is ongegrond.

23.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

24.

Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2014.

Afschrift verzonden op: 27 februari 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.