Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:3043

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-03-2014
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_7460
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting, navorderingsaanslagen, vaststellingsovereenkomst, proceskostenvergoeding.

Bij de uitspraken op bezwaar zijn de navorderingsaanslagen en de boetes vastgesteld conform het bepaalde in de tussen partijen tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst. De navorderingsaanslagen en boetes zijn daarom niet te hoog vastgesteld. Ook heeft verweerder de proceskostenvergoedingen voor de bezwaarfases op goede gronden en op de juiste bedragen vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Algemene wet bestuursrecht 7:1a
Algemene wet bestuursrecht 6:10
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1042
V-N 2014/36.24.2
FutD 2014-1267
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 13/7457, SGR 13/7460, SGR 13/7462 en SGR 13/8117

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 maart 2014 in de zaken tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres de volgende navorderingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd:

  • -

    een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (VPB) voor het jaar 2006, berekend naar een belastbaar bedrag van € 8.542, alsmede bij beschikking een boete van € 1.270. Ook is bij de aanslag bij separate beschikking € 446 aan heffingsrente in rekening gebracht.

  • -

    een navorderingsaanslag VPB voor het jaar 2007 (aanslagnummer [aanslagnummer 1]), berekend naar een belastbaar bedrag van € 49.415, alsmede bij beschikking een boete van € 1.014. Ook is bij de aanslag bij separate beschikking € 607 aan heffingsrente in rekening gebracht.

  • -

    een navorderingsaanslag VPB voor het jaar 2009, berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.016.575, alsmede bij beschikking een boete van € 64.899. Ook is bij de aanslag bij separate beschikking € 8.069 aan heffingsrente in rekening gebracht.

  • -

    een navorderingsaanslag VPB voor het jaar 2007 (aanslagnummer [aanslagnummer 2]), berekend naar een belastbaar bedrag van € 57.957.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar:

  • -

    de navorderingsaanslag VPB 2006 en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente verminderd tot nihil en de bij deze aanslag opgelegde boete verminderd tot € 635;

  • -

    de navorderingsaanslag VPB 2007 (aanslagnummer [aanslagnummer 1]) en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente gehandhaafd en de bij deze aanslag opgelegde boete verminderd tot € 507;

  • -

    de navorderingsaanslag VPB 2009 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 512.282, de bij deze aanslag opgelegde boete verminderd tot € 301 en daarbij in rekening gebrachte heffingsrente verminderd tot € 74.

Eiseres heeft tegen de voornoemde uitspraken op bezwaar alsmede tegen de navorderingsaanslag 2007 met aanslagnummer [aanslagnummer 2] beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2014 te Den Haag.

Namens eiseres is daar verschenen [B], bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [C], [D] en [E]. De zaken met procedurenummers SGR 13/7464 t/m SGR 13/7467 en SGR 13/7469 (ten name van [B]) zijn gelijktijdig met de zaken van eiseres ter zitting behandeld. De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Overwegingen

Feiten

1.

Op 27 oktober 2010 heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld bij eiseres en [B] (de directeur-grootaandeelhouder van eiseres). Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en VPB voor de jaren 2005 tot en met 2008 en de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2009. Van de bevindingen van dit onderzoek is een rapport (het rapport) opgemaakt, gedagtekend 23 september 2011. Een kopie van het rapport behoort tot de gedingstukken.

2.

Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek heeft verweerder aan eiseres de onderwerpelijke navorderingsaanslagen en boetes opgelegd.

3.

Partijen hebben in de bezwaarfase een compromis bereikt, hetgeen is neergelegd in een door beide partijen voor akkoord getekende vaststellingsovereenkomst. Een afschrift van de vaststellingsovereenkomst behoort tot de gedingstukken. Partijen hebben daarbij – kort gezegd – over al hetgeen hen verdeeld hield – daaronder begrepen de heffingsrente en de boetes – overeenstemming bereikt, met uitzondering van de hoogte van de aan eiseres toe te kennen proceskostenvergoeding.

Geschil

4.

In geschil is of verweerder bij de uitspraken op bezwaar de boetebeschikkingen heeft vastgesteld overeenkomstig de vaststellingsovereenkomst en of de door verweerder voor de bezwaarfases toegekende proceskostenvergoedingen te laag zijn. Met betrekking tot het jaar 2009 is tevens in geschil of verweerder de navorderingsaanslag heeft mogen opleggen en of de heffingsrentebeschikking tot het juiste bedrag is verminderd. Niet in geschil is dat partijen gebonden zijn aan de vaststellingsovereenkomst.

5.

Eiseres stelt zich met betrekking tot de voor het jaar 2009 opgelegde navorderingsaanslag op het standpunt dat verweerder niet beschikt over een nieuw feit in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) omdat de primitieve aanslag is opgelegd tijdens de loop van het boekenonderzoek. De bij die aanslag berekende heffingsrente moet worden gematigd omdat verweerder onvoldoende voortvarend uitspraak op het bezwaar heeft gedaan. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat de boetes (2006 en 2009) dienen te worden vernietigd omdat geen sprake is van aan eiseres toe te rekenen schuld en dat zij voor alle (bezwaar)procedures recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding.

Eiseres concludeert tot vermindering van de navorderingsaanslag VPB 2009 en de daarbij berekende heffingsrente, tot vernietiging van de boetes (2006 en 2009) en tot toekenning van een integrale proceskostenvergoeding voor alle (bezwaar)procedures.

6.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de navorderingsaanslagen, boetes en heffingsrente bij de uitspraken op bezwaar (nader) heeft vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de vaststellingsovereenkomst en dat de voor de bezwaarfases toegekende forfaitaire proceskostenvergoedingen afdoende zijn. Met betrekking tot het beroep betreffende de navorderingsaanslag VPB voor het jaar 2007 met aanslagnummer [aanslagnummer 2] stelt verweerder zich op het standpunt dat dit niet-ontvankelijk is, omdat het voortijdig is ingediend. Verweerder concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van laatstgenoemd beroep en tot ongegrondverklaring van de overige beroepen.

7.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Navorderingsaanslag 2007 (aanslagnummer [aanslagnummer 2])

8.

Deze navorderingsaanslag is opgelegd met dagtekening 24 augustus 2013. Bij brieven van 18 september 2013 heeft eiseres daartegen bezwaar en beroep ingesteld, waarbij eiseres verweerder heeft verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank zoals bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Nu verweerder niet heeft ingestemd met het instellen van rechtstreeks beroep en tijdens het indienen van dit beroepschrift voor deze aanslag nog geen uitspraak op het bezwaar was gedaan, is sprake van een prematuur ingediend beroepschrift. Gesteld noch gebleken is dat aan één van de in artikel 6:10, eerste lid, van de Awb genoemde uitzonderingen is voldaan, zodat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Navorderingsaanslagen 2006, 2007 (aanslagnummer [aanslagnummer 1]) en 2009

9.

De rechtbank stelt voorop dat partijen, naar tussen hen ook niet in geschil is, zijn gebonden aan de in de bezwaarfase tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst.

10.

Gelet op het bepaalde in de vaststellingsovereenkomst kunnen op grond daarvan in beroep alleen de aan eiseres toegekende proceskostenvergoedingen ter discussie staan. Dat betekent dat hetgeen eiseres met betrekking tot het jaar 2009 stelt over de afwezigheid van een nieuw feit hier niet aan de orde kan komen.

11.

De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslagen en de boetes (nader) heeft vastgesteld conform het bepaalde in de vaststellingsovereenkomst. In zoverre zijn de navorderingsaanslagen en boetes naar het oordeel van de rechtbank juist en dus niet te hoog vastgesteld.

Heffingsrentebeschikking 2009

12.

In de vaststellingsovereenkomst is voor wat betreft de heffingsrente vastgelegd dat deze zal worden berekend conform de wettelijke bepalingen. Gesteld noch gebleken is dat de heffingsrente niet conform de wettelijke bepalingen is berekend. Dat verweerder volgens eiseres onvoldoende voortvarend uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is geen reden om de heffingsrente in afwijking van de vaststellingsovereenkomst en de wettelijke bepalingen te matigen. De heffingsrente wordt immers niet berekend over de periode tussen de navorderingsaanslag en de uitspraak op bezwaar zodat de door eiseres gestelde vertraging, wat daar overigens van zij, geen gevolgen heeft voor de hoogte van de heffingsrente.

Proceskostenvergoeding bezwaarfase

13.

Zowel bij de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2006 als bij die voor het jaar 2009 heeft verweerder op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) een proceskostenvergoeding aan eiseres toegekend van € 235. Verweerder heeft daarbij de bezwaren betreffende de jaren 2006 en 2007 (inzake aanslagnummer [aanslagnummer 1]) aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit zodat de kostenvergoeding die is toegekend bij de uitspraak op bezwaar voor 2006 mede ziet op het hiervoor vermelde bezwaar betreffende 2007.

14.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee de proceskostenvergoedingen voor de bezwaarfases op goede gronden en op de juiste bedragen vastgesteld.

15.

Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen blijken dat verweerder een beschikking of uitspraak heeft gegeven respectievelijk gedaan of gehandhaafd, terwijl op dat moment duidelijk was dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden of dat verweerder het verwijt treft dat hij in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (vgl. HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Hierbij merkt de rechtbank tevens op dat de navorderingsaanslagen en boetes bij uitspraken op bezwaar zijn verminderd dan wel vastgesteld met inachtneming van de tussen partijen tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om op de voet van artikel 2, derde lid van het Besluit een hogere kostenvergoeding toe te kennen dan verweerder reeds bij de uitspraken op bezwaar heeft toegekend.

16.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep betreffende de navorderingsaanslag VPB voor het jaar 2007 met aanslagnummer [aanslagnummer 2] niet-ontvankelijk te worden verklaard en dienen de overige beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

17.

Voor een proceskostenveroordeling voor de beroepsfase bestaat geen aanleiding.

Vergoeding van immateriële schade

18.

Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 (ECLI:NL:HR:2011: BO5046, -BO5080 en -BO5087).

19.

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AO9006). Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.

20.

Voor wat betreft de navorderingsaanslag VPB 2007 met aanslagnummer [aanslagnummer 2] is gezien het feit dat het daartegen gerichte bezwaar door verweerder is ontvangen op 18 september 2013 in ieder geval geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

21.

Verweerder heeft de overige bezwaarschriften ontvangen op 22 november 2011. Vanaf dat moment tot de dagtekening van de onderhavige uitspraak van de rechtbank, is – afgerond – twee jaar en drie maanden verstreken. Daarmee is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van drie maanden. De rechtbank is echter van oordeel dat het tijdsverloop dat is gemoeid met het mediationtraject dat is doorlopen in de bezwaarfase alsmede het tijdsverloop dat is gemoeid met het tot stand komen van de vaststellingsovereenkomst in dit verband buiten aanmerking dienen te blijven. Nu uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat dit tijdsverloop (tezamen bezien) aanmerkelijk langer is dan de genoemde overschrijding van de redelijke termijn van drie maanden, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om eiseres voor de onderhavige procedures een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep betreffende de navorderingsaanslag VPB voor het jaar 2007 met aanslagnummer [aanslagnummer 2] (met procedurenummer SGR 13/7457) niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart de overige beroepen (met procedurenummers SGR 13/7460, SGR 13/7462 en SGR 13/8117) ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en mr. E.E. Schotte en mr. J.W. van den Berge, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep