Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:2972

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
22-05-2014
Zaaknummer
C-09-458248
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot schorsing vervangende hechtenis afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/458248 / KG ZA 14-45

Vonnis in kort geding van 12 februari 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M.H.H. Meulemeesters te Utrecht,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. W.M. Limborgh te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 5 februari 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Bij vonnis van 7 februari 2013 heeft de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland een werkstraf van 80 uren aan eiser opgelegd, te vervangen door 40 dagen hechtenis, wegens mishandeling van zijn echtgenote. Eiser is in zijn hoger beroep tegen dit vonnis niet-ontvankelijk verklaard.

1.2.

De reclassering heeft vanaf 14 november 2013 driemaal een brief verstuurd aan eiser waarin hij eerst werd opgeroepen om contact op te nemen en vervolgens werd uitgenodigd voor een intakegesprek. De brieven zijn verzonden naar het adres waarop eiser stond ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). Eiser is niet verschenen bij de aangekondigde intakegesprekken in november en december 2013.

1.3.

Op 16 december 2013 heeft de officier van justitie de omzetting van de werkstraf in de vervangende hechtenis (voor het restant van 37 dagen) bevolen. Op 24 december 2013 heeft eiser de kennisgeving daarvan ontvangen. Eiser heeft op 2 januari 2014 een bezwaarschrift ingediend tegen de omzetting.

1.4.

Vervolgens heeft eiser op 7 januari 2014 een verzoek tot opschorting van de omzetting van de werkstraf naar vervangende hechtenis ingediend. Bij e-mail van 9 januari 2014 is dat verzoek door de officier van justitie afgewezen.

2 Het geschil

2.1.

Eiser vordert te bepalen dat de omzetting taakstraf naar vervangende hechtenis wordt geschorst totdat de rechter heeft beslist op het bezwaarschrift.

2.2.

Daartoe voert eiser het volgende aan. Hij verkeerde in een huwelijkscrisis en heeft de echtelijke woning in oktober 2013 verlaten. Zijn (ex-)echtgenote heeft buiten zijn medeweten om zijn GBA-adres gewijzigd in het adres van zijn ouders. Daar verbleef eiser echter destijds niet. Eiser heeft als gevolg daarvan de oproepen om contact op te nemen met de reclassering te laat ontvangen. Beide keren heeft hij wel teruggebeld en doorgegeven dat hij graag zijn taakstraf wilde afmaken. De reclassering heeft hem de laatste keer dat hij belde meegedeeld dat hij nogmaals een schriftelijke uitnodiging zou ontvangen. Dat is niet gebeurd. Overigens hadden de brieven van de reclassering ook naar het adres van de onderneming van eiser kunnen worden gestuurd. Dat adres staat in het handelsregister vermeld. De officier van justitie heeft ten onrechte nagelaten om, alvorens het verzoek om opschorting van de omzetting af te wijzen, navraag te doen bij de reclassering of eiser werkelijk diverse malen heeft gebeld om zijn taakstraf alsnog naar behoren uit te kunnen voeren. Dat feit is dan ook niet bij de individuele afweging betrokken. Eiser wil zijn taakstraf nog steeds naar behoren verrichten.

Daarbij dient er rekening mee te worden gehouden dat eiser ten onrechte is veroordeeld. De aangifte van de (ex-)echtgenote van eiser van mishandeling is immers niet op waarheid gebaseerd. De (ex-)echtgenote heeft inmiddels verklaard dat eiser haar niet heeft mishandeld. Ook is van belang dat eiser eigenaar is van een eenmanszaak. Zijn zaak zal gedurende de hechtenis gesloten moeten worden en dat zal grote financiële gevolgen hebben.

2.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

Eiser legt kennelijk aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat jegens hem onrechtmatig handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter gegeven. Eiser heeft ook een spoedeisend belang bij zijn vordering, nu de Staat ter zitting heeft verklaard dat de beslissing op het bezwaarschrift niet zal worden afgewacht en dat eiser elk moment kan worden aangehouden op grond van een arrestatiebevel.

3.2.

In het wettelijke stelsel ligt besloten dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag, maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Dat brengt mee dat de stelling van eiser dat hij ten onrechte is veroordeeld, wordt gepasseerd. In deze procedure kan de juistheid van de beslissing van de strafrechter niet worden getoetst.

3.3.

Bij het bepalen van de wijze en het moment waarop een straf ten uitvoer zal worden gelegd, komt de Staat een grote mate van beleidsvrijheid toe. In kort geding kunnen deze beslissingen slechts marginaal worden getoetst. Voorts is aan een ingediend bezwaarschrift tegen de omzetting van een taakstraf van rechtswege geen schorsende werking toegekend. Slechts in uitzonderingsgevallen kan dit in kort geding alsnog worden bevolen. Beoordeeld dient te worden of de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn afwijzing van het verzoek van eiser om geen schorsende werking aan het bezwaarschrift toe te kennen.

3.4.

Het staat vast dat de reclassering diverse malen heeft gepoogd contact te leggen met eiser door middel van brieven gericht aan zijn GBA-adres. De stellingen van eiser dat zijn GBA-adres buiten zijn medeweten is gewijzigd en dat hij feitelijk elders verbleef, kunnen hem – wat daar ook van zij – niet baten. Het lag op de weg van eiser om te zorgen voor een juiste GBA-inschrijving. Dat hij dit heeft nagelaten en dat daardoor de brieven van de reclassering hem niet of te laat hebben bereikt, dient voor zijn rekening en risico te komen. Anders dan eiser kennelijk veronderstelt, was het voorts niet de verantwoordelijkheid van de reclassering om actief te zoeken naar een adres waarop eiser kon bereikt, bijvoorbeeld door raadpleging van het handelsregister. Dat het adres van de onderneming van eiser bekend was bij de reclassering, is gesteld noch gebleken.

3.5.

Bovendien was eiser op de hoogte van de aan hem opgelegde (onherroepelijke) straf, zodat van hem kon worden verwacht dat hij actief zou meewerken aan de tenuitvoerlegging daarvan. Dat eiser heeft gepoogd contact te leggen met de reclassering om afspraken te maken over de tenuitvoerlegging van de straf, is in deze procedure niet voldoende aannemelijk geworden. Die stelling van eiser is immers door de Staat betwist en tegenover die betwisting op geen enkele wijze onderbouwd. Daar komt nog bij dat het bezwaarschrift van eiser zeer summier is toegelicht, zodat een gegrondverklaring van dat bezwaarschrift op voorhand niet bijzonder kansrijk lijkt. Een en ander leidt tot de conclusie dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen schorsende werking aan het bezwaarschrift toe te kennen. De enkele omstandigheid dat tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis negatieve gevolgen zal hebben voor de onderneming van eiser, leidt niet tot een ander oordeel. Het lag immers op de weg van eiser om die hechtenis te voorkomen en hij is daartoe voldoende in de gelegenheid gesteld. De vordering van eiser zal dan ook worden afgewezen.

3.6.

Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.424,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 608,-- aan griffierecht;

- verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2014.

hvd