Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:2897

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2014
Datum publicatie
11-03-2014
Zaaknummer
VK-14_2454
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AA. Afwijzing asiel, deels geloofwaardig relaas, werkzaamheden Amerikanen onvoldoende voor aannemen vluchtilingenschap/gevaar schending 3 EVRM. Geen uitzonderlijke situatie. Beroep ogg, verzoek afwijzen, geen pkv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 14/2454 (voorlopige voorziening) en 14/2453 (bodemprocedure)

V-nummer:[V-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 27 februari 2014 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. S. Igdeli,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder,

gemachtigde mr. A. Hadfy-Kovacs.

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2014 (hierna: het bestreden besluit), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), is de asielaanvraag van eiser afgewezen.

Op 30 januari 2014 heeft eiser tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op zijn beroep is beslist.

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 20 februari 2014. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich door zijn gemachtigde laten vertegenwoordigen. Tevens was te zitting aanwezig R. Rahim Ali, tolk in de Dari taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Aangezien nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk op het beroep worden beslist. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.

Eiser is geboren op [geboortedag]1982 en bezit de Afghaanse nationaliteit. Verweerder heeft bij besluit van 16 augustus 2011 eiser een verblijfsvergunning regulier verleend onder de beperking “verblijf bij partner” met ingang van 3 augustus 2011 tot 3 augustus 2012. Bij besluit van 4 oktober 2012 is deze vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken. Verweerder heeft het bezwaar tegen deze intrekking bij besluit van 4 januari 2013 ongegrond verklaard. Deze rechtbank, zittingsplaats Assen, heeft het beroep van eiser tegen het besluit van 4 januari 2013 bij uitspraak van 18 juni 2013 ongegrond verklaard (AWB 13/899).

Op 9 januari 2013 heeft eiser opnieuw een aanvraag voor een vergunning onder de beperking “verblijf bij partner” aangevraagd. Bij besluit van 25 april 2013 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verweerder heeft het door eiser tegen dit besluit ingediende bezwaar bij beschikking van 24 juni 2013 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 november 2013 heeft deze rechtbank het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard (AWB 13/16559).

Op 21 januari 2014 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij het bestreden besluit deze aanvraag afgewezen.

3.

Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij van 2008 tot en met juli 2011 voor de Amerikanen heeft gewerkt. Op 23 mei 2011 lagen er een drietal dreigbrieven van de Taliban op de binnenplaats van eisers woning. Eiser heeft deze brieven aan de Amerikanen gegeven, die de brieven hebben vernietigd. Eiser heeft vanaf dat moment niet meer in zijn eigen woning verbleven tot aan zijn vertrek naar Nederland op 15 juli 2011. Op 28 april 2012 heeft eiser van zijn zus vernomen dat zijn vader door de Taliban om het leven is gebracht.

4.

Verweerder heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat eiser niet voor toelating in aanmerking komt en dat uitzetting niet achterwege hoeft te blijven. Eiser heeft pas na intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier en afwijzing van een opvolgende reguliere aanvraag tot verblijf bij zijn partner om asiel verzocht, hetgeen afbreuk doet aan zijn gestelde vrees. Eisers werkzaamheden voor de Amerikanen worden niet in twijfel getrokken. De gestelde daaruit voortvloeiende problemen worden echter niet geloofwaardig geacht. Eiser komt op grond van zijn individuele relaas dan ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ook is er in Afghanistan geen sprake van een uitzonderlijke veiligheidssituatie. Verweerder verwijst hiertoe naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Afghanistan van 24 december 2013.

5.

Eiser heeft aangevoerd dat in redelijkheid niet aan hem kan worden tegengeworpen dat hij pas op een later moment asiel heeft aangevraagd. Ten onrechte meent verweerder dat dit afbreuk doet aan zijn gestelde vrees. Eiser heeft in de gronden van beroep een uitgebreide bespreking van de ongeloofwaardig geachte feiten gegeven. Hij heeft gewezen op de risico’s van het werken voor de Amerikanen. Ten onrechte heeft verweerder de dreigbrieven aangemerkt als oproepbrieven. Eiser heeft zich verder op het standpunt gesteld dat zich in Afghanistan een uitzonderlijke veiligheidssituatie voordoet.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

6.

In artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) staat vermeld op welke gronden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend.

7.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In het tweede lid, aanhef en onder c, is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling niet beschikt over een voor toegang tot Nederland vereist document voor grensoverschrijding, tenzij hij zich onverwijld onder opgave van de plaats waar of waarlangs hij Nederland is binnengekomen heeft vervoegd bij een ambtenaar, belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel wenst.

8.

Ingevolge artikel 3.35, derde lid, van het VV 2000, waarin artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 nader is uitgewerkt, worden de verklaringen van de vreemdeling, indien hij deze geheel of gedeeltelijk niet met documenten kan onderbouwen, geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

(…);

d. de vreemdeling heeft zijn aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten;

(…).

9.

Niet in geschil is dat eiser gedocumenteerd en op legale wijze Nederland is binnengereisd en dat hem niet tegen is geworpen dat hij zich niet onverwijld heeft gemeld op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

10.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is artikel 3.35, derde lid, aanhef en onder d, van het VV 2000, evenmin van toepassing nu eiser is aangemerkt als een gedocumenteerde vreemdeling. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit echter wel op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eiser zich pas op 25 november 2013 heeft gemeld om asiel aan te vragen op voorhand ernstige afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van eisers verklaringen. Nu verweerder geen omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 aan eiser heeft tegengeworpen en artikel 3.35 derde lid, van het VV 2000 evenmin van toepassing is, heeft verweerder ten onrechte gemeend dat er op voorhand afbreuk wordt gedaan aan zijn verklaringen. Aldus heeft er een verkapte beoordeling plaatsgevonden in het licht van de positieve overtuigingskracht. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat deze beoordeling niet dragend is voor verweerders afwijzing van de asielaanvraag en overweegt hiertoe het volgende.

11.

De voorzieningenrechter stelt op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting vast dat verweerder de werkzaamheden van eiser voor de Amerikanen geloofwaardig heeft geacht, maar dat aan het ontvangen van de dreigbrieven van de zijde van de Taliban geen geloof wordt gehecht. Voorts wordt ook de dood van de vader van eiser als gevolg van eisers problemen met de Taliban niet geloofwaardig geacht.

12.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder eisers verklaringen met betrekking tot de dreigbrieven in redelijkheid ongeloofwaardig kunnen vinden gelet op de algehele gang van zaken zoals eiser deze heeft geschetst. Eiser heeft verklaard dat de brieven door de Amerikaanse soldaat bij wie hij melding hiervan maakte werden verscheurd, dat er verder geen acties werden ondernomen en dat eiser nadien, zonder problemen maar ook zonder bijzondere bescherming, voor de Amerikanen kon blijven werken tot aan zijn vertrek uit Afghanistan, twee maanden later. Eiser heeft voorts ook geen bewijs van het ontvangen van deze brieven over kunnen leggen. De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder deze gang van zaken als zeer bevreemdingwekkend heeft kunnen classificeren. Dat uit de algemene informatie inzake Afghanistan naar voren komt dat de Taliban daadwerkelijk dreigbrieven verspreidt onder de Afghaanse bevolking maakt dit niet anders. Daarmee heeft eiser immers nog niet aannemelijk gemaakt dat hij zelf brieven van de Taliban heeft ontvangen. Voorts heeft verweerder eisers verklaringen met betrekking tot de gestelde dood van zijn vader ook niet geloofwaardig hoeven achten. Eiser heeft gezegd dat hij van zijn zus in 2012 heeft vernomen dat zijn vader om het leven is gebracht door de Taliban. Hij weet echter niets te vertellen over de toedracht, plaats en tijd. Hij heeft sindsdien naar zijn zeggen nimmer meer contact met zijn zus of andere familieleden gehad en zegt dat hij zijn zus niet kan bereiken. Gelet op deze verklaringen van eiser volgt de voorzieningenrechter het standpunt van verweerder dat de gestelde dood van eisers vader niet geloofwaardig is te achten.

13.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) vloeit het volgende voort. Indien en voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat de door een vreemdeling in zijn asielrelaas gestelde feiten en omstandigheden met inbegrip van diens eventuele vermoedens die deel uitmaken van gebeurtenissen die volgens het asielrelaas hebben plaatsgevonden geloofwaardig worden geacht, en in zoverre als vaststaande feiten en omstandigheden moeten worden aangenomen, is het vervolgens aan hem om te beoordelen of deze feiten en omstandigheden kwalificeren als rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. In het kader van die beoordeling vindt de beoordeling van de plausibiliteit van de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat, plaats. Van die beoordeling maakt voorts deel uit de beantwoording van de vraag of, indien en voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat plausibel worden geacht, deze ook voldoende zwaarwegend zijn voor verlening van voormelde verblijfsvergunning (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 17 februari 2010, JV 2010/139).

14.

De beoordeling door verweerder van de vermoedens die deel uitmaken van de gebeurtenissen, behoort tot de beoordelingsruimte van verweerder en kan slechts terughoudend getoetst worden. Dat geldt niet voor de beoordeling van de vermoedens over wat de vreemdeling te wachten staat, voor zover deze is gebaseerd op geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden en voor de vraag of deze voldoende zwaarwegend zijn voor verlening van een asielvergunning. Die beoordeling dient vol getoetst te worden.

15.

Gelet op dit toetsingskader dient verweerder met betrekking tot de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden te beoordelen, of de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat, plausibel zijn, en vervolgens of deze ook voldoende zwaarwegend zijn voor verlening van een asielvergunning.

16.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder eisers werkzaamheden voor het Amerikaanse leger geloofwaardig heeft geacht. In rechtsoverweging 12 heeft de voorzieningenrechter al geoordeeld dat verweerder door eiser gestelde problemen naar aanleiding van zijn werkzaamheden ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Vreemdelingen die deze werkzaamheden hebben verricht, worden volgens het beleid van verweerder op basis van de beschikbare landeninformatie over Afghanistan, neergelegd in C7/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, niet aangemerkt als risicogroep. Het louter hebben verricht van werkzaamheden voor de Amerikanen wordt door verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht onvoldoende geacht voor de conclusie dat er gegronde vrees is voor vervolging dan wel voor een onmenselijke behandeling. Ten aanzien van dit wel geloofwaardig geachte element van eisers asielrelaas heeft verweerder daarom terecht bepaald dat dit niet kan leiden tot verlening van een asielvergunning.

17.

Eiser heeft tot slot een beroep gedaan op subsidiaire bescherming in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de Vw 2000, nu de veiligheidssituatie in Afghanistan zeer slecht is. De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de Vw 2000 uitsluitend bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op de in dat artikelonderdeel bedoelde bedreiging. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie als hiervoor omschreven. De beschikbare landeninformatie biedt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor het standpunt dat daarvan sprake is in Afghanistan. Voor dit oordeel wordt verwezen naar het door verweerder aangehaalde algemene ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 24 december 2013 (bladzijde 25 e.v.). De slotsom is dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de situatie in Afghanistan niet zodanig ernstig is dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie in de zin van deze bepaling. Wat eiser op dit onderdeel heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

18.

Eiser heeft gezien het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom terecht afgewezen.

19.

Het beroep is ongegrond.

20.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

21.

Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th de Roos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2014.

Afschrift verzonden op: 27 februari 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.