Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:2868

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
10-03-2014
Zaaknummer
VK-14_2693
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin III van toepassing. Toepassing artikel 6:22 van de Awb. Asielaanvraag van na 1 januari 2014. Overnameverzoek van 22 november 2013 valt onder overgangsbepaling van artikel 41 Dublin III.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 14/2693 en 14/2698 (VV), 14/2700 en 14/2702 (VV)

V-nummers: [V-nummer eiser]en [V-nummer eiseres]

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 26 februari 2014 in de zaken tussen

[eiser], eiser, en

[eiseres], eiseres,

gemachtigde mr. J.C.A. Koen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. Hadfy-Kovacs.

Procesverloop

Bij besluiten van 3 februari 2014 (hierna: de bestreden besluiten), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), zijn de asielaanvragen van eisers afgewezen.

Op 3 februari 2014 hebben eisers tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en zij hebben de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op hun beroepen is beslist.

De behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden op 20 februari 2014. Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. drs. L.J. Blijdorp als waarnemer voor mr. J.C.A. Koen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A. Nieuwland-Helou, tolk in de Arabische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Aangezien nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) onmiddellijk op het beroep worden beslist. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag eiser]1979 en de Syrische nationaliteit te bezitten. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag eiseres] 1989 en eveneens de Syrische nationaliteit te bezitten. Eisers zijn met elkaar gehuwd. Op 28 januari 2014 heeftzij aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

3.

Eisers hebben aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft problemen met het regime in Syrië en met de oppositie. Hij is meermalen gearresteerd en hij is benaderd door extremistische groepen om mee te doen aan de Jihad. Eiser heeft al zijn bezittingen gebruikt om zijn vlucht te kunnen betalen. Eiseres heeft verklaard dat zij met haar man is gevlucht om hun levens te redden. Eisers willen geen asiel in Italië omdat zij daar slecht zijn behandeld. Zij verwachten daar hetzelfde mee te maken als in Syrië. Daarom hebben zij in Nederland asiel aangevraagd.

4.

Verweerder heeft bij de bestreden besluiten deze aanvragen afgewezen. Daarbij is verweerder tot de conclusie gekomen dat eisers niet voor toelating in aanmerking komen omdat Italië verantwoordelijk is voor behandeling van hun asielaanvragen. Verweerder wijst erop dat op 22 november 2013 aan Italië op grond van artikel 10 van Verordening (EG) nr. 343/2003 (hierna: Dublin II) is verzocht om eisers over te nemen en dat op dit verzoek niet binnen twee maanden is gereageerd. Op grond van artikel 18, zevende lid, van Dublin II staat daarmee sedert 23 januari 2014 de verantwoordelijkheid van Italië vast, aldus verweerder.

5.

Eisers hebben aangevoerd dat overdracht aan Italië in strijd is met artikel 3 van het van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EHRM). Er is sprake van systeemfouten in de Italiaanse asielprocedure die tot een onmenselijke behandeling leiden. Naar de mening van eisers is verweerder er niet in geslaagd om met feiten en omstandigheden aan te tonen dat vertrouwen kan worden gesteld in de naleving door Italië van de verdragsverplichtingen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd gereageerd op de zienswijze van eisers. Eisers zijn voorts van mening dat Verordening (EG) nr. 604/2013 (hierna: Dublin III) op hun asielaanvraag van toepassing is in plaats van Dublin II. Daaruit volgt dat ingevolge artikel 3, tweede lid, van Dublin III, gelet op de systeemfouten in de Italiaanse procedure, Nederland de behandeling van de asielaanvragen van eisers aan zich dient te houden, aldus eisers.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

6.

Allereerst dient beoordeeld te worden of Dublin II dan wel Dublin III in het geval van eisers van toepassing is.

7.

Artikel 49 van Dublin III luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Zij is van toepassing op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend vanaf de eerste dag van de zesde maand na de inwerkingtreding ervan (lees: 1 januari 2014, toevoeging voorzieningenrechter), en is vanaf die dag van toepassing op elk verzoek tot overname of terugname van verzoekers, ongeacht de datum waarop het verzoek is ingediend. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór die datum is ingediend, wordt bepaald volgens de in Verordening (EG) nr. 343/2003 vastgestelde criteria.

Ingevolge artikel 20, tweede lid, van Dublin III wordt een verzoek om internationale bescherming wordt geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de verzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Bij een niet-schriftelijk verzoek dient de termijn tussen de intentieverklaring en het opstellen van een proces-verbaal zo kort mogelijk te zijn.

Ingevolge artikel 41 van Dublin III wordt bij verzoeken die na de in artikel 49, tweede alinea, genoemde datum worden ingediend, ook rekening gehouden met de feiten op grond waarvan krachtens deze verordening de verantwoordelijkheid aan een lidstaat kan worden toegeschreven, als ze dateren van vóór die datum, uitgezonderd in de in artikel 13, lid 2, genoemde gevallen.

8.

Uit het proces-verbaal van verhoor van 18 november 2013, ter vaststelling van hun identiteit en nationaliteit, blijkt dat eisers op die datum hun wens om asiel in Nederland aan te vragen kenbaar hebben gemaakt. Deze wensuiting dient aangemerkt te worden als een asielverzoek in de zin van de Dublin III. In artikel 20, tweede lid, van de Dublin III wordt een onderscheid gemaakt tussen het asielverzoek en de formele indiening daarvan. De voorzieningenrechter stelt vast dat de asielaanvragen van eisers op 28 januari 2014 formeel zijn ingediend, nu op die datum gebruik is gemaakt van het daartoe bestemde formulier. Daartoe wordt ook verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 maart 2012, zaaknummer 201007428/1/V4, die betrekking heeft op artikel 4, tweede lid, van Dublin II dat nagenoeg gelijkluidend is als artikel 20, tweede lid, van Dublin III.

9.

De voorzieningenrechter komt op grond hiervan tot de conclusie dat Dublin III van toepassing is op de asielaanvragen van eisers. Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat dit thans, anders dan in de bestreden besluiten, ook zijn standpunt is.

10.

Uit de stukken blijkt dat op 18 november 2013 vingerafdrukken van eisers door verweerder aan Eurodac zijn gezonden en raadpleging van Eurodac heeft uitgewezen dat eisers de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie via Italië hebben overschreden. Verweerder heeft op 22 november 2013 aan Italië verzocht om eisers over te nemen op grond van artikel 10, eerste lid, van Dublin II. Uit de stukken blijkt dat de termijn van twee maanden waarbinnen op het overnameverzoek moet worden gereageerd ongebruikt is verstreken. Op grond van artikel 18, zevende lid, van Dublin II moet Italië worden geacht na ommekomst van deze termijn de overnameverzoeken te hebben aanvaard.

11.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betreft het hier feiten, als bedoeld in artikel 41 van Dublin III, die dateren van vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening, op grond waarvan de verantwoordelijkheid voor eisers aan Italië kan worden toegeschreven. De stelling van eisers dat de stilzwijgende aanvaarding door Italië buiten beschouwing dient te blijven, volgt de voorzieningenrechter daarom niet.

12.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bestreden besluiten van een onjuiste rechtsgrondslag zijn voorzien, nu verweerder daarin is uitgegaan van de toepasselijkheid van Dublin II. Hij ziet echter aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De voorzieningenrechter heeft geconstateerd dat de voor eisers relevante bepalingen niet zijn veranderd. In dit verband wordt gewezen op de artikelen 10 en 18, zevende lid, van Dublin II ten opzichte van de artikelen 13 en artikel 22, zevende lid, van Dublin III. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn eisers dan ook door de foutieve toepassing van Dublin II niet in hun belangen geschaad.

13.

Ten aanzien van de stelling van eisers dat zij bij terugkeer naar Italië blootstaan aan een reëel risico van schending van artikel 3 van het EVRM, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

14.

Eisers hebben gesteld dat teveel misstanden zijn gesignaleerd in overweldigende negatieve rapportages en dat zij deze misstanden ook zelf hebben ervaren. Zij zijn van mening dat verweerder zich niet achter het interstatelijk vertrouwen in Italië kan verschuilen. Zij hebben gewezen op het rapport van Nils Mulznieks van 18 september 2012; “Dublin II Regulation, Lives on hold” van 3 februari 2013, Annual Report 2013 van Amnesty International; het rapport van de Special Reporteur on the human rights of migrants, 29 september – 8 oktober 2012, van de UN Human Rights Council van 30 april 2013; het rapport “2012 Country Reports on Human Rights Practices – Italy”, van 19 april 2013.

15.

Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht verwezen naar het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 april 2013 (zaaknummer 27725/10). Het EHRM heeft overwogen dat de behandeling van vreemdelingen in Italië zowel als asielzoeker als statushouder, niet de ondergrens raakt die vereist is om binnen het bereik van artikel 3 van het EVRM te vallen. Weliswaar kan er in Italië ten aanzien van de algemene situatie en leefomstandigheden voor asielzoekers en vluchtelingen sprake zijn van onvolkomenheden, maar niet is aangetoond dat sprake is van een systematische tekortkoming in de ondersteuning van asielzoekers of voorzieningen gericht op asielzoekers als kwetsbare groep zoals het geval was in de zaak van M.S.S tegen België en Griekenland. De voorzieningenrechter wijst voorts op de arresten van het EHRM 18 juni 2013 (zaaknummer 73874/11) en 27 augustus 2013 (zaaknummer 40524/10), waarin eveneens is geoordeeld dat de genoemde ondergrens door Italië niet is overschreden.

16.

Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen grond is voor de conclusie dat Italië de bepalingen van het EVRM niet naleeft. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de door eisers genoemde rapporten dateren van voor deze arresten.

17.

Ten aanzien van de klachten van eisers over de gedragingen van de Italiaanse kustwacht overweegt de voorzieningenrechter dat eisers zich daarover bij de Italiaanse autoriteiten hadden kunnen beklagen. Nu eisers dit hebben nagelaten kan niet vastgesteld worden of Italië op dit punt in gebreke is gebleven.

18.

De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat terugkeer van eisers naar Italië een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM met zich brengt en dat verweerder om die reden de behandeling van de asielverzoeken aan zich dient te trekken.

19.

De beroepen zijn ongegrond.

20.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

21.

Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op: 26 februari 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.