Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:2747

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2014
Datum publicatie
20-03-2014
Zaaknummer
AWB-13_7320
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:1878, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob. Digitaal Dossier Jeugdgezondheidszorg. Geen bestuurlijke aangelegenheid.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2014-0092
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/7320

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2014 in de zaak tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RTL Nederland B.V., te Hilversum, eiseres

(gemachtigde: : R.J.E. Vleugels),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. R. van Dam).

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder een verzoek van eiseres op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Bij besluit van 1 augustus 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2014.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [A].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [B].

Overwegingen

1

Het Digitaal Dossier Jeugdgezondheidszorg (DD JGZ) is een medisch dossier en wordt gebruikt door artsen, verpleegkundigen en assistenten die werkzaam zijn in de jeugdgezondheidszorg. De gegevens worden verzameld met als doel het kunnen volgen van de gezondheid en de ontwikkeling van kinderen. Geanonimiseerd en op geaggregeerd niveau worden de gegevens uit het DD JGZ ook gebruikt door de JGZ-organisatie en aangeleverd aan de Inspectie voor de Volksgezondheid en bijvoorbeeld gemeenten.

2

Eiseres heeft verzocht om een reeks gegevens van alle personen in het DD JGZ per persoon, geanonimiseerd en niet tot de persoon herleidbaar.

3

Verweerder heeft het verzoek afgewezen omdat de informatie in het DD JGZ niet is te beschouwen als informatie die is neergelegd in een document met betrekking tot een bestuurlijke aangelegenheid. Voor zover al sprake zou zijn van een bestuurlijke aangelegenheid zou het verzoek volgens verweerder moeten worden afgewezen omdat de informatie niet onder de GGD Den Haag berust. Voorts heeft verweerder gesteld dat de informatie in de vorm waarin eiseres die wil ontvangen (geanonimiseerd en niet-herleidbaar) niet beschikbaar is. Aan het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften, ten grondslag gelegd dat de gegevens in het DD JGZ niet vallen onder de definitie van bestuurlijke aangelegenheid.

4

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder een onjuiste interpretatie heeft gegeven van hetgeen is verzocht in het Wob-verzoek. In het Wob-verzoek wordt een deel van het digitale databestand opgevraagd, zo gekozen dat er niet gevraagd wordt om een kinddossier. Er wordt gevraagd om een deel van het databestand dat vergelijkbaar is met de informatie die bestuursorganen ook opvragen vanwege de voorbereiding en uitvoering van beleid en om te kunnen monitoren hoe het met de populatie gaat of hoe het beleid uitpakt. Hoewel het DD JGZ in zijn primaire en integrale toepassing een medisch dossier is, wordt het tegelijk, indien ontdaan van herleidbaarheid naar individuele mensen, op vele manieren gebruikt en in die positie valt het onder de Wob. Daar waar de reikwijdte van de lex specialis van de medische wetten ophoudt start de mogelijkheid voor bestuursorganen, en dus ook voor verzoekers via de Wob, om toegang te hebben tot die niet herleidbare delen.

5

Ter beoordeling staat of verweerder terecht de afwijzing van het verzoek heeft gehandhaafd omdat geen sprake is van een bestuurlijke aangelegenheid.

6

Een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob is een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan. Eiseres wil met haar verzoek inzage krijgen in de per persoon bijgehouden gegevens uit het DD JGZ die ten grondslag liggen aan het beleid van verweerder. Verweerder heeft gesteld dat de gegevens zoals opgenomen in het DD JGZ niet beleidsmatig worden gebruikt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van verweerder onjuist is. De per persoon geregistreerde gegevens uit het DD JGZ hebben dan ook geen betrekking op een bestuurlijke aangelegenheid. De omstandigheid dat rapporten waarin de gegevens zijn verwerkt tot een geaggregeerd bestand mogelijk aan beleid van verweerder ten grondslag worden gelegd, maakt niet dat de onderliggende gegevens uit het DD JGZ in dat geval wel binnen de reikwijdte van het begrip bestuurlijke aangelegenheid vallen. Immers, het beleid is in dat geval niet direct gebaseerd op de gegevens uit het DD JGZ, maar op de geaggregeerde gegevens in een rapport. Deze rapporten kunnen, voor zover ze door verweerder ten grondslag zijn gelegd aan beleid, mogelijk wel worden gezien als informatie over een bestuurlijke aangelegenheid. Eiseres heeft echter niet verzocht om dergelijke rapporten.

7

Verweerder heeft de afwijzing van het verzoek van eiseres op goede gronden gehandhaafd.

8

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Allewijn, voorzitter, en mr. K. Schaffels en mr.dr. Th.L. Bellekom, leden, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.