Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:2719

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-02-2014
Datum publicatie
07-03-2014
Zaaknummer
C-09-459825 - JE RK 14-326
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Kinderrechter

Rekestnummer: JE RK 14-326

Zaaknummer: C/09/459825

Datum beschikking: 24 februari 2014

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op het op 5 februari 2014 ingekomen verzoekschrift van:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, vestiging Den Haag Centrum/Scheveningen (verder: Bureau Jeugdzorg),

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

kind van:

[A],

de moeder,

wonende te[woonplaats],

en erkend door

[B],

de moeder,

wonende te [woonplaats],

die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

De minderjarige verblijft feitelijk bij de vader.

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift, met als bijlagen het hulpverleningsplan en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling.

Op 24 februari 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld.

Hierbij zijn verschenen:

• de heer [X], namens Bureau Jeugdzorg;

• de vader, vergezeld van zijn partner;

• de moeder, vergezeld van haar echtgenoot en bijgestaan door haar advocaat, mr. J.A.C. van der Blink.

Feiten

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 25 februari 2013 de minderjarige onder toezicht gesteld van 25 februari 2013 tot 25 februari 2014.

Voorts heeft de kinderrechter bij beschikking d.d. 26 augustus 2013 aan Bureau Jeugdzorg machtiging verleend de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader van 26 augustus 2013 tot 25 februari 2014.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar, alsmede tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van de ondertoezichtstelling. Blijkens het verzoekschrift heeft Bureau Jeugdzorg hier het volgende aan ten grondslag gelegd.

De opvoedsituatie van de minderjarige is aanzienlijk verbeterd sinds hij bij de vader is geplaatst. Zijn gedragsproblemen zijn echter verergerd. De komende tijd moet er daarom meer hulpverlening voor hem worden geregeld. Ook moet er een goede omgangsregeling met zijn moeder tot stand komen, moeten de ouders beter gaan samenwerken en moeten hun pedagogische kwaliteiten worden versterkt. Tot slot moet de vader zorgen voor wijziging van de hoofdverblijfplaats zodat deze bij hem wordt bepaald. De heer[X] heeft namens Bureau Jeugdzorg in aanvulling op het verzoekschrift aangegeven dat er opvoedondersteuning moet komen en dat met de school is afgesproken dat de minderjarige een psychologisch onderzoek zal ondergaan vanwege het gedrag van de minderjarige daar. Er moet duidelijkheid komen wat voor hulp de minderjarige daarvoor nodig heeft. Daarnaast heeft de heer [X] opgemerkt dat Nederlandse kinderbeschermingsmaatregelen nog steeds zinvol zijn, ondanks dat de minderjarige bij de vader in[woonplaats] woont. Ook vindt hij het niet nodig dat de uitvoering van de maatregelen wordt overgedragen aan een Bureau Jeugdzorg gelegen in Limburg.

De vader heeft ingestemd met het verzochte. De vader heeft naar voren gebracht dat het naar omstandigheden goed gaat met de minderjarige. De minderjarige heeft duidelijk sturing nodig. Voorts is hij bezig met het wijzigen van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. Hij heeft bestreden dat hij het financieel moeilijk heeft.

De moeder heeft enkel verweer gevoerd tegen de duur van de machtiging uithuisplaatsing. De moeder heeft verklaard ontevreden te zijn over de huidige gang van zaken. De omgang van de minderjarige komt niet goed van de grond. Wel lijkt de minderjarige redelijk te functioneren bij de vader. Ze heeft zorgen over de financiële situatie van de vader.

De advocaat heeft opgemerkt dat de omgangsregeling tussen de minderjarige en de moeder niet naar wens verloopt. De moeder heeft daarnaast zorgen over de financiële positie van de vader en is haar verhouding met hem niet optimaal. Tot slot heeft de minderjarige ook gedragsproblemen. De advocaat heeft geconcludeerd tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van één en tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voor de periode van zes maanden.

Beoordeling

Bevoegdheid

De kinderrechter constateert dat de minderjarige al enige tijd bij de vader in [woonplaats] woont. Zij heeft zich daarom ambtshalve de vraag gesteld of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het verzoek. Zij beantwoordt deze vraag positief en overweegt hierover als volgt.

Krachtens artikel 8 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 is bevoegd de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan een kind zijn gewone verblijfplaats heeft ten tijde van de indiening van het verzoekschrift. De kinderrechter stelt vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige op dit moment nog op zijn oude adres bij de moeder kan worden vastgesteld. Immers, een uithuisplaatsing heeft in beginsel een tijdelijk karakter en er is nog geen overeenstemming tussen ouders dan wel een rechterlijke beslissing waarbij de hoofdverblijfplaats van de minderjarige is gewijzigd.

Indien evenwel de verblijfplaats van de minderjarige ook na ommekomst van de verlenging van de maatregelen nog steeds bij vader zal zijn danwel indien de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij beschikking of overeenstemming tussen ouders is gewijzigd naar vader in [woonplaats], moeten partijen voor de eventuele verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen er rekening mee houden dat de Haagse rechtbank niet langer bevoegd is.

Inhoudelijke beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen als verzocht. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat gelet op de moeizame verhouding van de ouders, een gezinsvoogd nodig is om te bevorderen de ouders eensgezind te laten optreden bij de opvoeding van de minderjarige.

Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat in augustus 2013 de kinderrechter in het belang van de opvoeding en verzorging van de minderjarige een machtiging voor plaatsing bij de vader heeft gegeven. De gronden daarvoor zijn nog steeds aanwezig. De kinderrechter ziet geen aanleiding om de machtiging in duur te bekorten omdat er geen plannen met de inhoud dat de minderjarige binnenkort naar de moeder zal terugkeren, liggen. Zij merkt hierbij wel op dat het persoonlijkheidsonderzoek nog afgenomen moet worden en dat er aandacht moet zijn voor de omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige van 25 februari 2014 tot 25 februari 2015 met behoud van de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg,

en

verlengt de aan de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden verleende machtiging de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader van 25 februari 2014 tot 25 februari 2015, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 februari 2014, in tegenwoordigheid van mr. Y.D. David als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.