Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:2409

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
11/6045
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militair ambtenarenrecht. Besluit Draaginsigne Gewonden. Afwijzing verzoek om in aanmerking te komen voor toekenning van het Draaginsigne Gewonden.

Wetsverwijzingen
Wet aanpassing bestuursprocesrecht 1, geldigheid: 2014-02-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 11/6045

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 februari 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.M. van Breet),

en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. drs A.J. Verdonk).

Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser van 31 augustus 2009 afgewezen om hem in aanmerking te laten komen voor toekenning van het Draaginsigne Gewonden (DIG).

Bij besluit van 10 juni 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De behandeling van het beroep is uitgesteld in afwachting van de uitkomsten van een militaire geneeskundig onderzoek (MGO) dat eiser op 18 oktober 2011 zou ondergaan.

Bij brief van 25 mei 2012 is het MGO-rapport van 23 januari 2012 overgelegd. Partijen hebben daarna op dit rapport gereageerd, eiser onder overlegging van nadere stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2013.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen zijn behandelend psychiater kolonel-arts dr. H.G.J.M. Vermetten (hierna: Vermetten).

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2.

Ingevolge artikel 2, onderdeel a, van het Besluit Draaginsigne Gewonden (Besluit DIG) kan het Draaginsigne Gewonden worden toegekend aan alle Nederlandse (gewezen) militairen die het Koninkrijk dienen of hebben gediend onder oorlogsomstandigheden of daarmee overeenkomende situaties inclusief internationale vredesmissies binnen en buiten het verband van de Verenigde Naties.

Ingevolge artikel 4 van het Besluit DIG zal toekenning van het DIG geschieden aan degene die lichamelijk gewond is geraakt, dan wel psychisch letsel ondervindt/heeft ondervonden ten gevolge van plichtsvervulling onder de onder 2a en 2b genoemde omstandigheden.

Onder punt 4 van de Richtlijnen m.b.t. toekenning DIG is vermeld:

Toekenningscriteria voor het DIG zijn:

• er moet sprake zijn van een ernstige lichamelijke verwonding en/of een psychisch letsel of een daarmee vergelijkbare aandoening met blijvende gevolgen;

• het voorval moet hebben plaatsgevonden tijdens plichtsvervulling als militair;

• er moet sprake zijn (geweest) van oorlogsomstandigheden of daarmee overeenkomende situaties (zoals crisisbeheersingsoperaties);

• de rechthebbende moet in leven zijn op het moment van uitreiking.

a. Verwonding

Voor de bepaling van de aard en de ernst van een verwonding geldt in ieder geval dat ingrijpen door een arts en hospitalisatie (operatieve ingreep) en/of repatriëring moet hebben plaatsgevonden. Verwondingen die geen of nauwelijks behandeling behoeven en verwondingen die ter plaatse zijn behandeld, leiden niet tot toekenning. Naast de aard en de ernst van een verwonding, wordt tevens rekening gehouden met de

omstandigheden waaronder deze verwonding is opgedaan: het ongeval moet een direct gevolg zijn van activiteit of invloed van de strijdende partij(en). Ongevallen die zich voordoen zonder dat er sprake is van een dergelijke relatie (b.v. verkeers-ongevallen), worden in beginsel niet als verwonding in de zin van het besluit

erkend. Verwondingen als gevolg van ongevallen door eigen vuur of eigen wapen, komen in beginsel niet in aanmerking voor toekenning. Indien de verwonding door eigen vuur het gevolg is van onvoorzichtigheid of nalatigheid van een mede militair, kan dit wel een grond zijn om over te gaan tot toekenning.

b. Psychisch letsel

Het vaststellen van de aard en ernst van psychisch letsel is aanzienlijk moeilijker dan het vaststellen van een lichamelijke verwonding. Psychisch letsel kan ook manifest worden vele jaren na de missie, de zogenaamde “posttraumatische stress stoornis (PTSS).

Psychisch letsel wordt als grond voor toekenning aanvaard:

• als betrokkene daarvoor is gerepatrieerd en ter behandeling is opgenomen c.q. ambulant behandeld is geweest;

• indien op een later tijdstip PTSS wordt vastgesteld;

• Indien uit de verklaring van H AIH, Hoofd afdeling psychiatrie/CMH, dan wel een civiele psychiater blijkt, dat het psychisch letsel het directe gevolg is van oorlogs- of daarmee vergelijkbare omstandigheden.

c. (…).

3.1.

Eiser is in 1976 opgekomen in militaire dienst en was werkzaam bij de geneeskundige dienst laatstelijk in de rang van adjudant. Hij is zes maal uitgezonden geweest, achtereenvolgens naar Saoedi Arabië (1991), Noord-Irak (1991), Bosnië (UNPROFOR 1992/1993), Bosnië (SFOR 1998), Kosovo (1999) en na indienen van zijn verzoek naar Afghanistan (2010). Per 1 maart 2012 is hem ontslag verleend met gebruikmaking van de regeling Flexibel Pensioen en Uittreden (FPU).

3.2.

Eiser heeft op 31 augustus 2009 als actief dienende militair verzocht in aanmerking te worden gebracht voor het DIG op basis van zijn uitzending naar Riaad, Saoedi Arabië. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft hij gesteld dat hij is blootgesteld aan zenuwgas en/of grondstoffen om deze te vervaardigen welke vrijkwamen na beschietingen of bombardement, aan pesticiden die vrij kwamen na bombardementen van fabrieken en loodsen die werden gebruikt als opslagplaatsen en aan zware (olie)luchtverontreiniging van in brand gestoken oliebronnen. Eiser stelde daardoor lichamelijke en psychische verwondingen (Golfoorlogsyndroom) te hebben opgelopen.

3.3.

Op 11 februari 2010 is een rapport van Medische Aangelegenheden uitgebracht. De diagnose luidde:

- klachten van houdings- bewegingsapparaat door onbekende oorzaak;

- PTSS-kenmerken, maar geen psychiatrische stoornis die klachten volledig verklaren.

3.4.

Na advies ingewonnen te hebben van de Centrale Adviescommissie Draaginsigne Gewonden (CADIG), heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat niet is gebleken van een ernstig klachtenpatroon.

3.5.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eisers behandelend psychiater Vermetten heeft geconstateerd dat geen etiologisch moment is aan te duiden dat de lichamelijke/psychische klachten heeft geprovoceerd en dat derhalve niet kan worden gesteld dat eisers psychische en/of lichamelijke klachten het gevolg zijn geweest van een activiteit of invloed van de strijdende partijen.

Het in beroep gereed gekomen MGO-rapport heeft verweerder, na ingewonnen advies van de CADIG, geen aanleiding gegeven het verzoek alsnog in te willigen. De conclusie van het MGO luidde dat eiser niet ongeschikt wordt bevonden voor het verder vervullen van de militaire dienst.

3.6.

Eiser stelt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat onvoldoende is onderzocht of eiser lijdt aan PTSS. Bij brief van 25 mei 2012 heeft eiser het volledige MGO-rapport en een recent schrijven van 10 mei 2012 van zijn behandelend arts Vermetten overgelegd. De behandelend arts is van mening dat tot enige tijd geleden de klachten werden begrepen in het kader van onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (OLK) passend bij een somatoforme stoornis NAO. Inmiddels zijn de klachten van eiser zijn geëvolueerd en is een ander beeld ontstaan over de klachten van eiser dat we kennen als een PTSS. Het is immers niet ongebruikelijk dat patiënten een periode kennen waarin er een preverbale of somatoforme presentatie is van de klachten, aldus Vermetten.

3.7.

Verweerder heeft hierop, na advies ingewonnen te hebben van de CADIG, bij brief van 19 juli 2012 gereageerd door te stellen dat uit het MGO-rapport van 23 mei 2012 niet een ander beeld naar voren komt dan ten tijde van het primaire besluit, dat Vermetten zijn diagnose PTSS niet heeft onderbouwd aan de hand van de DSM-IV-TR criteria, dat hij geen relatie legt met gebeurtenissen in het verleden, dat eiser niet is uitgevallen en dat Vermetten dus kennelijk slechts een werkdiagnose heeft gesteld.

3.8.

Bij brief van 6 september 2012 heeft Vermetten medegedeeld dat hij geen werkdiagnose heeft gesteld, maar een klinische diagnose en dat inmiddels met een passende behandeling gericht op de PTSS is gestart. Bij begeleidende brief heeft Vermetten alsnog de diagnose PTTS aan de hand van de DSM-IV-TR criteria onderbouwd. Hij heeft gesteld dat er sprake is van diverse potentieel traumatiserende ervaringen opgedaan tijdens de diverse uitzendingen en hij heeft de reden van de late diagnose onderbouwd. Hij heeft de beperkingen in het sociaal functioneren geduid en geconcludeerd dat er sprake is van een matig-ernstige vorm van PTSS.

3.9.

Bij brieven van 9 en 15 november 2012 heeft verweerder daarop gereageerd. De CADIG adviseert op basis van de voorgelegde medische gegevens om niet alsnog tot toekenning van het DIG over te gaan. Verweerder stelt dat Vermetten geen link heeft gelegd tussen door eiser ervaren beperkingen en gevechtshandelingen van strijdende partijen. Verder wijst verweerder erop dat eiser zelfs nog twee maanden langer dan het moment waarop hij met leeftijdsontslag kon gaan is blijven werken en in zijn loopbaan een gering ziekteverzuim heeft gekend.

3.10.

Eiser heeft vervolgens overgelegd:

- een schrijven van Vermetten van 11 februari 2013 aan de verzekeringsarts van het ABP, waarin hij nogmaals de diagnose PTSS onderbouwt en verklaart waarom deze diagnose niet eerder is gesteld. Vermetten stelt dat eiser een uitgebreide staat van potentieel traumatische ervaringen heeft en dat er bij eiser aanvankelijk sprake is geweest van dissimulatie. De lichamelijke klachten van eiser passen bij dat beeld;

- een besluit van verweerder van 4 april 2013, waarin in het kader van een aanvraag om een tegemoetkoming in de kosten van geneeskundige verzorging door verweerder verband tussen eisers PTSS en de uitoefening van de militaire dienst wordt aanvaard.

3.11.

Verweerder heeft bij brief van 23 juli 2013 medegedeeld dat de CADIG onverminderd adviseert dat eiser niet in aanmerking komt voor het DIG, omdat niet is te zeggen dat de klachten die als PTSS worden gekwalificeerd een direct gevolg zijn van activiteit of invloed van strijdende partijen.

3.12.

Eiser heeft bij brief van 26 november 2013 een verslag overgelegd waarbij hij uitvoerig ingaat op de door hem tijdens de zes uitzendingen meegemaakte traumatisch ervaringen. Voorts heeft eiser een verslag overgelegd van de klinisch psycholoog/psychotherapeut luitenant-kolonel drs. J.M. Ambaum van 25 november 2013 aangaande de behandeling van eisers PTSS.

3.13.

Ter zitting is gebleken dat eiser inmiddels op 4 juni 2013 een nieuwe aanvraag om toekenning van een draaginsigne gewonden heeft ingediend, waaraan hij ten grondslag heeft gelegd de bij hem ontstane PTSS het gevolg is van het totaal aantal door hem meegemaakte uitzendingen (zie 3.1).

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat uit de bewoordingen van artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit DIG blijkt dat het toekennen van het DIG een discretionaire bevoegdheid van verweerder is. Ter beantwoording van de vraag of iemand voor toekenning van het DIG in aanmerking komt, komt verweerder dan ook een ruime beoordelingsvrijheid toe. De rechtbank zal dus beoordelen of verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, voor zover inmiddels is komen vast te staan dat eiser lijdt aan een PTSS, in het kader van de onderhavig aanvraag niet is gebleken dat aan de overige voorwaarden voor toekenning van het DIG is voldaan. Immers niet is komen vast te staan dat het ontstaan van de PTSS het direct gevolg is van een aan geweldgebruik gerelateerde activiteit of invloed van strijdende partijen of derden tijdens eisers uitzending naar Saoedi Arabië. Eisers behandelend psychiater heeft gesteld dat eiser blootgesteld is geweest aan meerdere potentieel traumatiserende ervaringen, die de PTSS veroorzaakt kunnen hebben, maar hij heeft het ontstaan van de PTSS niet gerelateerd aan een specifieke traumatiserende ervaring tijdens de uitzending naar Saoedi Arabië.

4.3.

De rechtbank concludeert dat verweerder in redelijkheid de afwijzing van het verzoek van 31 augustus 2008 om het DIG heeft kunnen handhaven.

4.4.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, mr. H.W. Vogels, lid en M.P. Celie, generaal-majoor b.d., militair lid, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2014

tter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.