Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:2296

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
04-03-2014
Zaaknummer
C-09-434503 - HA ZA 13-28
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert nakoming van een aan hem verleend voorkeursrecht van koop (na overlijden verhuurster) op een pand dat hij al vele jaren huurt van de moeder van gedaagden. Gedaagden beroepen zich op overschrijding van de in de akte genoemde termijn voor aanvaarding. Kennisgeving van overlijden is niet gedaan op in akte vereiste wijze, noch op een manier waardoor voor eiser kenbaar is geweest of moest zijn aan wie als rechtsverkrijgenden hij een mededeling dat hij het pand wenste te kopen kon adresseren teneinde de termijn voor aanvaarding te sauveren. Het aanbod is daarom niet komen te vervallen door het verstrijken van de voor aanvaarding bepaalde termijn. De rechtbank oordeelt dat het onherroepelijk aanbod tijdig is aanvaard. De vordering tot verklaring voor recht dat gedaagden verplicht zijn tot medewerking aan de levering van het pand wordt toegewezen. De gevorderde schadevergoeding wegens het achterwege blijven van de levering van het pand, bestaande uit de betaalde huurpenningen, wordt afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK [woonplaats]

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/434503 / HA ZA 13-28

Vonnis van 19 februari 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M.C. Veltkamp-van Paassen te Den Haag,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A.H. Vermeulen te Den Haag,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats], Zwitserland,

gedaagde,

advocaat mr. Ch.M. van Beuningen te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 27 december 2012, met producties;

  • -

    de akte wijziging van eis van 1 mei 2013, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] van 7 augustus 2013;

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 2] van 7 augustus 2013, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 21 augustus 2013;

  • -

    de brief van [eiser] van 15 oktober 2013, met aanvullende producties;

  • -

    de brief van [eiser] van 17 oktober 2013, met een aanvullende productie;

  • -

    de brief van [gedaagde sub 1] van 18 oktober 2013, met een aanvullende productie;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 31 oktober 2013.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [A] (hierna: [A]), de moeder van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], hebben van 1971 tot 1989 een affectieve relatie gehad.

2.2.

Op 18 januari 1982 is [A] eigenaar geworden van het pakhuis met bovenwoning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het pand of, in na te noemen notariële akten: het registergoed).

2.3.

Op 20 januari 1992 hebben [eiser] en [A] de volgende afspraken op schrift gesteld en ondertekend:

Bij deze bevestigen ondergetekenden;

(…)

Hun in november 1988 mondelinge overeenkomst dat bij beeindiging van hun relatie van 15 jaar. het volgende is overeengekomen, dat mevr. [A] het pand [adres] bevattende beneden 2 werkruimtes t.b.v. prostitutie en boven dubbelwoonhuis, aan de hr. [eiser] verhuurt voor Fl; 500,00 (huur + pacht) per week.

Vervolgens is overeengekomen dat de hr. [eiser] het pand bij haar overlijden of zoveel eerder mevr. [A] uitkomt, hij dit in eigendom krijgt voor de som van Fl;115.000,00 (honderd vijftien duizend gulden)

Tevens komen alle onderhoudskosten en verbouwingen voor kosten van hr. [eiser].

Bijde tekenen deze overeenkomst uit vrije wil en overtuiging.”

2.4.

Op 21 november 1997 hebben [eiser] en [A] een notariële akte laten opmaken waarin onder meer het volgende is bepaald:

“- dat mevrouw [A] voornoemd aan de heer [eiser] voornoemd een voorkeursrecht tot koop met betrekking tot vorenomschreven registergoed heeft verleend, gelijk laatstgenoemde heeft aanvaard, onder de volgende bepalingen en bedingen:

1. indien mevrouw [A] of haar rechtsopvolgers onder algemene titel voornemens is (zijn) over te gaan tot vervreemding van vorenomschreven registergoed zal zij (zullen zij) verplicht zijn de heer [eiser] van dit voornemen schriftelijk in kennis te stellen;

2. de heer [eiser] heeft alsdan het recht van voorkeur op gemeld registergoed voor een koopprijs van éénhonderdvijftienduizend gulden (ƒ 115.000,), mits hij zich binnen drie maanden, nadat bedoelde mededeling door hem is ontvangen, dienaangaande heeft verklaard; (…)”

2.5.

Op 19 april 2006 hebben [A] en [eiser] ten kantore Caminada Notarissen een notariële akte, getiteld ‘Aanvullende optieovereenkomst/voorkeursrecht tot koop’ (hierna: de notariële akte) doen opmaken, waarin de volgende ‘nadere bepalingen voorkeursrecht’ zijn opgenomen:

Ingeval de eigenaar [rb: [A]] het voornemen heeft gedurende de overeengekomen huurtermijn het gemelde registergoed geheel of gedeeltelijk te vervreemden (…), alsmede ingeval van overlijden of faillietverklaring van de eigenaar, (…) heeft de gerechtigde [rb: [eiser]] het recht het gemelde registergoed te kopen en is de eigenaar, casu quo diens rechtverkrijgende(n), gehouden de gerechtigde daartoe in de gelegenheid te stellen, zulks overeenkomstig de navolgende bepalingen:

1. Ingeval van het voornemen tot vervreemding door de eigenaar, het overlijden of faillietverklaring van de eigenaar (…) geeft de eigenaar, casu quo diens rechtverkrijgende(n), terstond kennis daarvan aan de gerechtigde.

2. De gerechtigde heeft alsdan het recht tot koop van het registergoed, voor een koopprijs van zeventigduizend euro (EUR 70.000,00), mits hij binnen een termijn van drie maanden aan de eigenaar meedeelt of hij bereid is het registergoed te kopen.

3. Indien de gerechtigde verklaart van zijn voorkeursrecht gebruik te willen maken, zal de levering dienen te geschieden binnen één maand nadat deze verklaring door de eigenaar, casu quo diens rechtverkrijgende(n), werd ontvangen ten overstaan van één van de notarissen deel uitmakend van de maatschap Caminada Notarissen, te Rijswijk, Zuid-Holland. (…)

10. Oproepingen, kennisgevingen, mededelingen en, in het algemeen, alle berichten die bestemd zijn voor partijen, geschieden bij deurwaardersexploit dan wel bij brief met bewijs van ontvangst.

2.6.

[A] is op 6 april 2012 overleden, in aanwezigheid van [eiser]. [eiser] is tevens genoemd in het door [gedaagde sub 1] verzonden overlijdensbericht en was bij de crematie aanwezig.

2.7.

[eiser] heeft een ongedateerde brief met als onderwerp ‘Aanvullende Optieovereenkomst/Voorkeursrecht tot Koop 19 april 2006’ met de volgende inhoud verzonden aan Caminada Notarissen: “Geachte hr,

Bij deze verzoek ik u aan de erfgenamen van mevr. [A] mede te delen dat ik mijn recht op de overeenkomst betreffende overdracht [adres] zo spoedig mogelijk wil laten passeren en wel op uw kantoor. (…)” Op deze brief is handgeschreven vermeld “vóór 5 juni ontvangen”, waaronder een paraaf is geplaatst.

2.8.

Via Caminada Notarissen is voormelde brief door [gedaagde sub 1] na 1 augustus 2012 en door de advocaat van [gedaagde sub 2] op 27 augustus 2012 ontvangen. Bij brief van 6 december 2012 heeft kandidaat-notaris [notaris 1], verbonden aan Caminada Notarissen, aan [eiser] gemeld dat hij bovengenoemde brief op 1 augustus 2012 aan de erven [A] heeft gestuurd.

2.9.

Blijkens een akte van erfrecht van 8 oktober 2012 heeft [A] bij uiterste wilsbeschikking de wettelijke erfopvolging van toepassing verklaard, zodat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als haar erfgenamen zijn achtergelaten. Zij hebben blijkens die akte de nalatenschap beneficiair aanvaard bij akte van 25 juli 2012.

2.10.

[eiser] heeft op 17 november 2012 een brief met nagenoeg dezelfde inhoud als de achter 2.7 genoemde brief verzonden aan mr. [notaris 2], verbonden aan Koch Notarissen, die als notaris belast was met de afwikkeling van de nalatenschap van [A]. De ontvangst van deze brief is op 26 november 2012 door de betreffende notaris bevestigd, waarbij hij tevens heeft bericht dat het verzoek tot koop en levering van de [adres] aan de erfgenamen is meegedeeld.

2.11.

Bij brief van 28 november 2012 heeft de advocaat van [gedaagde sub 2] in reactie op de brief van 17 november 2012 het volgende aan [eiser] geschreven:

(…) Met erflaters overlijden d.d. 6 april jl. ving de termijn aan waarbinnen U een beroep mocht doen op dat recht, mits aan de erfgenamen medegedeeld per deurwaarders exploit of brief met bewijs van ontvangst.

Nog afgezien van het feit dat Uw brief aan notaris [notaris 2] d.d. 17 november jl. niet voldoet aan vorenvermelde criteria, verjaarde Uw recht op 6 juli jl. met het verstrijken van de in de akte genoemde periode. (…)

2.12.

Op 13 december 2012 is, na daartoe verleend verlof, op verzoek van [eiser] conservatoir beslag gelegd op de [adres] ter verzekering van zijn rechten.

2.13.

Bij aangetekend verstuurde brief van 17 december 2012 van de advocaat van [eiser] aan de advocaten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn gedaagden voor de laatste keer in de gelegenheid gesteld om hun medewerking aan het voorkeursrecht, althans de daaruit voortvloeiende koop en levering te verlenen. Hieraan is geen gehoor gegeven.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van gedaagden tot medewerking aan de verkoop en levering van de [adres] (hierna: het pand) aan [eiser], op verbeurte van een dwangsom en met bepaling dat dit vonnis in de plaats kan komen van de vereiste medewerking. Daarnaast vordert hij hoofdelijke veroordeling van hen tot betaling van € 6.250,−, vermeerderd met het bedrag waarop de wekelijkse huurprijs nader is vastgesteld voor iedere week na 27 december 2012 waarin de onroerende zaak niet aan hem geleverd is, met bepaling dat deze bedragen verrekend mogen worden met de door [eiser] te betalen koopsom.

3.2.

Hij legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat gedaagden hun verplichting op grond van de notariële akte om [eiser] in de gelegenheid te stellen het pand te kopen, dienen na te komen. Ter onderbouwing van deze vordering betrekt [eiser] - samengevat - de volgende stellingen. Primair stelt hij dat aan [eiser] een recht van koop van het pand is toegekend na het overlijden van [A] en dat hij herhaaldelijk, na het overlijden van [A] mondeling, en vervolgens schriftelijk, bij brief van 5 juni 2012 aan mr. [notaris 1] van Caminada Notarissen, waarover de notaris op 1 augustus 2012 een brief heeft verstuurd aan de erven, bij brief van 17 november 2012 aan Koch Notarissen en bij aangetekende brief van 17 december 2012, kenbaar heeft gemaakt gebruik te willen maken van het recht van koop, zodat de erven gehouden zijn tot medewerking aan de koop en levering. Subsidiair stelt [eiser] dat de termijn waarbinnen het voorkeursrecht moest worden ingeroepen, nog niet is aangevangen omdat de erven hem nog niet in de gelegenheid hebben gesteld om het pand te kopen, althans dat die termijn is aangevangen op respectievelijk 10 december 2012, 8 oktober 2012, 25 juli 2012, 6 april 2012. [eiser] vordert tevens schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad doordat het pand hem niet tijdig is geleverd. De schade die hij stelt te hebben geleden, bestaat uit de door hem na 5 juli 2012 betaalde en te betalen huurpenningen zolang het pand niet is geleverd.

3.3.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer. Zij voeren aan dat [eiser] het recht van koop niet tijdig heeft ingeroepen, kort gezegd omdat zij niet binnen drie maanden na het overlijden van [A] conform het bepaalde in artikel 10 van de akte een mededeling van [eiser] hebben ontvangen dat hij bereid is tot koop. Zij stellen dat de termijn is aangevangen op 6 april 2012 aangezien [eiser], gezien zijn aanwezigheid bij het overlijden en de crematie van [A] en gezien zijn vermelding op de rouwkaart, wist van het overlijden van [A], waarmee volgens hen de termijn als bedoeld in artikel 2 is aangevangen. Nu zij eerst op 27 augustus 2012 op de hoogte zijn geraakt van de wens van [eiser] tot koop en niet is voldaan aan de formaliteiten zoals bepaald in artikel 10 van de notariële akte, is de koopoptie volgens hen vervallen. Wat betreft de gevorderde schadevergoeding stellen zij zich op het standpunt dat deze schade niet is onderbouwd en [eiser] bij levering als eigenaar kosten had moeten maken in verband met het pand, welke kosten hij als huurder niet heeft gehad. Voor verrekening bestaat ten slotte volgens gedaagden geen grondslag.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 6:217 BW een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Het bepaalde in artikel 3:37 BW is van toepassing op de vraag of sprake is van een aanbod, respectievelijk aanvaarding, wat de inhoud ervan is en wanneer het aanbod, respectievelijk de aanvaarding is gedaan. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:219 lid 3 BW geldt een beding waarbij één der partijen zich verbindt om met haar een overeenkomst te sluiten, indien de wederpartij dit wenst, als een onherroepelijk aanbod. Op grond van artikel 6:223 lid 2 BW geldt een aanvaarding die te laat plaatsvindt, maar waarvan de aanbieder begrijpt of behoort te begrijpen dat dit voor de wederpartij niet duidelijk was, als tijdig gedaan, tenzij de aanbieder onverwijld meedeelt aan de wederpartij dat hij het aanbod als vervallen beschouwt. Ten slotte geldt op grond van artikel 6:224 BW dat indien een aanvaarding de aanbieder niet of niet tijdig bereikt door een omstandigheid op grond waarvan die aanvaarding krachtens artikel 3:37 lid 3 BW niettemin haar werking heeft, de overeenkomst geacht wordt tot stand te zijn gekomen op het tijdstip waarop zonder de storende omstandigheid de verklaring zou zijn ontvangen.

4.2.

Vaststaat dat [A] aan [eiser] een recht van koop van het pand heeft toegekend in geval van haar overlijden. De wil tot verlening van een recht van koop heeft zij laatstelijk door middel van een in de notariële akte vastgelegde verklaring geuit. Die verklaring behelst naar het oordeel van de rechtbank een onherroepelijk aanbod van [A] aan [eiser] om het pand te kopen in geval van haar overlijden, nu de verklaring alle essentiële elementen voor de totstandkoming van een koopovereenkomst bevat en voorts aan de aanvaarding van dat aanbod een termijn is verbonden. Aan de orde is een optiebeding in de zin van artikel 6:219 lid 3 BW.

4.3.

In geschil is of [eiser] voormeld aanbod tot koop van het pand na het overlijden van [A] tijdig heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. De rechtbank is op diverse, zelfstandige gronden van oordeel dat tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als rechtsopvolgers onder algemene titel van [A] een overeenkomst tot koop van het pand tot stand is gekomen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn om die reden verplicht om hun medewerking te verlenen aan de levering van het pand aan [eiser]. De rechtbank overweegt als volgt.

4.4.

Blijkens de notariële akte zijn de rechtverkrijgende(n) van [A] verplicht [eiser] in de gelegenheid te stellen tot koop van het pand overeenkomstig hetgeen verder is bepaald in de notariële akte. Dit betekent, voor zover hier relevant, blijkens het bepaalde achter 1 van die akte dat de rechtverkrijgende(n) [eiser] terstond kennis dienen te geven van haar overlijden, welke kennisgeving blijkens het bepaalde achter 10 van de akte geschiedt bij deurwaardersexploit dan wel bij brief met bewijs van ontvangst. [eiser] heeft blijkens het bepaalde achter 2 in de notariële akte ‘alsdan’ het recht tot koop van het pand, mits hij binnen drie maanden aan de rechtverkrijgende(n) meedeelt of hij bereid is het pand te kopen. Die mededeling dient blijkens het bepaalde achter 10 van de akte eveneens te geschieden bij deurwaardersexploit, dan wel bij brief met bewijs van ontvangst. Indien [eiser] verklaart gebruik te willen maken van zijn recht tot koop, zal vervolgens blijkens het bepaalde achter 3 van de notariële akte de levering geschieden binnen één maand nadat deze verklaring door de rechtverkrijgende(n) werd ontvangen ten overstaan van een notaris bij Caminada Notarissen.

4.5.

De genoemde kennisgeving van overlijden door de rechtverkrijgende(n) heeft naar het oordeel van de rechtbank tot doel te waarborgen enerzijds dat voor [eiser] kenbaar is of moet zijn dat de termijn voor aanvaarding van het aanbod aanvangt en anderzijds dat voor [eiser] kenbaar is of moet zijn wie de rechtverkrijgende(n) zijn en derhalve aan wie hij een (eventuele) mededeling dat hij bereid is het pand te kopen, moet adresseren teneinde tijdig te aanvaarden. De vormvereisten die aan het doen van een kennisgeving door de rechtverkrijgende(n) en aan de mededeling van [eiser] dat hij tot koop bereid is blijkens de notariële akte worden gesteld, strekken er naar het oordeel van de rechtbank toe te verzekeren dat de kennisgeving [eiser] bereikt, waarmee tevens vaststaat wanneer de termijn voor aanvaarding van het aanbod is aangevangen en dat de mededeling de rechtverkrijgende(n) bereikt, waarmee vaststaat wanneer sprake is van aanvaarding.

4.6.

De omstandigheden dat [eiser] bij het overlijden van [A], 6 april 2012, aanwezig was, hij op de rouwkaart vermeld is geweest en hij op de crematie is geweest, brengen naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer mee dat op die datum de termijn voor aanvaarding van het onherroepelijke aanbod van [A] is gaan lopen. Blijkens de notariële akte is voor de aanvang van die termijn immers een kennisgeving van de rechtverkrijgende(n) van overlijden van de eigenaar vereist. In confesso is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] [eiser] nimmer in hun hoedanigheid als rechtverkrijgenden van [A] in kennis hebben gesteld van het overlijden van [A] op de in de akte voorgeschreven wijze. Niet gesteld of gebleken is voorts dat zij in die hoedanigheid [eiser] in kennis hebben gesteld van het overlijden van [A] op een andere wijze, zodanig dat voor [eiser] kenbaar is geweest of moest zijn dat de termijn voor aanvaarding van het aanbod aanving en dat kenbaar is geweest of moest zijn aan wie als rechtverkrijgende(n) hij een mededeling dat hij het pand wenste te kopen, moest adresseren teneinde de termijn voor aanvaarding te sauveren. De wetenschap van [eiser] dat [A] was overleden en het vermoeden of de waarschijnlijkheid dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de rechtverkrijgende(n) van [A] zouden zijn, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Uit het vorenstaande vloeit voort, anders dan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bij wijze van verweer stellen, dat het onherroepelijke aanbod van [A] niet is komen te vervallen door het verstrijken van de voor aanvaarding bepaalde termijn.

4.7.

Nu vervolgens vaststaat dat [eiser] herhaaldelijk schriftelijk heeft verklaard dat hij het pand wenste te kopen én vaststaat dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] deze verklaring hebben ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Daargelaten of die verklaring mondeling is gedaan (hetgeen tussen partijen in geschil is), staat vast dat de eerste schriftelijke, ongedateerde mededeling van [eiser] aan Caminada Notarissen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in augustus 2012 heeft bereikt. Voor zover [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betogen dat deze schriftelijke verklaring geen werking heeft nu zij geen bewijs van ontvangst van die brief hebben afgegeven, gaat de rechtbank hieraan voorbij omdat vaststaat dat zij die schriftelijke verklaring in augustus 2012 hebben ontvangen, waarmee het doel van een bewijs van ontvangst is bereikt. Hoe dan ook, heeft te gelden dat een bewijs van ontvangst van de mededeling van [eiser] in ieder geval op 26 november 2012 door de boedelnotaris namens de rechtverkrijgende(n) is afgegeven, zodat naar het oordeel van de rechtbank laatstelijk op die datum een overeenkomst tot stand is gekomen en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook alsdan dienen mee te werken aan de levering van het pand.

4.8.

Los van het vorenstaande moet naar het oordeel van de rechtbank eveneens worden aangenomen dat een overeenkomst tot stand is gekomen indien, met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], wordt aangenomen dat de termijn voor aanvaarding is aangevangen op 6 april 2012. Gelet op het bepaalde in artikel 3:37 lid 3 BW lijdt de regel dat een verklaring die de geadresseerde niet of niet tijdig bereikt in beginsel geen werking verkrijgt uitzondering als dit niet of niet tijdig bereiken voor risico van de ontvanger komt. Die situatie doet zich alsdan in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank voor. Als ervan wordt uitgegaan dat de enkele wetenschap van [eiser] van het overlijden van [A] en het vermoeden of de waarschijnlijkheid dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de rechtverkrijgende(n) zijn van [A] voldoende zijn om de termijn voor aanvaarding te doen aanvangen, kan naar het oordeel van de rechtbank [eiser] niet worden tegengeworpen dat hij zijn schriftelijke mededeling dat hij bereid is tot koop niet aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als rechtverkrijgende(n) heeft doen toekomen, maar aan Caminada Notarissen. Dit nu van een kennisgeving door de rechtverkrijgende(n) als bedoeld in de notariële akte geen sprake is geweest, noch van een andere wijze van berichtgeving van hen met dezelfde strekking, de akte van erfrecht dateert van 8 oktober 2012 en [eiser] eerst na inschrijving hiervan in de openbare registers op de hoogte had kunnen zijn van de rechtverkrijgende(n) en de levering van het pand blijkens de notariële akte zou plaatsvinden ten overstaan van een notaris bij Caminada Notarissen.

4.9.

Los van het vorenstaande is ten slotte naar het oordeel van de rechtbank ook een overeenkomst tot stand is gekomen indien ervan wordt uitgegaan, zoals [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aanvoeren, dat zij de ongedateerde mededeling van [eiser] dat hij het pand wenst te kopen te laat hebben ontvangen en de aanvaarding derhalve te laat heeft plaatsgevonden. Alsdan brengen de achter 4.8 genoemde omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval mee dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben begrepen of behoren te begrijpen dat dit voor [eiser] niet duidelijk was. Gelet op het bepaalde in artikel 6:223 lid 3 BW geldt die aanvaarding naar het oordeel van de rechtbank dan als tijdig gedaan, aangezien [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] na ontvangst van de mededeling van [eiser] via Caminada Notarissen in augustus 2012 niet onverwijld hebben meegedeeld dat zij het aanbod als vervallen beschouwen. Eerst bij brief van 28 november 2012 heeft de advocaat van [gedaagde sub 1] zich beroepen op het verval van het aanbod van [A]. Van een onverwijlde mededeling is naar het oordeel van de rechtbank alsdan geen sprake.

4.10.

Gelet op het vorenstaande dient de eerste vordering van [eiser] te worden toegewezen, met dien verstande dat nu reeds een overeenkomst tot stand is gekomen voor recht zal worden verklaard dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verplicht zijn tot medewerking aan de levering van het pand.

4.11.

De rechtbank zal voorts bepalen dat dit vonnis in de plaats kan komen van de voor de levering bij de notaris vereiste wilsverklaring van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bij gebrek aan medewerking aan de levering door hen en zal in zoverre de tweede vordering van [eiser] toewijzen op de voet van artikel 3:300 BW in samenhang met 3:296 BW.

4.12.

Gelet op het vorenstaande heeft [eiser] geen belang bij toewijzing van de gevorderde dwangsom, zodat de rechtbank die vordering zal afwijzen.

4.13.

De gevorderde schadevergoeding wegens het achterwege blijven van de levering van het pand, bestaande uit de door [eiser] met betrekking tot het pand betaalde en te betalen huurpenningen vanaf 27 december 2012 acht de rechtbank niet vatbaar voor toewijzing nu [eiser] zijn vordering op dit punt in het licht van de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]
[gedaagde sub 2] betwiste schade onvoldoende heeft onderbouwd. De enkele omstandigheid dat [eiser] huurpenningen verschuldigd is gebleven en heeft voldaan, leidt niet tot de conclusie dat sprake is van schade. Dit gelet op de hoogte van de huurprijs, de omstandigheid dat [eiser] blijkens het verhandelde ter terechtzitting voor het betalen van de koopprijs een lening moet aangaan en overige lasten die [eiser] zonder tekortschieten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zou hebben gehad.

4.14.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen, als grotendeels in het ongelijk gesteld, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser]. Deze kosten worden tot op heden begroot op € 1.975,07 waarvan € 904,-- voor het salaris van de advocaat van [eiser] (2 punten x tarief II: € 452,-- per punt) en € 717,64 voor beslagkosten (inclusief het salaris van de advocaat van [eiser]). Als vergoeding voor het opvragen van gegevens uit de Gemeentelijke Basis Administratie wordt per uittreksel een bedrag van € 1,63 toegekend, zodat de gevraagde vergoeding voor het overige wordt afgewezen.

4.15.

Nu de toegewezen vorderingen strekken tot reële executie, lenen deze zich niet voor uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

5 De beslissing

De rechtbank:

1. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om binnen een maand na betekening van dit vonnis, ten overstaan van een notaris van Caminada Notarissen te Rijswijk (ZH) hun medewerking te verlenen aan de levering aan [eiser] van de onroerende zaak gelegen aan het adres [adres] te [woonplaats] voor een koopprijs van € 70.000,−;

2. bepaalt dat bij gebreke van verschijning van één van hen ten overstaan van de notaris of bij gebreke van medewerking aan levering als hierboven vermeld, dit vonnis de voor levering bij de notaris noodzakelijke wilsverklaring van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]
[gedaagde sub 2] zal vervangen;

3. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.975,07;

4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2014.1

1 type: 2254