Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:2267

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-02-2014
Datum publicatie
27-03-2014
Zaaknummer
C-09-449319 - FA RK 13-6548
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gerechtelijke vaststelling vaderschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 13-6548

Zaaknummer: C/09/449319

Datum beschikking: 17 februari 2014

Gerechtelijke vaststelling vaderschap

Beschikking op het op 20 augustus 2013 ingekomen verzoekschrift van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [adres],

advocaat: mr. E.M.T. van Ruitenbeek-de Bekker te Den Haag.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende te [adres],

en

[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te Singapore,

de minderjarige,

in rechte vertegenwoordigd door mr. J. Dongelmans, advocaat te Nieuwerkerk aan den IJssel, in de hoedanigheid van bijzonder curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift, alsmede het aanvullend verzoekschrift, waarbij stukken zijn overgelegd die na te melden feiten ondersteunen;

- het verweerschrift van de bijzonder curator;

- de instemmingsverklaring d.d. 15 augustus 2013 van de man, ingediend als productie 4 bij het inleidende verzoekschrift.

Op grond van artikel 15 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de onderhavige zaak verwezen naar een meervoudige kamer van deze rechtbank.

Op 20 januari 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw middels een Skype-verbinding, bijgestaan door

mevrouw J.C.C. Koning, tolk in de Engelse taal, en haar advocaat, alsmede de man en de bijzonder curator.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt thans, na intrekking namens de vrouw ter terechtzitting van de overige verzoeken, tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man over voornoemde minderjarige naar Nederlands recht.

Feiten

- De vrouw en de man hebben sinds 2010 een affectieve relatie met elkaar en zij wonen sinds november 2012 samen op het eerdergenoemd adres te Singapore.

- Uit de vrouw is voornoemde minderjarige geboren.

- De minderjarige is niet erkend.

- Op de Singaporese geboorteakte van de minderjarige met nummer [aktenummer], afgegeven op 5 juni 2013, staan bij vadergegevens de gegevens van de man vermeld.

- De man heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is op [datum huwelijk] te [plaats huwelijk], getrouwd met [naam].

- De vrouw heeft de Chinese nationaliteit.

- De minderjarige heeft nog geen nationaliteit.

- In een door de vrouw overgelegd rapport d.d. 6 augustus 2013 van een DNA-onderzoek, uitgevoerd in Singapore door de Health Sciences Authority, is vermeld dat de man naar alle waarschijnlijkheid de biologische vader van de minderjarige is.

- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 2 september 2013 is mr. J. Dongelmans voornoemd benoemd tot bijzonder curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.

Beoordeling

Rechtsmacht

Mede gelet op de nationaliteit van de man, acht de rechtbank voldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer aanwezig om van het onderhavige verzoek kennis te nemen.

Toepasselijk recht

De vrouw voert ter onderbouwing van de stelling dat het vaderschap van de man naar Nederlands recht dient te worden vastgesteld, verkort weergegeven, het volgende aan. Volgens internationaal privaatrecht is Singaporees recht van toepassing op de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Echter, een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man is thans naar Singaporees recht niet (meer) mogelijk aangezien de man al als vader staat vermeld op de Singaporese geboorteakte van de minderjarige. Nu de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet naar Singaporees recht mogelijk is, is er sprake van een rechtsvacuüm dat in het belang van de minderjarige moet worden opgevuld. Deze opvulling dient plaats te vinden door toepassing van het Nederlands recht op de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Erkenning naar Nederlands recht volstaat niet, nu erkenning, anders dan de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, niet terugwerkt tot aan de geboorte van de minderjarige. Bij erkenning ontstaat er derhalve voor de maanden vanaf de geboorte tot aan de dag dat de erkenning een feit zou zijn, een rechtsvacuüm. De man en de minderjarige hebben er belang bij dat de man als vader van de minderjarige staat geregistreerd vanaf de geboorte van de minderjarige. Hiermee is het belang gegeven om Nederlands recht toe te passen op de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. De vrouw doet in dit verband een beroep op artikel 8 EVRM.

De bijzonder curator onderschrijft het standpunt van de vrouw en verzoekt het verzoek toe te wijzen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit artikel 10:97 eerste lid BW volgt dat de vraag of en onder welke voorwaarden het vaderschap van een man gerechtelijk kan worden vastgesteld, wordt beantwoord aan de hand van het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de man en de moeder. Indien een gemeenschappelijke nationaliteit ontbreekt, is toepasselijk het recht van de staat van hun gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, of indien ook dit ontbreekt, het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.

Nu de man en de vrouw geen gemeenschappelijke nationaliteit hebben maar ten tijde van indiening van het verzoek wel beiden hun gewone verblijfplaats in Singapore hadden, wordt het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in beginsel beheerst door Singaporees recht. Dit wordt noch door de vrouw noch door de bijzonder curator als zodanig betwist. Tevens staat vast dat gerechtelijke vaststelling van het vaderschap naar Singaporees recht niet mogelijk is.

De vraag is, nu gerechtelijke vaststelling van het vaderschap naar Singaporees recht niet mogelijk is, of er gelet op hetgeen de vrouw en de bijzonder curator hebben aangevoerd, aanleiding is om op het verzoek Nederlands recht toe te passen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

Slechts onder bijzondere omstandigheden, die voor het kind een noodtoestand opleveren die niet op andere wijze opgegeven of doorbroken kan worden dan door het terzijde stellen van het toepasselijke recht, kan hiertoe worden overgegaan (Gerechtshof ’s-Gravenhage, 3 oktober 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BB8333, cassatieberoep verworpen in Hoge Raad 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1113). De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke noodtoestand in deze zaak geen sprake is.

Het recht op family life dat artikel 8 EVRM beschermt, waaronder in casu het recht op het tot stand komen van een familierechtelijke betrekking tussen de man en de minderjarige, wordt voldoende gewaarborgd door de mogelijkheid van erkenning. Op grond van artikel 10:95 BW is Nederlands recht op erkenning van de minderjarige door de man van toepassing. Vaststaat dat de minderjarige naar Nederlands recht door de man erkend kan worden en dat de man bereid is tot erkenning over te gaan, zodat daarmee een familierechtelijke band tussen hem en de minderjarige kan worden gevestigd. Daarbij merkt de rechtbank op dat de man ter zitting heeft gesteld dat de echtscheiding tussen de man en zijn (voormalige) echtgenote in Indonesië zeer recent in kracht van gewijsde is gegaan zodat er in zijn huwelijk met haar geen beletsel meer gelegen is voor de erkenning van de minderjarige. De man heeft ter zitting ook aangegeven de procedurele stappen voor erkenning van de minderjarige in Nederland recent in gang te hebben gezet.

Het aangevoerde belang om, in het bijzonder gelet op de stamboom van de man, de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie, in die zin dat de man reeds vanaf de geboorte van zijn dochter (in Nederland) geregistreerd staat als de juridische vader, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet en toetsbaar om een beroep op artikel 8 EVRM te rechtvaardigen. Mede gelet op het feit dat aan dit belang reeds ten dele tegemoet wordt gekomen doordat in Singapore een geboorteakte is opgemaakt waarop de man – vanaf de geboorte van de minderjarige – als vader staat geregistreerd, is de rechtbank van oordeel dat ook deze situatie geen noodtoestand oplevert als hiervoor bedoeld.

Voor zover de vrouw als belang nog bedoelt te stellen het recht van de minderjarige om de Nederlandse nationaliteit te kunnen krijgen, merkt de rechtbank op dat ook met erkenning de Nederlandse nationaliteit kan worden verkregen. Bovendien is het vaste rechtspraak van het EHRM dat het belang bij het verkrijgen van een bepaalde nationaliteit geen belang is dat door artikel 8 EVRM wordt beschermd.

Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de vrouw om het vaderschap van de man over de minderjarige naar Nederlands recht vast te stellen, zal worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Brakel, W.G. de Boer en S.M. Westerhuis-Evers, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. K.M. Heins als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2014.