Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:2147

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-02-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
AWB 14/2299
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vraag naar de toepasselijkheid van de Verordening 604/2013 (Dublinverordening III). Uitleg overgangsrecht zoals opgenomen in artikel 49 van de Vo 604/2013.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/141

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

zaaknummers: AWB 14/2299 (verzoek), AWB 14/2298 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 februari 2014

in de zaak tussen

[naam],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Nigeriaanse nationaliteit,

verzoekster,

mede namens haar minderjarige kind,

[naam],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Nigeriaanse nationaliteit,

(gemachtigde: mr. E. van den Hombergh),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2014 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 22 januari 2014 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Dit besluit is bekendgemaakt in het Aanmeldcentrum te Zevenaar. Verzoekster heeft daartegen op 29 januari 2014 beroep ingesteld. Verzoekster is meegedeeld dat zij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten. Bij verzoekschrift van 29 januari 2014 heeft verzoekster verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 14 februari 2014. Verzoekster en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.J. Hofstra.

De beoordeling

1.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.

Indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat nader onderzoek na de zitting redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Daarvoor bestaat aanleiding.


3. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

4.

Op 16 december 2013 heeft verzoekster zich gemeld in Asielzoekerscentrum Ter Apel alwaar zij te kennen heeft gegeven asiel te willen aanvragen. Dit verzoek is vastgelegd in een proces-verbaal van 16 december 2013. Verweerder heeft op voornoemde datum de vingerafdrukken van verzoekster naar Eurodac gezonden. Uit Eurodac is gebleken dat verzoekster op 9 mei 2011 en 22 juni 2011 asiel heeft aangevraagd in Italië. Op 30 december 2013 heeft verweerder de autoriteiten van Italië gevraagd om verzoekster terug te nemen. De Italiaanse autoriteiten hebben niet gereageerd binnen een termijn van twee weken zodat op 14 januari 2014 een zogenaamd fictief akkoord tot stand is gekomen. Verzoekster heeft op 22 januari 2014 een schriftelijke asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 28 januari 2014 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Volgens verweerder zijn de Italiaanse autoriteiten verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag. Verzoekster heeft dit besluit in beroep gemotiveerd betwist.

5.

Op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. De Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag die door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 343/2003) is met ingang van 1 januari 2014 opgevolgd door de Verordening (EU) 604/2013 van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 604/2013).

6.

In geschil is de vraag welke verordening van toepassing is. Verzoekster stelt dat de Vo 604/2013 van toepassing is nu de formele asielaanvraag dateert van

22 januari 2014. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Vo 343/2003 van toepassing is nu verzoekster op 16 december 2013 haar asielwens heeft geuit, welke wens op die datum is vastgelegd in een proces-verbaal.

7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Vo 604/2013 het toetsingskader bevat voor de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van verzoekster. Daartoe wordt als volgt overwogen.

8.

Het overgangsrecht van de Vo 604/2013, dat is neergelegd in artikel 49 van de Vo 604/2013, luidt als volgt:

“ Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend vanaf de eerste dag van de zesde maand na de inwerkingtreding ervan, en is vanaf die dag van toepassing op elk verzoek tot overname of terugname van verzoekers, ongeacht de datum waarop het verzoek is ingediend. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór die datum is ingediend, wordt bepaald volgens de in Verordening (EG) nr. 343/2003 vastgestelde criteria. “

De Engelse tekst van artikel 49 van de Vo 604/2013 luidt als volgt:

“ This Regulation shall enter into force on the twentieth day following that of its publication in the Official Journal of the European Union. It shall apply to applications for international protection lodged as from the first day of the sixth month following its entry into force and, from that date, it will apply to any request to take charge of or take back applicants, irrespective of the date on which the application was made. The Member State responsible for the examination of an application for international protection submitted before that date shall be determined in accordance with the criteria set out in Regulation (EC) No 343/2003.”

De Franse tekst van artikel 49 van de Vo 604/2013 luidt als volgt:

“ Le présent règlement entre en vigueur le vingtième jour suivant celui de sa publication au Journal officiel de l’Union européenne. Il est applicable aux demandes de protection internationale introduites à partir du premier jour du sixième mois suivant son entrée en vigueur et s’appliquera, à compter de cette date, à toute requête aux fins de prise en charge ou de reprise en charge de demandeurs, quelle que soit la date à laquelle la demande a été faite. La détermination de l’État membre responsable de l’examen d’une demande de protection internationale introduite avant cette date se fait conformément aux critères énoncés dans le règlement (CE) n o 343/2003.”

9.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Vo 604/2013 van toepassing is:

  • -

    op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend vanaf 1 januari 2014 en

  • -

    op alle over – en terugnameverzoeken die zijn ingediend vanaf 1 januari 2014, ongeacht de datum waarop het bijbehorende verzoek om internationale bescherming is ingediend.

Deze uitleg van artikel 49 volgt uit zowel de Franse als de Engelse tekst van de verordening waarin een asielverzoek wordt aangeduid met de termen “application for international protection” en “demande de protection internationale” en het verzoek om terugname wordt aangeduid met de termen “request to take back” en “requête aux fins de reprise en charge”. De Nederlandse tekst van artikel 49 verschaft geen helderheid aangezien niet duidelijk is of het woord “verzoek” in het laatste zinsdeel van de tweede volzin, terugslaat op het verzoek om internationale bescherming of op het terugnameverzoek.


10. Het terugnameverzoek dateert van 30 december 2013 zodat de vraag naar de toepasselijkheid van de verordening wordt uitgemaakt door het antwoord op de vraag op welke datum verzoekster haar verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.

11.

Een verzoek om internationale bescherming is, in artikel 2, aanhef en onder b, van de Vo 604/2013, gedefinieerd als een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 2, onder h), van Richtlijn 2011/95/EU.

Ten aanzien van het begin van de procedure bepaalt artikel 20, tweede lid, van de Vo 604/2013 dat een verzoek wordt geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de asielzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen.

In diverse uitspraken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) ten aanzien van de Vo 343/2003 overwogen dat een asielverzoek, voor wat betreft de aanvang van de procedure voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat, wordt geacht te zijn ingediend indien de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van het formulier bedoeld in artikel 3.38 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (oud) (onder meer een uitspraak van 18 december 2012, zaaknummer 201207295/1/V4, www.raadvanstate.nl).

12.

De bepalingen van de Vo 604/2013 die handelen over het begin van de procedure tot vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat, zijn niet gewijzigd ten opzichte van de Vo 343/2003. Daar komt bij dat ook de algemene asielprocedure niet is gewijzigd voor wat betreft de formele indiening van de asielaanvraag. Dit volgt uit artikel 3.109 van het Vreemdelingenbesluit 2000 waarin bepaald is dat de asielaanvraag door de vreemdeling wordt ingediend, onverwijld nadat hij te kennen heeft gegeven die aanvraag in te willen dienen. Aangezien de systematiek van de nationale asielprocedure niet is gewijzigd als gevolg van de inwerkingtreding van Vo 604/2013, is de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar de hiervoor aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling, van oordeel dat het verzoek om internationale bescherming ook onder Vo 604/2013 moet worden geacht te zijn ingediend op het moment van de formele asielaanvraag.

13.

Verzoekster heeft de asielaanvraag op 22 januari 2014 ingediend zodat, op grond van het daarin opgenomen overgangsrecht, de Vo 604/2013, op het terugnameverzoek van toepassing is. Het bestreden besluit ontbeert aldus een juiste wettelijke grondslag nu dit is gegrond op artikel 30, eerste lid onder a, van de Vw 2000 in samenhang met de Vo 343/2003.

14.

Nu verzoekster heeft aangevoerd dat zij in Italië subsidiaire bescherming heeft verkregen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Immers kunnen subsidiair beschermden niet langer worden overgedragen op grond van de Vo 604/2013, en bevat de Vw 2000 sinds 1 januari 2014, in artikel 30, eerste lid, onder d, een afwijzingsgrond voor asielaanvragen van deze categorie vreemdelingen. De vertegenwoordiger van verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er geen onderzoek is verricht naar de vraag of verzoekster subsidiaire bescherming heeft verkregen van de Italiaanse autoriteiten. Op het terugnameverzoek is hierover niets vermeld. Verweerder zal aan de stellingen van verzoekster bij de voorbereiding en de motivering van het besluit aandacht moeten besteden. De overige door verzoekster aangevoerde gronden behoeven geen bespreking.

15.

Nu het beroep gegrond zal worden verklaard, dient het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

16.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoekster in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 487,00 aan kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het met elkaar samenhangende beroepschrift en verzoekschrift). Van andere kosten in dit verband is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 28 januari 2014;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van € 487,00;

wijst het verzoek een voorlopige voorziening te treffen af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van S.J. Reinders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 21 februari 2014.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen één week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).

Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen rechtsmiddel open.