Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:2077

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2014
Datum publicatie
27-02-2014
Zaaknummer
AWB 13/254
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

1F, Turkije, inreisverbod, procesbelang, 3 EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/254

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 februari 2014 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde mr. J.J.J. Jansen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder,

gemachtigde mr. M.M. van Asperen.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 december 2012 waarbij zijn asielaanvraag is afgewezen en waarbij hem een inreisverbod is opgelegd voor de duur van tien jaar (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 3 december 2013. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig E. Aydin, tolk in de Turkse taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak éénmaal verlengd.

Overwegingen

1.

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1972 en de Turkse nationaliteit te bezitten. Op 5 september 2008 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Op 12 mei 2010 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een individueel ambtsbericht[kenmerk] uitgebracht. Vervolgens heeft ook de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) op 25 februari 2011 een individueel ambtsbericht uitgebracht.

Op 24 juli 2011 heeft eiser in reactie op het voornemen van 17 juni 2011 van verweerder tot afwijzing van zijn aanvraag een zienswijze ingediend. Vervolgens heeft verweerder op 6 december 2011 een nieuw voornemen tot afwijzing uitgebracht. Eiser heeft vervolgens op 26 januari 2012 een zienswijze ingediend. Bij besluit van 8 maart 2012 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft dit besluit op 21 september 2012 ingetrokken.

2.

Op 22 juni 2012 heeft verweerder een voornemen tot het opleggen van een inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgebracht. Eiser heeft op 25 juni 2012 zijn zienswijze ingediend. Verweerder heeft op 18 oktober 2012 opnieuw een voornemen uitgebracht tot afwijzing van de asielaanvraag en het opleggen van een inreisverbod voor de duur van tien jaar. Eiser heeft hiertegen geen zienswijze ingediend. Bij bestreden besluit is de asielaanvraag afgewezen en aan eiser het inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.

3.

Eiser heeft aan zijn aanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Op 3 april 2007 heeft de Rechtbank voor Zware Strafzaken nr. 6 te Diyarbakir uitspraak gedaan in de strafzaak van eiser. Hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar en zes maanden. Het Turkse Hof van Cassatie heeft de uitspraak vernietigd. Tijdens de hernieuwde behandeling van deze zaak is eiser naar Nederland vertrokken. Op 19 maart 2009 werd opnieuw uitspraak gedaan in de strafzaak van eiser. Eiser is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf (30 jaar onder aftrek van voorarrest). Op 5 mei 2010 is deze uitspraak bevestigd door het Turkse Hof van Cassatie.

4.

Verweerder heeft met inachtneming van de inhoud van de twee eerder genoemde individuele ambtsberichten, onder verwijzing naar artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), gelezen in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder k, van dat artikel, de aanvraag afgewezen en een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Verweerder heeft het bestreden besluit mede gebaseerd op artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag (Vv).

5.

Eiser heeft in beroep verwezen naar hetgeen hij eerder in de procedure naar voren heeft gebracht en een vertaalde brief van [naam 1], de Turkse advocaat van eiser, overgelegd. Daarnaast heeft hij nog het volgende aangevoerd.

Eiser bestrijdt dat hij geen zienswijze heeft ingediend naar aanleiding van het voornemen van 18 oktober 2012. Hij heeft in beroep alsnog een kopie hiervan, gedateerd 5 december 2012, overgelegd.

Eiser beroept zich op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu hij bij terugkeer naar Turkije zal worden gearresteerd en gedetineerd vanwege de opgelegde levenslange gevangenisstraf. Volgens eiser is er nog steeds sprake van mishandelingen en folteringen in gevangenissen en hij verwijst daartoe naar een algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Turkije van 28 juli 2013 (pagina 31 en volgende).

Ook in de Operational Guidance Note Turkey van de UK Border Agency van augustus 2011 (paragraaf 3.6.11) staan de risico’s op een slechte behandeling vermeld. Voorts zijn de medische voorzieningen in de gevangenissen inadequaat. Volgens de Turkish Medical Doctors Association zijn er niet genoeg artsen in de gevangenissen en wordt medische zorg voor ernstige ziektes ontzegd.

Vervolgens voert eiser aan dat verweerder bij eerdere uitgebrachte voornemens tot afwijzing van de asielaanvraag aannemelijk heeft geacht dat eiser, die tot de Koerdische bevolkingsgroep behoort, bij terugkeer een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder motiveert niet waarom hieromtrent thans een ander standpunt is ingenomen.

Eiser handhaaft zijn standpunt dat artikel 1F ten onrechte op hem van toepassing is verklaard. Hij is veroordeeld op basis van ondeugdelijk bewijsmateriaal. Tijdens zijn detentie heeft hij een verklaring ondertekend zonder daarvan de inhoud te kennen.

Verweerder heeft bij de 1F toets niet voldaan aan de maatstaf die het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft gesteld in rechtsoverweging 99 van het arrest van 9 november 2010 B en D tegen Duitsland (C-57/09 en C-101/09). De enkele verwijzing naar het algemeen ambtsbericht van 31 januari 2003 is niet afdoende. Eiser bekritiseert het ambtsbericht van de AIVD, nu deze organisatie de juistheid van de verkregen informatie niet heeft kunnen vaststellen. Eiser verzoekt de rechtbank alsnog van de onderliggende stukken kennis te nemen.

Het inreisverbod is strijdig met artikel 8 van het EVRM nu eisers echtgenote en kinderen in Nederland verblijven, aldus eiser.

Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat de beroepsgronden van 24 oktober 2013 op tijd zijn ingediend. Bovendien zijn hierin geen nieuwe argumenten aangedragen. Van strijd met de goede procesorde is derhalve volgens eiser geen sprake.

6.

Verweerder heeft bij wijze van schriftelijk verweer twee pleitnota’s ingediend. Verweerder handhaaft het bestreden besluit. In de eerste pleitnota is het volgende aangevoerd.

Volgens verweerder heeft eiser niet aangetoond dat hij naar aanleiding van het voornemen van 18 oktober 2012 een zienswijze heeft ingediend.

Voorts zijn de gronden van beroep van 24 oktober 2013 eerst op 28 oktober 2013 per fax aan verweerder toegezonden. Deze handelwijze is in strijd met de goede procesorde. De gronden dienen buiten beschouwing te worden gelaten.

Verweerder handhaaft het standpunt zoals dat in het bestreden besluit is opgenomen.

Eiser heeft zijn stelling dat hij niet schuldig is aan poging tot doodslag en dat de veroordeling door de Turkse rechter onjuist is, niet door middel van de brieven van zijn Turkse advocaat kunnen onderbouwen. Aan het 1F-besluit ligt een individueel onderzoek ten grondslag waardoor is voldaan aan datgene wat het Hof in het arrest van 9 november 2010 heeft bepaald.

Niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer een behandeling wacht die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft zelf verklaard dat hij tijdens zijn voorarrest van ruim vier jaar niet is mishandeld of gemarteld. Van een verslechtering van de situatie in Turkije wordt in het ambtsbericht inzake Turkije van 28 juli 2013 geen melding gemaakt. Wel wordt vermeld dat het parlement het derde en vierde justitiële hervormingspakket heeft aangenomen, waarin ook verbeteringen in de straf- en anti-terrorismewetgeving zijn opgenomen. Niet valt in te zien dat eiser niet kan terugkeren in verband met de situatie in de formele detentiecentra. Eiser kan desgewenst gebruik maken van zijn individueel klachtrecht nu Turkije partij is bij het EVRM.

Ter zitting heeft verweerder een tweede pleitnota overgelegd en verklaard er geen bezwaar tegen te hebben indien de rechtbank besluit om de gronden van 24 oktober 2013 alsnog in de beoordeling te betrekken.

In reactie op het beroep van eiser op de Operational Guidance Note verwijst verweerder naar een nieuwere versie van dit rapport van mei 2013.

Ter zitting heeft verweerder zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat eiser procesbelang heeft bij de toets van zijn asielbesluit.

De rechtbank overweegt als volgt.

7.

In artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000 staat vermeld op welke gronden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

Ingevolge artikel 1F van het Vv zijn de bepalingen van dat Verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a (…);

b  hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

(…).

Ingevolge artikel 3.107 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt, indien artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Wet in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Wet.

In het ter zake geldend beleid, hoofdstuk C2/6.2.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is bepaald dat het aan verweerder is om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag valt.

Teneinde te bepalen of de betrokken vreemdeling individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, wordt de ‘personal and knowing participation test’ toegepast. Beoordeeld wordt daarbij of ten aanzien van de betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is kan het betrokken artikel 1F worden tegengeworpen.

Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, dient de vreemdeling nadat tegen hem een terugkeerbesluit is uitgevaardigd Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kan Onze Minister de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Ingevolge artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 stelt verweerder de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan.

Ingevolge het tweede lid geldt de in het eerste lid bedoelde kennisgeving als terugkeerbesluit en kan deze tevens een inreisverbod inhouden.

Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid.

Ingevolge het zevende lid kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt in afwijking van het zesde lid en artikel 8 en met uitzondering van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend zolang op die aanvraag nog niet is beslist, geen rechtmatig verblijf hebben, in geval de vreemdeling:

a. bij onherroepelijk geworden rechtelijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem ter zake de maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd;

b. een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid;

c. naar het oordeel van Onze Minister een ernstige bedreiging vormt als bedoeld in het vierde lid, dan wel

d. ingevolge een verdrag of in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ieder verblijf dient te worden ontzegd.

Ingevolge het achtste lid kan Onze Minister in afwijking van het eerste lid om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

Ingevolge artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 bedraagt de duur van het inreisverbod, in afwijking van het eerste tot en met het vierde lid, ten hoogste tien jaren, indien het betreft de omstandigheid dat hem artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen.

Procesbelang bij beoordeling asielbesluit

8.

Met betrekking tot het procesbelang overweegt de rechtbank als volgt. Volgens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 juni 2013 (JV 2013/379) is bij samenloop van een asielbesluit met een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000, het belang bij toetsing in rechte van het asielbesluit eerst aan de orde indien dat inreisverbod wordt ingetrokken, herroepen, vernietigd of opgeheven. De rechtbank volgt de Afdeling niet in dit oordeel.

9.

Verweerder heeft zich ter zitting desgevraagd op het standpunt gesteld dat eiser wel belang heeft bij toetsing van het asielbesluit. Redengevend hiervoor is volgens verweerder dat voornoemde jurisprudentie is gebaseerd op de jurisprudentie inzake de ongewenstverklaring. Zolang de maatregel van ongewenstverklaring geldt, kan een vreemdeling geen rechtmatig verblijf hebben. Om die reden heeft hij ook geen belang bij toetsing van zijn asielbesluit.

In tegenstelling tot de ongewenstverklaring, kent het inreisverbod de mogelijkheid van de ambtshalve opheffing. Daardoor heeft een vreemdeling volgens verweerder wel belang bij toetsing van zijn asielbesluit.

10.

Uit het arrest van het Hof van 30 mei 2013, C-534/11, in de zaak Arslan (JV 2013/248), punt 49, volgt dat Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (de Terugkeerrichtlijn) niet van toepassing is op derdelanders die om internationale bescherming hebben verzocht in het tijdvak tussen de indiening van dat verzoek en de vaststelling van de beslissing in eerste aanleg over dat verzoek of, in voorkomend geval, de beslechting van het eventuele beroep tegen die beslissing.

11.

Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000, richtlijnconform uitgelegd, aldus gelezen dient te worden dat in de in deze bepaling genoemde gevallen wel sprake is van rechtmatig verblijf – in die zin dat geen sprake is van illegaal verblijf – zolang nog niet in eerste aanleg is beslist op een eerste asielaanvraag of, indien van toepassing, op het daartegen ingestelde beroep. Het bestreden besluit heeft betrekking op de eerste asielaanvraag van eiser die dateert van 5 september 2008. Dit heeft tot gevolg dat ook in het geval van eiser sprake is van rechtmatig verblijf. Eiser heeft dan ook belang bij toetsing in rechte van het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op zijn asielaanvraag.

Asielbesluit

12.

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat hij een zienswijze heeft ingediend in reactie op het voornemen van verweerder van 18 oktober 2012. Er is geen bewijs overgelegd waaruit blijkt van verzending van de zienswijze aan verweerder. De gronden die hierin zijn aangevoerd blijven derhalve buiten bespreking.

13.

Met betrekking tot de beroepsgronden van 24 oktober 2013, die volgens verweerder eerst op 28 oktober 2013 per fax aan hem zijn toegezonden, oordeelt de rechtbank als volgt. Weliswaar zijn deze gronden laat toegezonden, maar naar het oordeel van de rechtbank niet te laat. De goede procesorde is niet zodanig geschonden dat deze gronden buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Er is voor verweerder voldoende gelegenheid geweest om te reageren op datgene dat is aangevoerd.

Dit oordeel heeft tot gevolg dat de beroepsgronden die betrekking hebben op artikel 3 van het EVRM en op artikel 1F van het Vv bij de beoordeling zullen worden betrokken.

14.

Voorts is in geschil of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser betrokken is geweest bij een misdrijf als bedoeld in artikel 1F van het Vv. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op eisers eigen verklaringen, de door hem overgelegde documenten, op een individueel ambtsbericht van 12 mei 2010[kenmerk] van de minister van Buitenlandse Zaken en op een individueel ambtsbericht van de AIVD van 25 februari 2011.

Uit het ambtsbericht van 12 mei 2010 blijkt dat eiser in Turkije door de Rechtbank voor Zware Strafzaken nr. 6 te Diyarbakir is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf op basis van artikel 146 van het Turkse Wetboek van Strafrecht (poging tot doodslag en lidmaatschap van een terroristische organisatie). Eiser dient een straf van 30 jaar uit te zitten, waarbij het voorarrest in mindering zal worden gebracht. Hij is veroordeeld tot “standaard” levenslang voor een misdaad die valt onder de antiterreurwet. Eiser is in 1990 lid geworden van de Turkse Hezbollah. Hij groeide snel binnen de organisatie en trad toe tot de militaire vleugel. In 1992 heeft hij opdracht gegeven tot liquidatie van een leraar en tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van een andere leraar. Eiser werd verantwoordelijk voor zeven provincies in Oost-Turkije. Toen de Turkse veiligheidsdiensten in 1998 de Hezbollah begonnen te bestrijden, dook eiser onder in verschillende plaatsen. Hij werd op 5 september 2001 opgepakt in Adana, aldus het ambtsbericht.

Het ambtsbericht van de AIVD bevat eveneens informatie over eisers betrokkenheid bij de Turkse Hezbollah. Het ambtsbericht eindigt met de opmerking dat de AIVD de juistheid van hetgeen uit betrouwbare bron verkregen is, niet heeft kunnen vaststellen.

15.

Vaste rechtspraak van de Afdeling is dat een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse zaken kan worden aangemerkt als een deskundigenbericht. Nu niet is gebleken van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan, mocht verweerder bij de besluitvorming op eisers asielaanvraag van de juistheid van de informatie in dat individuele ambtsbericht uitgaan. De brieven van de Turkse advocaat van eiser, waarin de bewijsvoering in de strafzaak wordt bekritiseerd, doen aan dit oordeel niet af. Het ligt niet op de weg van verweerder, noch op de weg van de Nederlandse rechter, om een diepgaand onderzoek naar de juistheid van het oordeel van de (hoogste) Turkse rechter in te stellen.

16.

Het ambtsbericht van de AIVD, dat eveneens dient te worden aangemerkt als een deskundigenbericht, voegt niets toe aan wat er verder al bekend is, zodat het verzoek van eiser aan de rechtbank om kennis te nemen van de onderliggende stukken wordt afgewezen.

17.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het voornemen en het bestreden besluit aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser betrokken is geweest bij een misdrijf als bedoeld in artikel 1F van het Vv. Daarbij heeft verweerder zich op goede gronden gebaseerd op de veroordeling in Turkije tot een levenslange gevangenisstraf wegens lidmaatschap van de illegale organisatie Hezbollah en wegens poging tot doodslag. Gelet op de aard en ernst van deze misdrijven heeft eiser zich bewust moeten zijn van de ernst en het misdadig karakter van zijn handelen en is derhalve sprake van knowing participation.

18.

Voorts heeft verweerder op goede gronden ernstige redenen aangenomen voor betrokkenheid van eiser bij de poging tot doodslag waarvoor eiser is veroordeeld. Derhalve is ook voldaan aan het vereiste van personal participation van eiser bij die feiten.

19.

De rechtbank overweegt voorts dat het begaan van een misdrijf als een poging tot doodslag nooit mag worden aangewend als middel om welke doelstelling dan ook te realiseren. Dat brengt mee dat een dergelijk misdrijf nooit kan worden aangemerkt als een politiek misdrijf. Dat betekent dat verweerder in ieder geval de betrokkenheid van eiser bij de poging tot doodslag, waarvoor hij is veroordeeld, heeft kunnen aanmerken als een ernstig, niet-politieke misdrijf als bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv.

20.

Gelet op het feit dat in het kader van de 1F beoordeling individueel onderzoek heeft plaatsgevonden, kan het beroep van eiser op rechtsoverweging 99 van het door hem aangehaalde arrest van het Hof van 9 november 2010 niet slagen.

21.

Verweerder heeft derhalve onder verwijzing naar artikel 1F van het Vv op goede gronden kunnen besluiten dat het Vv niet op eiser van toepassing is en dat eiser dientengevolge niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

22.

Eiser stelt dat verweerder de ‘ommezwaai’ van verweerder in het standpunt met betrekking tot artikel 3 van het EVRM (bij de eerste twee voornemens tot afwijzing is wel dreigende schending van deze verdragsbepaling aangenomen, bij het laatste voornemen niet) had moeten motiveren. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder de vrijheid heeft om van standpunt te veranderen. Van belang is voorts dat verweerder zijn gewijzigde standpunt heeft gemotiveerd en dat hij na deze wijziging eiser de gelegenheid heeft geboden om een zienswijze in te dienen. Eiser is door de handelwijze van verweerder niet in zijn processuele belangen geschaad.

23.

Het beroep op artikel 3 van het EVRM heeft eiser gebaseerd op het feit dat hij al eerder in detentie heeft verbleven, dat hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 jaar, dat hij lid is van Hezbollah, dat hij tot de Koerdische bevolkingsgroep behoort en dat hij ook medische klachten heeft waarvoor hij mogelijk in detentie geen adequate behandeling kan verkrijgen.

24.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat noch de algemene veiligheidssituatie in Turkije noch het feit dat eiser Koerd is en veroordeeld is voor genoemde feiten, maakt dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Uit het individueel ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken is gebleken dat eiser vanwege zijn lidmaatschap en de poging tot doodslag een standaardstraf van 30 jaar heeft opgelegd gekregen met aftrek van het voorarrest. Niet gesteld kan worden dat een dergelijke straf disproportioneel is gelet op de feiten waarvoor hij is veroordeeld.

25.

Uit een verklaring van 12 september 2012, ondertekend door[naam 2], de huisarts van eiser, blijkt dat eiser lijdt aan de ziekte van Ménière, een hersentumor heeft en dat hij hiervan psychische klachten ondervindt. Ter zitting is desgevraagd verklaard dat de medische situatie van eiser stabiel is. Elke zes maanden dient hij voor een controle te verschijnen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn medische klachten tijdens toekomstige detentie een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Voor zover van belang, blijkt uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 28 juli 2013 (pagina 31) dat er inmiddels een gevangenis is waar langdurig zieken kunnen worden opgenomen en behandeld. Eiser heeft zich in dit kader nog beroepen op de Operational Guidance Note Turkey van de UK Border Agency van augustus 2011. Paragraaf 3.12.4 van het onderdeel Prison Conditions, dat begint met “According to the Turkish Medical doctors’Association”, is in het rapport van mei 2013 van dezelfde organisatie echter vervallen. In het nieuwe rapport worden verder geen mededelingen gedaan over medische behandeling in detentie.

26.

Eiser heeft verklaard dat hij tijdens zijn voorarrest in september 2001 is gemarteld maar dat hij tijdens zijn detentie van oktober 2001 tot en met december 2005 niet is gemarteld. Er is onvoldoende reden om aan te nemen dat hij bij het uitzitten van de hem opgelegde straf wel gemarteld zal worden. De onderzoeksfase is immers beëindigd. De veroordeling staat in rechte vast.

Eiser heeft zich ook in dit kader nog beroepen op de eerdergenoemde Operational Guidance Note van augustus 2011 (te weten: ‘Involvement with Kurdish, Left Wing or Islamic Terrorist Groups or Political Parties’, paragraaf 3.6.11 en ‘Prison Conditions’, paragraaf 3.12.4). De rechtbank neemt in navolging van verweerder het recentere rapport van mei 2013 als uitgangspunt. ‘Involvement with Kurdish, Left Wing or Islamic Terrorist Groups or Political Parties’ is nu onderdeel 3.9. en ‘Prison Conditions’ is nu onderdeel 3.15.

Uit onderdeel 3.9.12 blijkt dat het United Nations Committee against Torture zich in 2010 zorgen maakte over het onvermogen van Turkije om beschuldigingen van martelingen te onderzoeken. Turkije werd verzocht om dit aan te pakken. In september 2011 heeft Turkije het Optional Protocol to the UN Convention against Torture geratificeerd.

Met betrekking tot de ‘Prison Conditions’ luidt de algemene conclusie in 3.15.10 als volgt. Hoewel de detentieomstandigheden in Turkije inadequaat zijn vanwege een gebrek aan middelen en overbevolking, zijn deze omstandigheden niet te kwalificeren als strijdig met artikel 3 van het EVRM. Een beroep op artikel 3 van het EVRM vanwege de te verwachten detentie is niet afdoende. Individuele omstandigheden zoals de duur van de straf, het detentieregiem en de gezondheid van het individu zijn bepalend.

Gelet op het voorgaande is in het bestreden besluit dan ook op dit onderdeel terecht geconcludeerd dat eiser bij terugkeer naar Turkije geen risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige handeling.

27.

Gezien het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen.

Inreisverbod

28.

De stelling dat het inreisverbod voor de duur van tien jaar ten onrechte is opgelegd, is gezien het voorgaande niet houdbaar. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft opgelegd. In dat verband wordt gewezen op het feit dat aan eisers echtgenote en zijn kinderen geen verblijf is toegestaan. Verweerder heeft ook overigens geen humanitaire of overige redenen, als bedoeld in artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000, aanwezig hoeven achten om af te zien van de oplegging van een inreisverbod.

Slotsom

29.

Het beroep is ongegrond.

30.

Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzitter, mrs. C. van Boven-Hartogh en J. de Graaf, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.