Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:2051

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
AWB-13_6332
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Eiser heeft bezwaren rechtsgeldig ingetrokken. Verweerder mocht aannemen dat tussen eiser en de gemachtigde contact was geweest en dat eiser de gemachtigde van de intrekking op de hoogte had gesteld. Verweerder heeft dan ook niet onzorgvuldig gehandeld door de bevestiging van de intrekking alleen aan eiser toe te sturen. Van verschoonbare dwaling is geen sprake. Dat eiser zich bij het aankruisen van het vakje op het keuzeformulier beweerdelijk heeft vergist en hij mogelijkerwijs na overleg met de gemachtigde niet tot de intrekking van de bezwaren was overgegaan, kan niet als zodanig omstandigheid worden aangemerkt. Het verzoek om vergoeding van immateriele schade behoeft in verband met de rechtsgeldige intrekking van de bezwaren geen behandeling meer, De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:21, geldigheid: 2014-02-13
Algemene wet bestuursrecht 6:17, geldigheid: 2014-02-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0564

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 13/6330 t/m SGR 13/6343

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 februari 2014 in de zaken tussen

[X], wonende te [Z], eiser

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 31 mei 2003 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1991 tot en met 1995, navorderingsaanslagen vermogensbelasting 1993 tot en met 2000 alsmede een aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2000 opgelegd. De navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1991 tot en met 1995 en de navorderingsaanslagen vermogensbelasting 1993 tot en met 1998 zijn verhoogd met 100% van de nagevorderde belasting, welke verhogingen direct bij de vaststelling van de navorderingsaanslagen tot op 50% zijn kwijtgescholden. Bij de overige navorderingsaanslagen en de aanslag zijn vergrijpboetes van 50% opgelegd. Bij alle (navorderings)aanslagen is heffingsrente in rekening gebracht.

Eiser heeft bij brief van 21 mei 2003 tegen voormelde (navorderings)aanslagen, verhogingen en vergrijpboetes bezwaar ingesteld.

Eiser heeft vervolgens bij brief van 2 augustus 2013, ontvangen bij de rechtbank op 5 augustus 2013, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een uitspraak op de bezwaren tegen voormelde (navorderings)aanslagen, verhogingen en vergrijpboetes.

Eiser heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2014. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [B] en [C].

Overwegingen

Feiten

1.

Eiser heeft naar aanleiding van een vragenbrief van verweerder erkend dat hij een rekening bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg heeft (gehad). Eiser heeft over die rekening volledige openheid van zaken gegeven, waarna de onderhavige (navorderings)aanslagen, verhogingen en vergrijpboetes zijn opgelegd.

2.

De gemachtigde heeft namens eiser tegen voornoemde (navorderings)aanslagen bezwaar gemaakt. Bij brief van 16 juni 2004 heeft de gemachtigde met de aanhouding van de bezwaren ingestemd totdat in de proefprocedures van Nauta Dutilh betreffende het Rekeningproject onherroepelijk is beslist.

3.

Bij brief van 8 november 2010 heeft verweerder eiser geïnformeerd over de uitkomsten in de proefprocedures van Nauta Dutilh. Tevens heeft hij meegedeeld hoe hij de bezwaren zal gaan afwikkelen. Hierbij is eiser meegedeeld dat verweerder de verhogingen en vergrijpboetes in verband met de overschrijding van de redelijke termijn met 20% zal matigen, waarvoor een vermindering van de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1999 en 2000 zal worden verleend van in totaal € 3.560 en dat een proceskostenvergoeding zal worden toegekend indien voor het indienen van het bezwaar een gemachtigde is ingeschakeld. Verweerder is in die brief voorts ingegaan op de mogelijkheden waarop de bezwaren kunnen worden afgedaan. Daarbij heeft verweerder eiser verzocht om zijn reactie kenbaar te maken middels een bijgevoegd keuzeformulier met daarop een vijftal (vakjes met) keuzemogelijkheden voor de wijze van afdoening van de bezwaren. Een geanonimiseerde versie van die brief, inclusief keuzeformulier, is op dezelfde datum naar de gemachtigde verzonden. De begeleidende brief aan de gemachtigde bevat de volgende passage:

“Inmiddels heeft de Hoge Raad arrest gewezen in [de proefprocedures], zodat de bezwaarschriften verder behandeld kunnen worden. De belanghebbenden krijgen binnenkort een brief waarin informatie op hoofdlijnen wordt verstrekt over de stand van zaken. Aangezien er lange tijd is verstreken sinds het indienen van het bezwaarschrift hebben wij er voor gekozen om de belanghebbenden rechtstreeks deze informatiebrief te sturen.

Ik heb een geanonimiseerd voorbeeld van deze brief bijgevoegd en hoop u op deze wijze voldoende te hebben geïnformeerd.”

4.

Bij brief van 22 november 2010 heeft de gemachtigde bij verweerder een klacht ingediend, omdat verweerder niet de moeite heeft genomen om nader aan te duiden op welke dossiers de geanonimiseerde brief betrekking heeft. Verweerder heeft in zijn brief van 24 november 2010 aan de gemachtigde meegedeeld dat het eiser betreft. Bij die brief heeft verweerder tevens de aan eiser verzonden brief van 8 november 2010, inclusief keuzeformulier, als bijlage gevoegd. Vervolgens heeft de gemachtigde bij brief van 29 november 2010, ontvangen bij verweerder op 26 november 2010, aangegeven dat eiser voor de uitspraak op bezwaar wil worden gehoord en dat eiser alle stukken betreffende de boetes wil inzien.

5.

Op 2 december 2010 heeft verweerder het door eiser ingevulde keuzeformulier ontvangen, waarbij eiser het vakje met de volgende tekst heeft aangekruist:

“Gaat akkoord met de inhoud van de brief van de inspecteur en trekt hierbij alle lopende bezwaarschriften in.”

Op voormeld keuzeformulier heeft eiser voorts nog de volgende tekst bijgeschreven:

“Wij hebben voor het bezwaarschrift Advocatuur [gemachtigde] ingeschakeld en reeds diverse rekeningen betaald

c.c. [gemachtigde]”.

6.

Verweerder heeft bij brief van 6 december 2010 de intrekking van de bezwaren aan eiser bevestigd. In die brief heeft verweerder aangegeven dat de in de aanslagen begrepen boetes, zoals vermeld in de brief van 8 november 2010, met een bedrag van € 3.560 zal worden verminderd en dat hij een proceskostenvergoeding van € 241,50 toekent. In die brief heeft verweerder tevens aangegeven dat de gemachtigde op 26 november 2010 heeft geschreven dat eiser voor de uitspraak op bezwaar wil worden gehoord en inzage wenst van alle stukken die op de boetes zien. Eiser heeft op voormelde brief van verweerder niet gereageerd.

7.

Met dagtekening 25 maart 2011 zijn de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1999 en 2000 met respectievelijk € 1.560 en € 2.000 ambtshalve verminderd.

8.

Bij brief van 22 juli 2013 heeft de gemachtigde aan verweerder aangegeven dat de navorderingsaanslagen niet voortvarend zijn opgelegd en dat deze dienen te worden vernietigd en heeft hij om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn verzocht. Voorts heeft de gemachtigde verzocht om voor de uitspraak op bezwaar te worden gehoord. Verweerder heeft bij brief van 24 juli 2013 hierop gereageerd en daarbij onder meer het door eiser ingediende keuzeformulier alsmede de brief van verweerder van 6 december 2010 aan de gemachtigde toegezonden, waarna de gemachtigde op 5 augustus 2013 de onderhavige beroepen heeft ingesteld.

Geschil

9. In geschil is of sprake is van het niet tijdig beslissen op de ingediende bezwaren. Daarbij verschillen partijen van opvatting over de vraag of de bezwaren rechtsgeldig zijn ingetrokken. Voorts is in geschil of eiser voor een vergoeding van immateriële schade in aanmerking komt.

10.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vraagt de rechtbank een termijn te stellen aan verweerder voor het geven van een uitspraak op de bezwaren.

11.

Verweerder concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de beroepen.

12.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

13.

Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen in werking getreden. Uit het in artikel III, eerste lid, van deze wet neergelegde overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

14.

Voor de beantwoording van de rechtsvraag of sprake is van het niet tijdig geven van een uitspraak op de ingediende bezwaren dient eerst de vraag beantwoord te worden of sprake is van een rechtsgeldige intrekking van de bezwaren.

Rechtsgeldige intrekking?

15.

Ingevolge artikel 6:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het bezwaar schriftelijk worden ingetrokken. Een intrekking van het bezwaar dient uitdrukkelijk en ondubbelzinnig te zijn (vgl. Hoge Raad 6 januari 2012, nr. 11/01476, ECLI:NL:HR:2012:BV0277).

16.

Artikel 6:17 van de Awb bepaalt dat het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde zendt, indien iemand zich laat vertegenwoordigen.

17.

Verweerder heeft zijn voornemen over te gaan tot afwikkeling van de bezwaren, zowel aan de gemachtigde als aan eiser toegezonden. De gemachtigde is hiervan op de hoogte gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder door de brief van 8 november 2010 ook rechtstreeks naar eiser te sturen niet gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 6:17 van de Awb. Evenmin heeft verweerder gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, gelet op de lange periode die was verstreken tussen de indiening van de bezwaren (21 mei 2003) en de mededeling omtrent de afwikkeling daarvan (8 november 2010). Naar aanleiding van die aan eiser toegezonden brief van 8 november 2010 heeft eiser in het daarbij gevoegde keuzeformulier het vakje aangekruist dat hij alle lopende bezwaarschriften intrekt. Naar het oordeel van de rechtbank moet het door eiser ingediende keuzeformulier, gelet op de duidelijke tekst bij het door eiser aangekruiste vakje, worden aangemerkt als een intrekking van de bezwaren. Deze intrekking is tevens bevoegd gedaan, nu het eiser vrij staat om zelf buiten zijn gemachtigde om tot de beslissing tot intrekking van de bezwaren te komen. De omstandigheid dat verweerder de bevestiging van de intrekking alleen aan eiser heeft gezonden en niet aan de gemachtigde, doet niet af aan de bevoegdheid tot die intrekking. Verweerder heeft daarbij evenmin onzorgvuldig gehandeld. Uit de onderhavige feiten blijkt namelijk dat de gemachtigde middels de brief van verweerder van 24 november 2010 bekend was met de aan eiser gerichte brief van 8 november 2010 en het daarbij gevoegde keuzeformulier en dat de gemachtigde hierop op 26 november 2010 een reactie heeft gegeven. Vervolgens heeft verweerder op 2 december 2010 de intrekking van eiser ontvangen met daarop de aantekening dat een kopie aan de gemachtigde is verzonden. Gelet hierop mocht verweerder aannemen dat in het onderhavige geval tussen eiser en de gemachtigde contact was geweest en dat eiser de gemachtigde van de intrekking op de hoogte had gesteld. Aldus heeft verweerder niet onzorgvuldig gehandeld door de brief van 6 december 2010 betreffende de ontvangstbevestiging van de intrekking alleen aan eiser toe te zenden. De omstandigheid dat de gemachtigde, naar hij heeft verklaard, van eiser geen bericht van de intrekking heeft ontvangen, kan verweerder niet worden aangerekend, aangezien dit een aangelegenheid tussen eiser en de gemachtigde betreft. Ook overigens hebben noch de brief van verweerder van 6 december 2010 noch de met dagtekening van 25 maart 2011 aan eiser toegezonden verminderingen tot een nadere reactie van eiser geleid. Pas op 22 juli 2013 heeft de gemachtigde verzocht om uitspraak op de bezwaren te doen, waarna de gemachtigde in beroep de stelling heeft ingenomen dat van een rechtsgeldige intrekking geen sprake is.

18.

Ingevolge vaste jurisprudentie kan een bevoegd gedane intrekking na afloop van de bezwaartermijn niet meer ongedaan worden gemaakt, tenzij sprake is van aan de betrokkene niet toe te rekenen omstandigheden. Van dat laatste is sprake wanneer de betrokkene in een situatie van dwaling verkeerde of indien blijkt van dwang of bedrog van enige zijde teneinde de betrokkene ertoe te bewegen het bezwaar in te trekken (vgl. CRvB 10 januari 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9147 en RvS 6 juli 2005, ECLI:NL:ABRVS:2005:AT8761). Van verschoonbare dwaling is geen sprake als de belanghebbende, al dan niet na overleg met een gemachtigde, tot intrekking is overgegaan door een onjuist inzicht in de reikwijdte van de wettelijke bepalingen (vgl. CRvB 4 februari 1983, LJN:AM7530, AB 1984, 310). Ook ingeval van miscommunicatie tussen belanghebbende en zijn gemachtigde is geen sprake van verschoonbare dwaling (vgl. CRvB 1 augustus 2012, nr. 12/2033, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3775).

19.

Dat in het onderhavige geval ten aanzien van eiser sprake is geweest van dwaling, dwang of bedrog als hiervoor bedoeld is niet aannemelijk geworden. Dat eiser zich bij het aankruisen van het vakje beweerdelijk heeft vergist en hij mogelijkerwijs na overleg met de gemachtigde niet tot de intrekking van de bezwaren was overgegaan, kan niet als een zodanige omstandigheid worden aangemerkt.

20.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat eiser de onderhavige bezwaren rechtsgeldig heeft ingetrokken. Dit brengt mee dat verweerder terecht niet is overgegaan tot het doen van een uitspraak op de bezwaren. De beroepen zijn dan ook ongegrond.

Vergoeding van immateriële schade

21.

Nu de bezwaren rechtsgeldig zijn ingetrokken, behoeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, naar de gemachtigde ter zitting ook heeft verklaard, thans geen behandeling meer. De rechtbank wijst dit verzoek dan ook af. Voor zover eiser alsnog een vergoeding van de door hem gestelde schade wenst, kan hij daarvoor een vordering bij de civiele rechter instellen.

Proceskosten

22.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Obbink-Reijngoud, voorzitter, en mr. M.A. Dirks en mr. J.W. van den Berge, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep