Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:1951

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
AWB-12_9244
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens een situatie als bedoeld in artikel 34e, eerste lid, van het ARAR. Er is sprake van het niet terugkeren na verleend langdurig buitengewoon verlof. Niet valt uit te sluiten dat eiseres per het moment waarop zij geacht wordt weer binnen verweerders organisatie werkzaam te zijn daadwerkelijk ziek was. Dit is niet onderzocht door verweerder. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen, althans dat sprake is van een motiveringsgebrek. Voorts heeft verweerder, voor zover al kan worden geoordeeld dat eiseres geen geldige reden heeft aangevoerd voor het niet hervatten van haar dienst en moet worden geacht een ontslagaanvraag te hebben ingediend, gehandeld in strijd met de circulaire Buitengewoon verlof in verband met het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie. Eiseres is niet expliciet gewaarschuwd dat ontslag zal worden verleend. Het besluit op bezwaar wordt vernietigd en het primaire besluit wordt herroepen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:64, geldigheid: 2014-02-19
Algemeen Rijksambtenarenreglement 34, geldigheid: 2014-02-19
Algemeen Rijksambtenarenreglement 58, geldigheid: 2014-02-19
Algemeen Rijksambtenarenreglement 34e, geldigheid: 2014-02-19
Algemeen Rijksambtenarenreglement 94, geldigheid: 2014-02-19
Algemene wet bestuursrecht 8:72, geldigheid: 2014-02-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/73

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/9244 AW

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], Frankrijk, eiseres

(gemachtigde: mr. I.L. Gerrits),

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), verweerder

(gemachtigde: mr. C.E. Wieringa-van Rees).

Procesverloop

Eiseres heeft bij brief van 26 september 2012 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 september 2012.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 2 juli 2013 ter zitting behandeld.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Van de zijde van verweerder is voorts verschenen [A], directeur Internationale Zaken (IZ).

Het onderzoek ter zitting is met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst.

Het onderzoek is hervat op de nadere zitting van 23 juli 2013.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Van de zijde van verweerder is voorts verschenen [A].

Overwegingen

1

De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Bij besluit van 12 juni 2008, gerectificeerd bij besluit van 2 oktober 2008, is eiseres op haar verzoek, op grond van artikel 34 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), van 1 juni 2008 tot en met 31 augustus 2008 buitengewoon verlof verleend zonder behoud van bezoldiging voor 36 uur per week. Met ingang van 1 september 2008 tot en met 31 augustus 2010 wordt eiseres gedetacheerd bij de World Health Organization (WHO) te Genève, waarover zij nader door de WHO wordt geïnformeerd.

Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2

Bij besluit van 6 augustus 2008, gerectificeerd bij besluit van 24 november 2008, is eiseres van 1 juni 2008 tot 1 september 2010 overgeplaatst naar de Directie IZ van verweerders departement in de functie van beleidsmedewerker. Voorts wordt eiseres op grond van artikel 58 van het ARAR met ingang van 1 september 2008 gedetacheerd bij de WHO te Genève, als Technical Officer bij de afdeling Ethnics, Equity, Trade and Human Rights. Gedurende deze periode en in verband met deze detachering wordt aan eiseres in het belang van de dienst langdurig buitengewoon verlof verleend, zonder behoud van bezoldiging. Gedurende de periode van tijdelijke tewerkstelling te Genève ontvangt eiseres salaris en ‘post-adjustments’ van de WHO. Eiseres wordt medegedeeld dat het de bedoeling is dat zij na afloop van de detachering terugkeert bij verweerders departement en dat zij breed inzetbaar is. Eiseres wordt erop gewezen dat zij een grote verantwoordelijkheid behoudt voor het zoeken naar een passende functie na deze detachering. Mocht eiseres geen passende functie vinden binnen VWS, dan zal zij als tijdelijke oplossing per 1 september 2010 voor maximaal een half jaar tijdelijk tewerkgesteld worden bij de eenheid Programma’s en Projecten (P&P). Indien na ommekomst van de detachering bij P&P geen passende functie is gevonden, keert eiseres terug naar het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) bij verweerders departement. Het blijft echter uitdrukkelijk de bedoeling dat eiseres instroomt bij een andere (beleids- of staf-)directie.

Eiseres heeft dit besluit voor akkoord ondertekend.

1.3

Bij besluit van 12 oktober 2010 is de detachering van eiseres bij de WHO verlengd van 1 september 2010 tot 1 juli 2011. In dit besluit staat vermeld dat de detacherings-overeenkomst en de afspraken in de brieven van verweerder van 6 augustus 2008 en 2 oktober 2008 onveranderd blijven.

Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4

Vanaf eind januari 2011 hebben eiseres en verweerder via e-mail contact gehad over de terugkeer van eiseres, waarbij verweerder haar op 10 februari 2011 heeft gewezen op een vacature bij de directie Voeding, Gezondheidsbescherming en Preventie (VGP). Voorts is er contact geweest over het zogenoemde terugkeerprofiel van eiseres en haar activiteiten ter zake van het zoeken naar een functie. Op 18 mei 2011 heeft verweerder eiseres gewezen op de functie van Algemeen Secretaris bij het CIBG.

Eiseres heeft op 29 juni 2011 telefonisch medegedeeld dat zij geen interesse heeft in deze functie. Voorts heeft eiseres medegedeeld dat zij onbezoldigd verlof gaat opnemen om voor haar zieke ouders te zorgen.

1.5

Bij e-mailbericht van 1 juli 2011 is eiseres medegedeeld dat het moeizaam is gebleken om haar recentelijk te bereiken, en dat aangenomen wordt dat eiseres bij het CIBG zal aanvangen met werkzaamheden. Eiseres wordt verzocht per omgaande te reageren.

Eiseres heeft bij e-mailbericht van 4 juli 2011 gereageerd.

1.6

Eiseres heeft haar werk op 1 juli 2011 niet hervat. Verweerder heeft de betaling van haar bezoldiging per die datum stop gezet.

1.7

Op 7 juli 2011 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiseres en de plaatsvervangend directeur IZ, [B]. Uit het daarvan door verweerder opgemaakte gespreksverslag blijk het volgende. Eiseres heeft medegedeeld dat zij voor haar ouders moet zorgen en dat haar hoofd niet staat naar andere dingen. Zij stelt dat de plaatsvervangend Secretaris-Generaal [C] (pSG) tijdens een gesprek akkoord is gegaan met haar mededeling dat zij verlof neemt als zij bij terugkeer geen passende functie vindt. Eiseres deelt mede dat zij nog moet bekijken wat voor soort verlof het wordt. Voorts wenst zij na de vakantie de optie van een regeling te bespreken, te weten ontslag met een financiële compensatie.

Tijdens dit gesprek is eiseres medegedeeld dat zij haar informatieplicht niet is nagekomen. Voorts wordt er op aangedrongen dat eiseres de aangeboden passende functie aanvaardt. Ook is eiseres gewezen op de mogelijke gevolgen van het weigeren van een passende functie en van het zonder toestemming met (onbezoldigd) verlof gaan na buitengewoon verlof.

1.8

Bij e-mailbericht van 20 juli 2011 heeft eiseres de pSG medegedeeld dat zij wegens privé omstandigheden geen functie heeft aanvaard. Voorts heeft zij aangegeven in de veronderstelling te verkeren verlof te genieten, maar dat de status van het verlof nog nader dient te worden bepaald. Ten slotte heeft eiseres wederom verzocht om een vertrekregeling.

Op 27 juli 2011 heeft de plaatsvervangend directeur IZ deze e-mail van eiseres beantwoord. Hij heeft onder meer aangegeven dat verweerder geen redenen ziet voor een vertrekregeling en eiseres erop gewezen dat zij conform de reguliere procedures verlof dient aan te vragen. Eiseres wordt geacht per 1 juli 2011 weer aan het werk te zijn. De dagen vanaf 1 juli 2011 worden vooralsnog in mindering gebracht op het vakantieverlof van eiseres.

1.9

Bij e-mailbericht van 10 augustus 2011 is eiseres onder meer medegedeeld dat zij duidelijkheid dient te geven over haar huidige status. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiseres op dat moment, zonder toestemming vooraf, verlof heeft genomen. In een gesprek zullen de mogelijke gevolgen hiervan met haar worden besproken.

Eiseres heeft een op 11 augustus 2011 gepland gesprek met de directeur IZ afgezegd.

1.10

Bij e-mailbericht van 17 augustus 2011 heeft eiseres de directeur IZ medegedeeld dat zij een zware periode achter de rug heeft, waardoor zij nog niet in staat is om te werken. Voorts heeft zij haar onvrede kenbaar gemaakt over het feit dat haar detachering niet is verlengd en is zij ingegaan op de gang van zaken rondom haar verwachte terugkeer. Eiseres heeft nogmaals verzocht om een vertrekregeling.

1.11

Bij e-mailbericht van 22 augustus 2011 heeft eiseres bij de directeur IZ geverifieerd of de ziekmelding die zij bij hem heeft gedaan op 17 augustus 2011 goed is overgekomen.

Bij e-mailbericht van 5 september 2011 heeft het hoofd Bedrijfsvoering, Ondersteuning en Informatie eiseres bevestigd dat zij vanaf 22 augustus 2011 als ziek staat geregistreerd op basis van haar e-mailbericht van die dag.

Eiseres heeft bij e-mailbericht van 6 september 2011 gereageerd.

1.12

Bij brief van 24 november 2011, aangevuld bij e-mailbericht van 28 november 2011, heeft de directeur IZ eiseres zijn visie op de gang van zaken kenbaar gemaakt. Aan eiseres is de gelegenheid geboden om in een persoonlijk gesprek op 9 december 2011 een afdoende verklaring te verschaffen voor het feit dat zij, zonder dat aan haar verlof is toegekend, heeft nagelaten haar werkzaamheden te hervatten.

Daarbij is eiseres gewezen op artikel 34e, eerste en tweede lid, van het ARAR.

1.13

Bij brief van 7 december 2011 heeft eiseres medegedeeld dat zij nog steeds ziek is, dat dit de reden is waarom zij haar werkzaamheden niet heeft hervat en dat zij daarom ook niet in staat is om te verschijnen op het gesprek van 9 december 2011.

1.14

Bij besluit van 27 december 2011 heeft verweerder eiseres met toepassing van artikel 94, eerste en tweede lid, van het ARAR ontslag verleend met ingang van 1 juli 2011.

Eiseres heeft bij brief van 3 februari 2012 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Voorts heeft zij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 8 mei 2012 (AWB 12/1223 AW) is het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen.

Eiseres is op 25 mei 2012 en 29 juni 2012 in het kader van haar bezwaar door de VWS-commissie bezwaarschriften personeel Awb (de commissie) gehoord.

Op 17 juli 2012 heeft de commissie verweerder geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit van 27 december 2011 te herroepen.

Bij het thans bestreden besluit van 20 september 2012 heeft verweerder, in afwijking van het advies van de commissie, het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

2

Verweerder heeft aan het ontslag van eiseres ten grondslag gelegd dat eiseres, in strijd met haar verplichtingen, haar werkzaamheden niet heeft hervat na afloop van het aan haar verleende buitengewoon verlof van lange duur. Verweerder heeft de door eiseres gestelde ziekte niet kunnen controleren door haar voortdurende afwezigheid. Het ziekteverzuim van eiseres wordt niet beschouwd als een afdoende verklaring voor het niet hervatten van haar werkzaamheden per 1 juli 2011. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hem niets bekend is van ziekte van eiseres op of rond 1 juli 2011. Nu eiseres geen geldige redenen heeft aangevoerd waarom zij niet heeft voldaan aan haar verplichting haar werkzaamheden te hervatten, wordt zij op grond van artikel 34e van het ARAR geacht een aanvraag tot ontslag te hebben ingediend. Gelet op dit artikel is een onmiskenbare en ondubbelzinnige wilsuiting van de betrokkene daartoe niet vereist. Verweerder heeft deze aanvraag ingewilligd.

3

Eiseres kan zich niet vinden in het bestreden besluit.

4.1

Ingevolge artikel 34, eerste lid, van het ARAR kan aan de ambtenaar op zijn aanvraag buitengewoon verlof van lange duur worden verleend, al dan niet met behoud van bezoldiging en al dan niet onder bepaalde voorwaarden.

Ingevolge artikel 34, tweede lid, van het ARAR gaat het verlof, bedoeld in het eerste lid, niet in dan nadat de ambtenaar schriftelijk heeft verklaard dat hij de daaraan verbonden voorwaarden aanvaardt.

4.2

Ingevolge artikel 34e, eerste lid, van het ARAR wordt de ambtenaar, die na afloop van hem verleend buitengewoon verlof van lange duur en zonder dat dit is verlengd, zijn dienst niet tijdig hervat, voor de toepassing van dit reglement geacht een aanvraag tot ontslag te hebben ingediend.

Ingevolge artikel 34e, tweede lid, van het ARAR is het eerste lid niet van toepassing, indien de ambtenaar binnen een redelijke termijn ten genoegen van Onze Minister aannemelijk maakt, dat hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten, in welk geval het verlof geacht wordt te zijn verlengd tot het tijdstip, waarop bedoelde geldige redenen hebben opgehouden te bestaan.

4.3

Ingevolge artikel 94, eerste lid, van het ARAR wordt de ambtenaar op zijn aanvraag ontslag verleend.

Ingevolge artikel 94, tweede lid, van het ARAR wordt, behoudens in het geval bedoeld in artikel 34e, eerste lid, dit ontslag verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand of later dan drie maanden na de dag, waarop de aanvraag om ontslag is ingekomen.

4.4

Bij circulaire Buitengewoon verlof in verband met het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 augustus 2010 (hierna: de circulaire), kenmerk 2010-0000524982 (Stcrt. 2010, 13076), is beleid ter zake van artikel 34 van het ARAR bekend gemaakt.

5.1

De rechtbank overweegt allereerst dat artikel 34e van het ARAR in beginsel van toepassing is op de ambtenaar die zijn dienst niet tijdig na afloop van buitengewoon verlof hervat en niet binnen een redelijke termijn aannemelijk maakt, dat hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten. Het standpunt van eiseres dat dit artikel alleen van toepassing is op ambtenaren die hun dienst niet hervatten na afloop van buitengewoon verlof en in het geheel niet bereikbaar zijn, wordt niet gevolgd. De tekst van dit artikel noopt niet tot een dergelijke beperkte uitleg. Thans dient te worden beoordeeld of verweerder op goede gronden tot het standpunt heeft kunnen komen dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 34e, eerste lid, van het ARAR.

5.2

De rechtbank overweegt dat eiseres geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de besluiten van 6 augustus 2008, zoals gerectificeerd bij besluit van 24 november 2008, en 12 oktober 2010, zoals weergegeven in de overwegingen 1.2 en 1.3. Deze besluiten staan derhalve in rechte vast. Eiseres heeft daarnaast het besluit van 6 augustus 2008, waarin de voorwaarden voor detachering en buitengewoon verlof zijn uiteengezet, voor akkoord ondertekend. Uit het voorgaande volgt dat eiseres tot 1 juli 2011 buitengewoon verlof heeft genoten.

5.3

In de diverse contacten met eiseres, zoals weergegeven in de overwegingen 1.5 en 1.7 tot en met 1.9, heeft verweerder bij herhaling benadrukt dat eiseres per 1 juli 2011 diende terug te keren binnen de organisatie, dat zij werkzaamheden zou moeten verrichten - waarbij eiseres is gewezen op functies - en dat eiseres, zou daarvan sprake kunnen zijn, verlof diende aan te vragen. Van enige onduidelijkheid van verweerder op dit punt is geen sprake. Niet in geschil is dat eiseres per 1 juli 2011 haar dienst niet heeft hervat.

5.4

Eiseres heeft evenwel gesteld dat tijdens haar gesprek in april 2011 met de pSG, is afgesproken dat zij haar werkzaamheden niet per 1 juli 2011 zou hoeven verrichten en wel voor de periode van één jaar.

De rechtbank overweegt dat de pSG in zijn verklaring van 15 juni 2012 heeft gesteld dat eiseres tijdens het gesprek op 20 april 2011 haar wens om onbetaald verlof na afloop van haar detachering aan de orde heeft gesteld en dat hij in reactie daarop heeft aangegeven dat het doel en streven was dat eiseres per 1 juli 2011 terugkeerde naar de VWS-organisatie. Onbetaald verlof na afloop van de detachering was niet aan de orde. In dit kader heeft hij geen toezegging gedaan. Hetgeen eiseres heeft gesteld maakt niet dat aan de verklaring van de pSG kan worden getwijfeld. Uit het vorenstaande volgt dat aan eiseres geen verlof is verleend per 1 juli 2011 en dat bovendien niet gebleken is van een verweerder op dit punt bindende toezegging. De mededeling van verweerder dat afwezigheid vanaf 1 juli 2011 in mindering wordt gebracht op vakantieverlof kan hier niet aan afdoen, nu dit niet als een akkoord van verweerder met de afwezigheid van eiseres kan worden beschouwd.

5.5

Eiseres heeft voorts gesteld dat zij ziek was en op grond daarvan verhinderd was om per 1 juli 2011 werkzaamheden te verrichten.

De rechtbank stelt vast dat eiseres in haar e-mailbericht van 22 augustus 2011 expliciet aan verweerder heeft gemeld ziek te zijn.

Verweerder heeft eiseres laatstelijk bij brief van 24 november 2011 in de gelegenheid gesteld om tijdens een gesprek op 9 december 2011 een afdoende verklaring te geven voor het nalaten om haar werkzaamheden te hervatten. Eiseres heeft bij brief van 7 december 2011 medegedeeld dat zij er op vertrouwt dat haar ziekteverzuim een afdoende verklaring vormt voor het niet kunnen hervatten van haar werkzaamheden, dat zij nog niet hersteld is van haar ziekte en dat zij om deze reden niet aanwezig kan zijn bij een gesprek. Ook stelt eiseres dat zij in een te volgen separate brief verder zal ingaan op de brief van verweerder van 24 november 2011. Verweerder heeft bij het primaire besluit van 27 december 2011, waarbij eiseres ontslag is verleend, vervolgens geconstateerd dat de nadere toelichting van eiseres is uitgebleven en zich op het standpunt gesteld dat het ziekteverzuim van eiseres voor verweerder oncontroleerbaar is en dat het ziekteverzuim niet als een afdoende verklaring wordt beschouwd voor het niet hervatten van haar werkzaamheden sinds 1 juli 2011.

Van belang is dat verweerder de ziekmelding van eiseres per 22 augustus 2011 heeft geaccepteerd en dat een poging is gedaan om eiseres door de bedrijfsarts te laten controleren. Eiseres is verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts op 12 september 2011. De bedrijfsarts was afwezig door ziekte en eiseres kon niet door een collega van de bedrijfsarts worden gezien. Eiseres heeft gesteld dat zij nadien niet meer is opgeroepen, hetgeen door verweerder niet is weersproken. Evenmin is gebleken dat door of namens de bedrijfsarts op een ander moment aan eiseres is verzocht haar ziekte nader te onderbouwen. Verweerder heeft aanvankelijk 22 augustus 2011 aangenomen als datum ziekmelding, maar heeft de betreffende omstandigheden ook meegenomen in zijn overwegingen ter zake van mogelijke ziekte van eiseres per 1 juli 2011. De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande niet volgt dat controle van het ziekteverzuim van eiseres niet mogelijk was.

De rechtbank volgt wel het standpunt van verweerder dat eiseres ten tijde van het primaire besluit van 27 december 2011, hoewel zij daartoe geruime tijd de gelegenheid had, geen nadere onderbouwing heeft gegeven van de reden waarom zij haar dienst per 1 juli 2011 niet heeft hervat.

Eiseres heeft echter bij haar bezwaar van 3 februari 2012 en nadien in het kader van de procedures bij de rechtbank verklaringen van haar huisarts overgelegd, waarin is vermeld dat zij ziek was tot 1 oktober 2011. Eiseres heeft ter zitting van de rechtbank op 23 juli 2013 medegedeeld dat zij de verklaringen van haar huisarts al eerder in haar bezit had, maar ervoor heeft gekozen deze niet (direct) over te leggen omdat zij dacht dat zij per 1 juli 2011 verlof kon krijgen. Verweerder heeft in beroep de brief van de WHO van 15 juli 2013 overgelegd, waaruit blijkt dat, naar aanleiding van een door eiseres op 8 juni 2012 ingezonden medische verklaring - inhoudende dat zij ziek was tot 15 juli 2011 -, eiseres bij de WHO alsnog als ziek is geregistreerd tot 30 juni 2011. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij op 1 juli 2011 ziek was en dat aan de verklaringen van de huisarts beperkte bewijskracht toekomt.

De rechtbank overweegt dat, wat er ook zij van dit standpunt van verweerder, niet valt uit te sluiten dat eiseres per 1 juli 2011, derhalve het moment waarop zij geacht wordt weer binnen verweerders organisatie werkzaam te zijn, daadwerkelijk ziek was. Niet gebleken is dat verweerder dat heeft onderzocht. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen, althans dat sprake is van een motiveringsgebrek.

5.6

Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat, voor zover al kan worden geoordeeld dat eiseres geen geldige reden heeft aangevoerd voor het niet hervatten van haar dienst en moet worden geacht een ontslagaanvraag te hebben ingediend, verweerder heeft gesteld bij zijn besluitvorming de circulaire te hebben betrokken.

In punt 11. Terugkeer van de circulaire is vermeld:

Als de ambtenaar niet wil terugkeren, dient hij tijdig een aanvraag tot eervol ontslag in te dienen. Op grond van artikel 34 e ARAR of 46a RDBZ wordt de ambtenaar die zonder toestemming van het bevoegd gezag niet terugkeert geacht een aanvraag tot ontslag te hebben ingediend. Het ligt in de rede deze bepaling pas toe te passen nadat de ambtenaar is gewaarschuwd dat ontslag zal worden verleend indien hij volhardt in het niet terugkeren van het verlof.

Verweerder heeft ter zitting van de rechtbank op 23 juli 2013 medegedeeld dat niet valt te bewijzen dat eiseres een expliciete waarschuwing is gegeven dat ontslag zal worden verleend. Wel was eiseres daarvan voldoende op de hoogte, hetgeen volgens verweerder gelijk te stellen valt met een expliciete waarschuwing.

De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken vast dat een waarschuwing, zoals is vermeld in de circulaire, is uitgebleven. Eerst bij het voornemen van 24 november 2011 is kenbaar gemaakt dat een ontslag op grond van artikel 34e van het ARAR aan de orde is. Het standpunt van verweerder dat een situatie waarin de ambtenaar had kunnen begrijpen wat de gevolgen konden zijn gelijkgesteld kan worden aan een waarschuwing, nog daargelaten de vraag of daarvan in het geval van eiseres sprake was, wordt niet gevolgd. Dit volgt niet uit de circulaire. Verweerder heeft dan ook gehandeld in strijd met de circulaire.

6

Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit van 20 september 2012 komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van 27 december 2011 te herroepen. De rechtbank vermag niet in te zien dat de aan de besluitvorming klevende gebreken met terugwerkende kracht kunnen worden geheeld door middel van een nieuwe beslissing op bezwaar. Het is aan partijen om desgewenst nadere initiatieven te nemen.

7

De rechtbank zal verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.678,50, te weten 5,5 punten voor het bezwaarschrift (1), verschijnen hoorzitting en nadere hoorzitting (1,5), het beroepschrift (1), verschijnen twee zittingen in beroep (2), waarde per punt € 487,-- bij een zaak van gemiddeld gewicht.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 20 september 2012;

- herroept het primaire besluit van 27 december 2011;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,-- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.678,50 te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Allewijn, voorzitter, mr. A. Douwes en mr. J.E. Visser, leden, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.