Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:1913

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
385360 HA ZA 11-229
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kwekersrechtzaak. Na deskundigenonderzoek is voorshands bewezen geacht dat in een deel van de in beslag genomen plantenmonsters van het ras is waarvan eiseres de kwekersrechtenhoud. Geen tegenbewijs aangeboden, zodat inbreuk is komen vast te staan. Inbreukverbod gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel – Kamer voor het kwekersrecht

zaaknummer / rolnummer: 385360 / HA ZA 11-229

Vonnis van 29 januari 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] EN [B] EN ZN. B.V.,

2. de stichting

STICHTING GLADIOLEN COMBINATIE,

beide gevestigd te Ens, gemeente Noordoostpolder,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat: mr. P.S. Jonker te Rotterdam,

tegen

[C] ,

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat: voorheen mr. W.O. Russel, advocaat te Amsterdam, thans mw. mr. J.C. Jaspers, advocaat te Utrecht.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk [A] c.s. genoemd worden. Afzonderlijk zullen zij waar nodig als [A] en Glaco worden aangeduid. Gedaagde zal [C] genoemd worden. Voor [A] c.s. is opgetreden de advocaat voornoemd. [C] is ter zitting bijgestaan door mr. Jaspers.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 18 november 2010 met producties 1 t/m 8;

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 t/m 4 van 30 maart 2011;

- het tussenvonnis van 13 april 2011, waarbij een comparitie is bepaald;

- de instructie van de rechtbank aan partijen van 7 december 2011 waarin onder meer gelegenheid is gegeven bij akte in te gaan op een rapport van Naktuinbouw, met bepaling dat die akte uiterlijk twee weken voorafgaand aan de comparitie dient te worden ingediend;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 18 januari 2012 met de daarin genoemde stukken;

- de rolinstructie ter rolle van 21 november 2012;

- de akte uitlaten zijdens [A] c.s. van 19 december 2012 met de producties 15 en 16A en 16B (per abuis is niet doorgenummerd);

- de akte uitlaten zijdens [C] van 16 januari 2013;

- de (fax)brief van mr. Jonkers van 17 januari 2013 waarbij bezwaar wordt gemaakt tegen een deel van de inhoud van de door [C] genomen akte;

- de rolbeslissingen van 30 januari 2013 waarbij de beslissing op het door [A] c.s. gemaakte bezwaar wordt aangehouden tot eindvonnis en waarbij het verzoek van [C] tot het nemen van een nadere akte niet wordt toegestaan;

- het zijdens [C] ter rolle van 13 februari 2013 ingediende B7-formulier waarbij wordt verzocht pleidooi te bepalen;

- de akte uitlaten zijdens [A] c.s. van 27 februari 2013;

- de rolbeslissing van 2 oktober 2013 waarbij het verzoek om pleidooi is toegestaan en bepaald op 9 januari 2014 te 14.00 uur;

- de akte houdende overlegging van producties zijdens [A] c.s. van 9 januari 2014 met productie 16 (per abuis is niet doorgenummerd);

- de akte houdende overlegging van producties zijdens [C] met producties 13 t/m 25, welke is genomen ter zitting van 9 januari 2014;

- de akte houdende overlegging van productie zijdens [A] c.s. met productie 17, zijnde een opgave en specificatie van de proceskosten ex artikel 1019h Rv, welke is genomen ter zitting van 9 januari 2014;

- de door beide partijen gehanteerde pleitnotities ter zitting van 9 januari 2014; in de pleitnota van [A] c.s. is doorgehaald paragraaf 8, welke niet is gepleit.

1.2.

Ter zitting van 9 januari 2014 heeft [C] aangegeven dat op 8 januari 2014 aan de kamer voor het kwekersrecht en de advocaat van de wederpartij een ‘akte wijziging tevens vermeerdering eis’ met een aantal producties is gestuurd. De kamer voor het kwekersrecht heeft te kennen gegeven de stukken niet te hebben ontvangen. [A] c.s. heeft tegen de akte en de producties bezwaar gemaakt. Na beraad heeft de kamer voor het kwekersrecht de akte zowel als de producties geweigerd wegens strijd met de goede procesorde.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[A] is houdster van het Nederlands Kwekersrecht voor het gladiolenras AMSTERDAM, ingeschreven op 10 december 1984 onder nummer 6616.

2.2.

Glaco houdt zich blijkens haar statuten bezig met de bevordering van de gladiolencultuur en de verrijking van het gladiolenassortiment door de verwerving van licenties van gladiolencultivars en door de bevordering van de teelt en verkoop van gladiolencultivars.

2.3.

Glaco heeft een exclusieve licentieovereenkomst gesloten met [A] met betrekking tot het hiervoor genoemde kwekersrecht van [A] voor het gladiolenras AMSTERDAM. Daarin is onder meer vastgelegd dat Glaco bevoegd is om voorbehouden handelingen ten aanzien van het ras AMSTERDAM te verrichten. De overeenkomst houdt voorts in dat (leverbare) knollen van het ras AMSTERDAM uitsluitend mogen worden verhandeld aan eindgebruikers/bloemtelers, al dan niet met inschakeling van de (tussen)handel, waarbij aan elke latere verkrijger van (leverbare) knollen van het ras AMSTERDAM bij wijze van kettingbeding de verplichting is opgelegd dat uitdrukkelijk dient te worden vermeld dat:

- het een kwekersrechtelijk beschermd ras betreft;

- (verdere) vermeerdering is verboden; en

- zodanig kettingbeding bij alle volgende verkopen moet worden meegenomen tot aan verkoop aan eindgebruiker/bloemteler.

2.4.

[C] richt zich op de groot- en commissiehandel in bloembollen en bloemen en de export daarvan. [C] heeft van Glaco geen toestemming verkregen voorbehouden handelingen ten aanzien van (plant- /teelt) materiaal van het ras AMSTERDAM te verrichten.

2.5.

Bij beschikking van 26 februari 2010 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar op verzoek van Coöperatieve Rabobank Alkmaar e.o. U.A. (hierna: Rabobank) onder meer verlof verleend tot het ten laste van [C] leggen van conservatoir beslag tot afgifte op het zich onder [C], althans onder derden in opdracht van [C], bevindende materiaal van het ras COLUMBUS. Op 3 maart 2010 heeft Rabobank het conservatoir beslag tot afgifte doen leggen op het materiaal, dat zich in opdracht van [C] bij v.o.f. [D] aan de [adres], [postcode + woonplaats] bevond.

2.6.

Bij beschikking van 8 maart 2010 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar op verzoek van [A] c.s. verlof verleend tot het ten laste van [C] leggen van conservatoir beslag tot afgifte op hetzelfde materiaal, dit keer omschreven als materiaal van het ras AMSTERDAM, alsmede tot het maken van een gedetailleerde beschrijving hiervan. Het verzoek tot monsterneming en het aanstellen van Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (hierna: Naktuinbouw) als bewaarder om met de monsters een opplanting te doen teneinde morfologisch- en genotypisch onderzoek uit te voeren, is door de voorzieningenrechter afgewezen. De deurwaarder is op 8 maart 2010 tot het leggen van beslag overgegaan. Het beslagen materiaal is onder toezicht van de deurwaarder aan [E] B.V. te Waarland (hierna: [E]), die daartoe als bewaarder is aangesteld, in gerechtelijke bewaring gegeven. In het verzoekschrift had [A] c.s. vermeld dat zij geen (persoonlijke) relatie met [E] onderhoudt.

2.7.

Bij brief van 23 maart 2010 is [C] door [A] c.s. gesommeerd om – kort gezegd – te bevestigen dat het in beslag genomen materiaal het ras AMSTERDAM betreft en vrijwillige medewerking te verlenen aan de vernietiging daarvan.

2.8.

Omdat [C] aan de in 2.7. genoemde sommatie geen gevolg gaf, heeft [A] c.s. bij verzoekschrift van 9 juli 2010 de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar verlof gevraagd om de instrumenterende deurwaarder in het bijzijn van een onafhankelijk deskundige, de heer [F], werkzaam bij Naktuinbouw, uit het bij [E] in gerechtelijke bewaring gegeven beslagen materiaal voldoende materiaal van het ras AMSTERDAM te mogen verwijderen en in handen te stellen van Naktuinbouw.

2.9.

Op 9 augustus 2010 heeft voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Partijen zijn blijkens het proces-verbaal van de zitting het volgende overeengekomen:

1. Partijen zullen de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (KAVB) verzoeken monsters te nemen van het in beslag genomen plantmateriaal en een morfologisch en genotypisch onderzoek uit te voeren teneinde de identiteit van het plantmateriaal vast te stellen.

2. Indien de KAVB aan partijen bericht dat zij het morfologisch en/of genotypisch onderzoek niet of niet zelf uitvoert, zullen partijen de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw inschakelen teneinde voornoemde onderzoeken te doen uitvoeren.

3. Bij de bemonstering mogen partijen of hun vertegenwoordiger aanwezig zijn.

4. De onderhavige procedure wordt per heden doorgehaald.

2.10.

Bij e-mail van 1 september 2010 heeft de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (hierna: KAVB) bericht het genotypisch onderzoek niet uit te kunnen voeren. Gelet hierop hebben partijen ermee ingestemd Naktuinbouw te verzoeken het gewenste onderzoek uit te voeren.

2.11.

Op 19 november 2010 heeft Naktuinbouw in samenwerking met het Scheidsgerecht voor de Bloembollenhandel (hierna: het scheidsgerecht) bij [E] uit het inbeslaggenomen materiaal met de naam ‘Columbus’ 49 monsters genomen voor nader onderzoek op verdenking van inbreuk op het ras AMSTERDAM. De monsters zijn volgens de regels van het scheidsgerecht genomen.

2.12.

Bij rapport van 22 maart 2011 heeft Naktuinbouw haar bevindingen aan partijen medegedeeld. Het rapport luidt voor zover hier relevant als volgt:

1. INTRODUCTIE

Het doel van dit project is het onderzoeken van de genetische onderscheidbaarheid van een 44 tal in beslag genomen gladiolen monsters. Op verzoek van HJF Advocaten (Mr. [G]) en in samenwerking met het Scheidsgerecht voor de Bloembollenhandel (dhr. [H], [telefoonnummers weggelaten, rb]) van de KAVB zijn op 19 november 2010, 49 gladiolen monsters met de aanduiding ‘Columbus’ bemonsterd voor nader onderzoek op verdenking van inbreuk op het kwekersrechtelijk beschermde ras ‘Amsterdam’. De monstername vond plaats in Waarland (bij de fa. [E]), [adres weggelaten, rb], alwaar een partij gladiolen bestaande uit 49 pallets (deelpartijen) stond opgeslagen. Elke pallet bevatte verscheidene gaasbakken met eenzelfde soort materiaal, namelijk kralen en pitten in diverse maten zoals beschreven in het proces-verbaal van 8 maart 2010 dat de deurwaarder heeft opgemaakt ten tijde van de beslaglegging (L1000626/FJM). Van elke pallet is een monster getrokken, van de 4 bovenste bakken, per rij, minimaal 60 bollen/kralen, zoals beschreven in het formulier proces-verbaal N°1351 van Scheidsgerecht voor de Bloembollenhandel (zie Bijlage 1). Pallet 7, 39 en 48 zijn niet bemonsterd. De pallets 12 en 43 zijn samengevoegd tot monster GLD 10-212 en de pallets 44 en 47 zijn samengevoegd tot monster GLD 10-244 van de 49 pallets zijn dus in totaal 46 pallets bemonsterd resulterend in 44 monsters. Het Scheidsgerecht heeft de zakken met gladiolen verzegeld en deze zegels zijn op 10 december 2010 bij Naktuinbouw te Roelofarendsveen, in bijzijn van het scheidsgerecht verbroken, opdat het materiaal kon worden uitgeplant (zie formulier Proces-verbaal N° 1352 in Bijlage 1). Naast het in beslag genomen materiaal zijn er verscheidende referentie rassen opgenomen in dit project. De set referentie rassen is samengesteld volgend de Naktuinbouw richtlijn “Variety Tracer-research plan-algemeen-v2” en bestaat uit:

1. rassen die samen zo volledige mogelijk de (genetische) diversiteit van het gewas gladiool vertegenwoordigen.

2. rassen die genetisch verwant zijn aan het ras ‘Amsterdam’.

3. rassen die genetisch niet-verwant zijn aan het ras ‘Amsterdam’.

4. (identiteits)monsters van het ras ‘Amsterdam’ met een verschillende oorsprong/herkomst.

5. rassen die aan elkaar verwant zijn omdat ze afkomstig zijn uit dezelfde kruisingsouders.

6. rassen die uit elkaar zijn voortgekomen en mutanten van elkaar zijn en dus genetisch (vrijwel) identiek zijn aan elkaar.

Er is getracht om onafhankelijk materiaal aangeduid als het ras ‘Columbus’ op te nemen in dit project, maar dit materiaal kon niet verkregen worden. In totaal zijn er 74 monsters opgenomen in de analyse.

[…]

4. CONCLUSIE EN DISCUSSIE

 In dit project is er ervaring opgedaan met het gewas Gladiool.

 Er konden in dit project met 4 primer combinaties 151 merkers betrouwbaar gescoord worden. Het ‘in beslag genomen materiaal’ kon met de gebruikelijke reactiecondities in 4 verschillende clusters worden ingedeeld:

 Cluster 1, het grootste met 28 onderzochte deelpartijen (groen) komt overeen met referentiemonsters van het ras ‘Amsterdam’. Onder de gebruikte reactiecondities worden identieke DNA profielen waargenomen voor alle lichtgroene monsters.

 2 referentie monsters van ‘Amsterdam’ (GLD 10-250, Amsterdam A en GLD 10-258, Amsterdam B), beide bemonsterd in Waarland maar oorspronkelijk van andere herkomst, wijken beide 1 merker af van het grote Cluster ‘Amsterdam’.

 Een verklaring hiervoor kan zijn dat het een oud ras betreft waar door vermeerdering en selectie op verschillende locaties, kleine (genetische) verschillen kunnen zijn ontstaan in de loop van de tijd.

 Cluster 2 van het ‘in beslag genomen materiaal’ (rood) bestaande uit 14 deelpartijen, wijkt af van ‘Amsterdam’. Voor 13 deelpartijen (donker rood) werden identieke DNA profielen waargenomen. GLD 10-223 (licht rood) wijkt iets af (2 merkers). Dit cluster vertoont geen genetische overeenkomst met een referentieras uit dit onderzoek.

 Cluster 3 bestaat uit deelpartij GLD 10-246. Dit cluster heeft geen directe verwantschap met een ander onderzocht monster maar clustert het dichtst bij GLD 10-255 ‘White Prosperity’.

 Cluster 4 bestaat uit deelpartij GLD 10-233. Dit cluster heeft ook geen directe verwantschap met een ander onderzocht monster maar clustert het dichtst bij GLD 10-259 ‘Spic & Span’.

 Bij de fa. [E] in Waarland alwaar het ‘in beslag genomen materiaal’ is bemonsterd, hebben wij ten minste materiaal met 4 verschillende identiteiten aangetroffen. Deze zijn tevens onafhankelijk van elkaar. 28 van de 44 onderzochte monsters (en 46 bemonsterde pallets) hebben DNA profielen die identiek zijn aan de profielen van referentiemonsters (van verschillende herkomst) van het beschermde ras ‘Amsterdam’.

 Het ras Semarang (GLD 10-275) en het ras Flevo Souvenir (GLD 10-276) konden met de gebruikte condities niet van elkaar onderscheiden worden. Dit is te verklaren doordat de rassen mutanten van elkaar zijn.

 GLD 10-278 (Flevo Design) en GLD 10-277 (Flevo Express) zijn nauw verwant aan elkaar gezien zij voortkomen uit dezelfde kruisingsouders (broer/zus).

 Desondanks is hun onderlinge genetische verwantschap met “Jaccard” similariteit van 56,9 niet erg groot.

 Dit resultaat impliceert dat bij “Jaccard” similariteiten van >90 (zoals in cluster 1 en 2) er naar alle waarschijnlijkheid sprake is van identiek materiaal of afgeleid materiaal.

Uit het rapport is op te maken dat de referentiemonsters van het ras Amsterdam afkomstig zijn van vijf verschillende bronnen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[A] c.s. vordert dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

1. [C] beveelt om met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis ieder handelen als omschreven in artikel 57 van de Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005 (hierna: ZPW) met betrekking tot het ras AMSTERDAM te staken en gestaakt te houden;

2. [C] beveelt om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, aan de raadsman van [A] c.s. een door een onafhankelijke registeraccountant en voor rekening van [C] op te stellen en te controleren schriftelijke opgave te verstrekken van:

a. al het bedrijfsmatig tot op heden door [C] of in zijn opdracht of anderszins door derden voortgebrachte, verder vermeerderde, ten behoeve van de vermeerdering behandelde, in de handel gebrachte, uit- of ingevoerde, voor één van deze doeleinden in voorraad zijnde c.s. geweest zijnde (plant- /teelt) materiaal van het ras AMSTERDAM, volledige planten, plantendelen, knollen alsmede geoogst materiaal daaronder begrepen;

b. orderbevestigingen, vervoersdocumenten, afleverbewijzen en facturen van het door [C] aangekochte, verkochte en/of afgeleverde (plant- /teelt) materiaal van het ras AMSTERDAM, planten, plantendelen, knollen alsmede geoogst materiaal daaronder begrepen, en zulks onder opgave van de inkoop- en verkoopprijzen en de namen en adressen van personen of bedrijven van wie [C] dit (plant- /teelt) materiaal van het ras AMSTERDAM heeft gekocht alsmede aan wie [C] het heeft verkocht;

c. de met het bedrijfsmatig tot op heden door [C] of in zijn opdracht of anderszins door derden voortgebrachte, verder vermeerderde, ten behoeve van de vermeerdering behandelde, in de handel gebrachte, uit- of ingevoerde, voor één van deze doeleinden in voorraad zijnde / geweest zijnde (plant- /teelt) materiaal van het ras AMSTERDAM genoten winst;

3. [C] beveelt om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, het in conservatoir beslag genomen en daarna aan [E] B.V. te Waarland in gerechtelijke bewaring gegeven (plant- /teelt) materiaal van het ras AMSTERDAM om niet aan [A] c.s. te overhandigen dan wel ter beschikking te stellen, en [A] c.s. toe te staan dit (plant- /teelt) materiaal op kosten van [C] te (doen) vernietigen, zulks op grond van artikel 70 lid 5 ZPW;

4. [C] veroordeelt tot betaling aan [A] c.s. van een dwangsom van € 10.000,00, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, voor iedere dag gedurende welke [C] in gebreke mocht blijven met nakoming van het onder 1, 2 en/of 3 gevorderde, of enig deel daarvan;

5. [C] veroordeelt tot vergoeding aan [A] c.s. van de door [A] c.s. ten gevolge van de inbreuk geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot en met de dag van de volledige voldoening, althans, naar keuze van [A] c.s., tot afdracht aan [A] c.s. van de met de inbreuk genoten winst, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot en met die van de voldoening;

6. [C] te veroordelen in de kosten van de procedure in de zin van artikel 1019h Rv.

3.2.

Aan haar vorderingen legt [A] c.s. ten grondslag dat het inbeslaggenomen materiaal van het ras AMSTERDAM door [C] door niet toegestane vermeerdering of onrechtmatige aankoop moet zijn verkregen en door toedoen van [C] zonder toestemming van [A] c.s. in het verkeer is gekomen. Deze handelingen van [C], in het bijzonder het voortbrengen en verder vermeerderen, het ten behoeve van de vermeerdering behandelen, het in de handel brengen en het daartoe in voorraad hebben, maken volgens [A] c.s. inbreuk op het aan [A] toekomende kwekersrecht voor het gladiolenras AMSTERDAM en zijn onrechtmatig jegens [A] c.s.

3.3.

[C] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

Na wijziging van eis vordert [C] – samengevat – primair veroordeling van [A] c.s. tot betaling van € 3.390.000, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, althans subsidiair [A] c.s. te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en met veroordeling van [A] c.s. in de volledige kosten van de procedure ex artikel 1019h Rv. Aan deze vorderingen legt hij ten grondslag dat hij door het beslag op het teeltmateriaal aanzienlijke schade heeft geleden.

3.6.

[A] c.s. voert verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

bevoegdheid

4.1.

De bevoegdheid van de rechtbank van de vorderingen in conventie kennis te nemen volgt uit artikel 78 lid 2 onder a jo. artikel 70 ZPW en is overigens niet bestreden.

wijziging van eis

4.2.

Het zijdens [A] c.s. gemaakte bezwaar tegen de wijziging van eis in reconventie wordt afgewezen nu het slechts een eenvoudige eiswijziging betreft, te weten de proceskostenveroordeling op grond van artikel 1019h Rv (in plaats van het liquidatietarief) en niet valt in te zien dat [A] c.s. daardoor wordt benadeeld. Te meer niet nu [C] geen opgave heeft gedaan van zijn proceskosten en deze evenmin heeft onderbouwd zodat in voorkomend geval uitsluitend van een veroordeling conform het liquidatietarief sprake kan zijn.

bezwaar akte 16 januari 2013

4.3.

[A] c.s. heeft voorts bezwaar gemaakt tegen een deel van de inhoud van de akte van [C] van 16 januari 2013. Dit bezwaar slaagt. Bij rolinstructie heeft de rechtbank partijen verzocht zich uit te laten over de vraag of het kwekersrecht waarop [A] c.s. haar vorderingen baseert, nog niet was verstreken. [C] heeft deze instructie echter ten onrechte ook aangegrepen om zijn standpunt ten aanzien van de inbreuk nog eens over het voetlicht te brengen. Aangezien zulks in strijd komt met de eisen van een goede procesorde, zal de akte worden geweigerd voor zover het meer omvat dan de eerste zin op pagina 2.

inbreuk

4.4.

[A] c.s. heeft de gestelde inbreuk op het kwekersrecht, welk recht volgens beide partijen nog van kracht is, toegelicht aan de hand van het door Naktuinbouw opgestelde rapport (vgl. 2.12.). De uitkomsten van dit onderzoek zijn door [C] als zodanig niet weersproken. Wel heeft [C] ter zitting van 18 januari 2012 aangevoerd van het rapport ‘geen cacao te [kunnen] maken’ en alleen maar vragen te hebben, waarvan er een ziet op de gebruikte referentiemonsters. Aan dit – niet onderbouwde – betoog wordt evenwel voorbijgegaan. Niet in geschil is dat het rapport van Naktuinbouw sinds maart 2011 in bezit van partijen is (vgl. ook de eigen stelling van [C] in het proces-verbaal van de comparitie van 18 januari 2012). De rechtbank heeft partijen bij wijze van instructie op 7 december 2011 in de gelegenheid gesteld bij akte in te gaan op de inhoud van het rapport, welke akte uiterlijk 14 dagen voorafgaand aan de comparitie moest worden ingediend. [C] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Ter zitting is desgevraagd aangegeven dat [C] zoveel vragen heeft bij het rapport dat hij om die reden van de geboden gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt; verder wilde hij geen extra (advocaat)kosten maken. Het eerste argument overtuigt geenszins. Als [C] zoveel vragen heeft bij het rapport, had hij de akte juist kunnen benutten om een en ander over het voetlicht te brengen. Dat [C] geen verdere kosten wilde maken, is een keuze die voor zijn rekening en risico komt.

4.5.

Bij die stand van zaken is reeds hierom van de juistheid van de door Naktuinbouw in het rapport verwoorde conclusies, inhoudende dat 28 van de 44 monsters (overeenkomend met 46 pallets) DNA-profielen hebben die identiek zijn aan de profielen van de referentiemonsters van het ras AMSTERDAM, uit te gaan. Daar komt nog bij dat partijen ten pleidooie van 9 januari 2014 hebben aangegeven dat het ras COLUMBUS niet een mutant van het ras Amsterdam is, maar een kruising van dit laatste ras met een ander ras. Gelet daarop wordt verwacht dat het ras COLUMBUS een duidelijk van het ras AMSTERDAM afwijkend DNA-profiel zal geven. Een dergelijk profiel is door Naktuinbouw evenwel niet aangetroffen, zodat dit een verdere aanwijzing is dat de onderzochte monsters kralen en pitten van het ras AMSTERDAM en niet COLUMBUS betreffen. De stelling van [C] dat AMSTERDAM en COLUMBUS nauwelijks van elkaar zijn te onderscheiden en dat alleen morfologisch onderzoek uitsluitsel kan geven kan dan ook niet worden gevolgd.

4.6.

Het in de conclusie van antwoord in conventie alsmede ten pleidooie van 9 januari 2014 nog naar voren gebrachte verweer dat er mogelijk vermenging is ontstaan van de beslagen partij met andere bij de gerechtelijk bewaarder opgeslagen partijen, zodat niet gezegd is dat de onderzochte monsters ook inderdaad van de beslagen partij afkomstig zijn, is niet komen vast te staan. Ten pleidooie van 9 januari 2014 heeft [C] immers ook zelf erkend dat de wijze van bewaring dusdanig is geweest dat vermenging niet ‘per ongeluk’ heeft kunnen plaatsvinden. Als er vermenging is opgetreden, dan is dit opzettelijk gebeurd, zo meent ook [C].

4.7.

De insinuatie van [C] in de zin dat de bewaarder ([E]), die volgens [C] een belangrijke concurrent van hem is, dit mogelijk opzettelijk zou hebben gedaan, is door [A] c.s. betwist: zij stelt dat [C] maar 5% van de markt heeft en niet een zodanig grote speler is dat [E] hem dwars zou willen zitten.

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat de aanstelling van [E] tot bewaarder, gelet op de nauwe banden tussen Glaco en [E] (de voorzitter van Glaco is de zoon van de voorzitter van de Stichting Administratiekantoor Holding [E], die voorheen overigens ook zelf voorzitter van Glaco was), onwenselijk is geweest en vastgesteld kan worden dat de vermelding in het verzoekschrift dat geen (persoonlijke) relatie met [E] wordt onderhouden onjuist is. Doch zulks maakt nog niet dat daarmee het gehele onderzoek door Naktuinbouw opzij is te schuiven. In ieder geval heeft de rechtbank geen enkele concrete aanwijzing dat er opzettelijk door [E] is gemanipuleerd in de zin dat er bewust kralen en pitten van het ras COLUMBUS in de bij [E] opgeslagen beslagen partij zijn verwisseld met kralen en pitten van het ras AMSTERDAM. Evenmin bestaat enige concrete aanwijzing dat er gemanipuleerd zou zijn met de aan Naktuinbouw desverzocht toegestuurde referentiematerialen van het ras AMSTERDAM door de diverse kwekers (waaronder [A]), in de zin dat in plaats van dat ras het ras COLUMBUS zou zijn toegestuurd.

4.9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat [A] c.s. voorshands, behoudens tegenbewijs, hebben bewezen dat de bij [E] door het scheidsgerecht getrokken en door Naktuinbouw onderzochte monsters afkomstig zijn uit het materiaal waarop bij v.o.f. [D] beslag is gelegd en dat het materiaal (deels) kralen en pitten van het ras AMSTERDAM betreft. De door [C] als productie 3 bij de conclusie van antwoord overgelegde transportdocumenten waarin de rassen Caramelo, Columbus, White Prosperity, Rapsody en Rose Supreme worden genoemd doen onvoldoende aan het voorgaande twijfelen, al omdat uit niets blijkt dat deze documenten zien op de inbeslaggenomen partij, niet duidelijk is wie verantwoordelijk is voor de vermelding van de genoemde rassen en evenmin welk gezag aan die bron kan worden toegekend. Nu [C] geen verder bewijs van zijn andersluidende stellingen heeft aangeboden (ieder bewijsaanbod ontbreekt) en de rechtbank voorts geen aanleiding ziet ambtshalve bewijs op te dragen, ontbreekt tegenbewijs. Daarmee staat vast dat [C] inbreuk heeft gemaakt op het aan [A] toekomende kwekersrecht.

slotsom

4.10.

Gelet op het vorenstaande zal het sub 1 van het petitum gevorderde inbreukverbod worden toegewezen. Bij uitvoerbaar verklaring op de minuut heeft [A] c.s. geen belang nu zij zal beschikken over een gewaarmerkte grosse.

4.11.

De sub II t/m V gevorderde nevenvorderingen, waaronder de gevorderde afgifte ter vernietiging, zijn door [C] niet weersproken, zodat ook deze voor toewijzing gereed liggen, zij het dat de gevorderde afgifte ter vernietiging slechts wordt toegewezen voor zover het beslagen materiaal ook daadwerkelijk het ras AMSTERDAM betreft.

4.12.

Omwille van de praktische uitvoerbaarheid van het vonnis en ter vermijding van executiegeschillen zal de termijn voor het doen van een door een registeraccountant gecertificeerde opgave worden bepaald op 2 maanden na betekening van dit vonnis en zal de opgaveverplichting slechts worden toegewezen als hierna vermeld. Voor zover de gevorderde opgaveverplichting een wijdere strekking heeft ontbreekt bovendien een toereikende motivering en/of het belang van [A] c.s. De gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd.

4.13.

Het sub I en III gevorderde wordt slechts toegewezen aan [A] nu geen gronden aanwezig zijn deze vorderingen tevens toe te wijzen aan licentiehouder Glaco.

proceskosten

4.14.

In conventie dient [C] als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten. De zijdens [A] c.s. opgegeven proceskosten ten bedrage van in totaal (€ 35.454,41 + € 17.442,01) = € 52.896,42 (exclusief verschotten en kosten deskundigen) zijn door [C] niet weersproken. Nu [A] c.s. geen verdeling heeft aangegeven van de kosten gemaakt in conventie en die in reconventie zal de rechtbank, gezien het tussen partijen gevoerde debat, schattenderwijs ervan uitgaan dat 3/4 van de kosten kunnen worden toegerekend aan de conventie en 1/4 aan die in reconventie. Derhalve zal [C] in conventie worden veroordeeld tot betaling van € 39.672,32 aan salaris advocaat, vermeerderd met een bedrag van € 60.101,16 terzake van kosten onderzoek Naktuinbouw, kosten bewaring Naktuinbouw en kosten opslag [E] B.V. welke evenmin zijn weersproken en voorts vermeerderd met € 652,22 aan explootkosten1 en € 568 aan griffierecht).

in reconventie

4.15.

Uit de conventie vloeit voort dat, anders dan [C] aan zijn vordering in reconventie ten grondslag heeft gelegd, [A] c.s. goede grond had beslag te doen leggen op het bij v.o.f. [D] aanwezige materiaal. Dat niet van al het beslagen materiaal is komen vast te staan dat het inbreukmakend is, doet daaraan niet af nu het beslag hoe dan ook gezien de vastgestelde inbreuk rechtmatig is gelegd . Dat van onrechtmatige bewaring sprake is geweest, heeft [A] c.s. betwist en [C] niet onderbouwd, zodat zulks niet is komen vast te staan. Daarmee stranden de vorderingen in reconventie.

proceskosten

4.16.

[C] zal als in de in het ongelijk gestelde partij in reconventie in de kosten worden veroordeeld van [A] c.s. Nu [A] c.s. zulks ook in reconventie vordert en [C] tegen de toepasselijkheid van het volledige proceskostenregime geen verweer heeft gevoerd en er derhalve geen overtuigende argumenten aanwezig zijn voor de stelling dat dit niet zo zou zijn, is ervan uit te gaan dat de proceskosten in reconventie ook conform artikel 1019h Rv zijn te begroten. Gelet op de in 4.14. genoemde verdeling, zijn die kosten te begroten op € 13.224,11.

4.17.

Nu [A] c.s. dat niet heeft gevorderd, zal de proceskostenveroordeling in reconventie niet uitvoerbaar bij voorraad kunnen worden verklaard.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

beveelt [C] om met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis iedere inbreuk op het ras AMSTERDAM te staken en gestaakt te houden;

5.2.

beveelt [C] om binnen 2 maanden na betekening van dit vonnis aan de raadsman van [A] c.s. een voor eigen rekening een door een onafhankelijke registeraccountant te controleren schriftelijke opgave te verstrekken van:

a. al het bedrijfsmatig tot op heden door [C] of in zijn opdracht door derden voortgebrachte, verder vermeerderde, ten behoeve van de vermeerdering behandelde, in de handel gebrachte, uit- of ingevoerde, voor één van deze doeleinden in voorraad zijnde c.s. geweest zijnde teeltmateriaal van het ras AMSTERDAM;

b. facturen van het door [C] aangekochte, verkochte en/of afgeleverde teeltmateriaal van het ras AMSTERDAM, zulks onder opgave van de inkoop- en verkoopprijzen en de namen en adressen van personen of bedrijven van wie [C] dit teeltmateriaal van het ras AMSTERDAM heeft gekocht alsmede aan wie [C] het heeft verkocht;

c. de met het bedrijfsmatig tot op heden door [C] of in zijn opdracht door derden voortgebrachte, verder vermeerderde, ten behoeve van de vermeerdering behandelde, in de handel gebrachte, uit- of ingevoerde, voor één van deze doeleinden in voorraad zijnde / geweest zijnde teeltmateriaal van het ras AMSTERDAM genoten winst;

5.3.

beveelt [C] om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis het in conservatoir beslag tot afgifte genomen en daarna aan [E] B.V. te Waarland in gerechtelijke bewaring gegeven teeltmateriaal van het ras AMSTERDAM om niet aan [A] af te geven en [A] toe te staan dit teeltmateriaal op kosten van [C] te (doen) vernietigen;

5.4.

bepaalt dat het onder 5.1 en 5.3 vermelde uitsluitend wordt toegewezen aan [A];

5.5.

veroordeelt [C] tot betaling van een dwangsom aan [A] c.s. van een bedrag van € 5.000,00 voor iedere dag dat [C] in gebreke blijft met de nakoming van de in 5.1. t/m 5.3. opgenomen bevelen, met dien verstande dat het totaal aan te verbeuren dwangsommen een bedrag van € 1.000.000,00 niet zal overschrijden;

5.6.

veroordeelt [C] tot vergoeding van de als gevolg van de inbreuk door [A] c.s. geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 november 2011 tot de dag van de voldoening, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, althans, zulks ter keuze van [A] c.s., de met de inbreuk genoten winst aan [A] c.s. af te dragen, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 november 2011 tot de dag van de voldoening;

5.7.

veroordeelt [C] in de kosten van de procedure in conventie, tot zover aan de zijde van [A] c.s. begroot op € 39.672,32 aan salaris advocaat en € 61.321,38 aan verschotten;

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.10.

wijst de vorderingen af;

5.11.

veroordeelt [C] in de kosten van de procedure in reconventie, tot zover aan de zijde van [A] c.s. begroot op € 13.224,11.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.Th. van Walderveen, mr. P.G.J. de Heij, rechters, en
dr. ir. Th. Kramer, deskundig lid, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2014.

1 € 73,89, € 378,04, € 200,29