Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:1907

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2014
Datum publicatie
10-03-2014
Zaaknummer
09-777153-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan - kort gezegd - aanranding van een schoolgenote. De verdachte heeft zaadjes in het shirt van het slachtoffer gedaan en deze er vervolgens weer uitgehaald. Hij is hierbij met zijn hand in de bh van het slachtoffer gegaan en heeft ook haar borsten aangeraakt. Zijn medeverdachte hield het slachtoffer ondertussen vast en heeft haar in haar borsten geknepen en erover gewreven.

De verdachte en zijn medeverdachte hebben door het plegen van deze ontuchtige handelingen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Het is algemeen bekend dat bij slachtoffers van zedenmisdrijven gedurende lange tijd gevoelens van onrust en onveiligheid (kunnen) blijven bestaan.

Uit de toelichting die de moeder van het slachtoffer op het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces heeft vermeld, blijkt ook dat het slachtoffer veel last heeft gehad van het voorval en dat zij geestelijke hulpverlening nodig heeft (gehad).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777153-13

Datum uitspraak: 13 februari 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 30 januari 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. van der Zwan en van hetgeen door de raadsman van de verdachte

mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, advocaat te Wassenaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 09 augustus 2012 te [gemeente A], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)[aangeefster] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit

- het stoppen van jeukbesjes/zaadjes bij de borsten van die [aangeefster] en/of

- het met een hand aan de borstzijde in het shirt en/of de bh gaan van die [aangeefster] en/of

- het aanraken van en/of wrijven over en/of knijpen in en/of slaan op de borsten van die[aangeefster] en/of

- het pakken van zaadjes bij de borsten van die [aangeefster] en/of

- het aanraken van en/of knijpen in en/of slaan op de billen van die [aangeefster]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit

- het in de boom hangen van de fiets en/of de tas van die [aangeefster] en/of

- het (vervolgens) voorwaarden stellen aan het terugkrijgen van dat/die goed(eren), zijnde: een

zuigzoen geven en/of 10 euro betalen en/of mee het bed in gaan en/of jeukbesjes/zaadjes in het shirt

krijgen en/of

- het (onverhoeds) stoppen van de jeukbesjes/zaadjes bij de borsten van die [aangeefster] en/of

- het omsingelen van die [aangeefster] en/of

- het (onverhoeds) van achteren vastpakken en/of vasthouden van de armen van die[aangeefster] en/of

- het (vervolgens) (onverhoeds) opentrekken van het shirt (aan de borstzijde) van die [aangeefster] en/of in

het shirt van die [aangeefster] gaan met de hand en/of

- het (onverhoeds) aanraken van en/of wrijven over en/of knijpen in en/of slaan op de borsten van die

[aangeefster] en/of

- het (onverhoeds) aanraken van en/of knijpen in en/of slaan op de billen van die [aangeefster];

art 246 Wetboek van Strafrecht

art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

In deze zaak stelt de rechtbank vast dat aangeefster,[aangeefster], op

9 augustus 2012 rond 21.00 uur samen met de verdachte en medeverdachten[A]en[B] aanwezig was op het terrein van [voetbalvereniging] in [gemeente A]. De fiets en de tas van [aangeefster] zijn in een boom gehangen om haar ervan te weerhouden om naar huis te gaan.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de verdachte zich in de momenten die hierop volgden schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van - kort gezegd - aanranding van[aangeefster].

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit. De raadsman heeft ten aanzien van het onderdeel aanraken, knijpen, slaan op de billen gesteld dat de verdachte niet degene is geweest die dit heeft gedaan en dat er ook geen sprake is van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking dat de verdachte terzake van dit onderdeel als medepleger kan worden gezien. De dubbele opzet, te weten de opzet op de samenwerking en de opzet op het delict, ontbreekt.

Ook ten aanzien van het onderdeel knijpen, wrijven en slaan in/op de borsten heeft de raadsman vrijspraak betoogd, nu aangeefster de enige is die dit heeft verklaard.

Ten aanzien van het onderdeel stoppen van jeukbesjes/zaadjes bij de borsten van aangeefster heeft de raadsman primair vrijspraak betoogd omdat ten aanzien van deze feitelijkheden bij de verdachte opzet met betrekking tot aanranding ontbrak. De verdachte heeft niet doorgehad dat aangeefster dit als vervelend heeft ervaren.

Subsidiair, mocht de rechtbank toch tot het oordeel komen dat sprake is van een strafbaar feit, heeft de raadsman betoogd dat de verdachte nog maar net dertien jaar oud was ten tijde van het ten laste gelegde feit en heeft gehandeld in zijn onschuldige naïviteit.

De raadsman heeft de rechtbank voorts verzocht rekening te houden met de zeer lange periode die is gelegen tussen de pleegdatum van het feit (begin augustus 2012) en de datum dat de zaak nu ter zitting wordt behandeld (eind januari 2014). Voor een minderjarige is een dergelijk lange termijn zeer onwenselijk.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.1

[aangeefster] vroeg of de verdachte en zijn medeverdachten haar spullen uit de boom wilden halen. [A] en de verdachte zeiden toen dat[aangeefster] kon kiezen: mee het bed in, een grote zuigzoen, 10 euro betalen of jeukbesjes.[aangeefster] vond het dreigend, want ze zeiden dat ze moest kiezen. [aangeefster] koos voor de jeukbesjes, omdat ze dat het minst erg vond.2

[A] stond achter[aangeefster] en hield haar vast bij haar ellebogen. Hij stond met zijn gezicht richting het achterhoofd van[aangeefster]. De verdachte trok met een van zijn handen het T-shirt van[aangeefster] naar voren en met de andere hand deed hij jeukbesjes in de bh van [aangeefster].

Hij deed dit aan de linkerkant van de bh van [aangeefster]. De verdachte wreef de besjes uit door met zijn vingers in de bh van [aangeefster] te wrijven.

[aangeefster] bewoog naar achteren om los te komen en zei: “kappen, ik wil het niet meer” en

“stop”. De verdachten gingen door. [A] liet een van de armen van[aangeefster] los en ging ook aan haar borst zitten, maar niet in haar shirt.[A] kneep[aangeefster] met zijn rechterhand in haar borst en ook wreef hij over haar borst.3

[aangeefster] zei: “stoppen” en “ik wil dit niet” en boog met haar armen voor haar borsten gekruist naar beneden4, maar daar reageerden de verdachten niet op.[C], een van de andere jongens die op het terrein was, zei dat ze echt moesten stoppen en toen deden de verdachten dit wel.[aangeefster] vroeg herhaaldelijk om haar spullen en toen [C] uiteindelijk zei dat ze [aangeefster] spullen terug moesten geven, deden de verdachten dit.5

[aangeefster] mocht niet weg voordat ze [A] en de verdachte een vriendschapsknuffel had gegeven. [aangeefster] snel weggefietst samen met[D], die op een afstandje had staan sms’en, en onderweg belde ze haar moeder. Ze begon te huilen en is op een bankje gaan zitten.6

Getuige [D] heeft verklaard te hebben gezien dat er jongens besjes in het shirt van[aangeefster]gooiden. Volgens [D] moest [aangeefster] kiezen uit neuken, geld geven of besjes in haar shirt stoppen om ervoor te zorgen dat haar fiets uit de boom werd gehaald. [D] heeft gezien dat de jongens aan [aangeefster] zaten en haar bij haar arm vast hadden.7

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat tegen[aangeefster] is gezegd dat haar fiets weer uit de boom zou worden gehaald als zij die zaadjes in haar shirt zou laten doen.8 Ook heeft hij verklaard dat hij voor de grap de zaadjes van een rozenbottel aan de bovenkant in het shirt van [aangeefster] heeft gedaan.9

De verdachte heeft voorts verklaard dat hij de zaadjes bij het shirt van[aangeefster] bij het randje deed. Hij wreef zijn vingers over elkaar zodat de zaadjes los lieten. Na een halve minuut vroeg de verdachte of hij de zaadjes er weer uit moest halen en toen[aangeefster] ja zei, ging hij met zijn hand in haar shirt. Hij voelde de zaadjes bij de rand van haar bh aan de bovenkant van haar borst. 10 De verdachte is ongeveer tot de onderste knokkel van zijn vingers in de bh van [aangeefster] gegaan. Toen hij de zaadjes vasthad, zei [aangeefster] ineens ‘nee’ en haalde hij zijn hand weg. Hij had de zaadjes toen al in zijn hand.11

[A] heeft verklaard dat de verdachte heeft gezegd dat hij de fiets van [aangeefster] uit de boom zou halen als hij rozenbotteltjes in haar tieten mocht doen. [aangeefster] zei eerst nee, maar later zei ze ‘doe maar de rozenbotteltjes’.12[A] heeft ook verklaard dat de verdachte de besjes later weer uit de bh van[aangeefster] haalde en dat hij zelf in de tieten van[aangeefster] heeft geknepen.13 Nadat de politie hem de eerste en achtste alinea van pagina 47 uit de aangifte van[aangeefster] had voorgehouden, heeft[A] verklaard dat hij wel denkt dat hij het beetpakken van de armen van [aangeefster] en het aan haar borsten zitten, maar niet in haar shirt, heeft gedaan. Ook heeft [A] verklaard dat iedereen toen[aangeefster] weg wilde fietsen een knuffel aan haar vroeg.14 Later heeft [A] nogmaals verklaard dat hij[aangeefster], toen hij achter haar stond, bij haar bovenarmen heeft vastgehouden.15

De medeverdachte [B] heeft verklaard dat de verdachte en anderen besjes in het shirt van [aangeefster] aan het gooien waren. Ook heeft hij verklaard dat [A] [aangeefster] ineens vastpakte van achteren en haar armen vasthield in een politiegreep op haar rug. De verdachte ging met zijn hand in het hemdje van[aangeefster] om de besjes eruit te halen.[aangeefster] probeerde zich los te trekken.

[B] heeft eveneens verklaard dat hij de dag erna van vriendinnen van [aangeefster] heeft gehoord dat ze het niet leuk had gevonden en dat hij[aangeefster] uiteindelijk een whatsapp bericht heeft gestuurd om sorry te zeggen.16

[E], heeft verklaard dat de fiets van[aangeefster] uit de boom zou worden gehaald als de verdachte besjes in de tieten van [aangeefster] mocht stoppen en dat de verdachte dit vervolgens ook heeft gedaan.17 Terwijl de verdachte dit deed heeft zijn broer [A][aangeefster] vastgehouden.18

De verdachte heeft ter terechtzitting19 zijn verklaring dat hij voor de grap besjes in het shirt van [aangeefster] heeft gedaan gehandhaafd. Hij heeft wederom verklaard dat hij de besjes in zijn handen kapot heeft gemaakt en de zaadjes van bovenaf in het shirt van[aangeefster] heeft gegooid.

De verdachte heeft voorts verklaard dat hij heeft aangeboden de zaadjes er weer uit te halen, toen [aangeefster] ze er niet uit kreeg en dat ze dit eerst goed vond, maar dat ze halverwege ‘nee’ zei en dat hij toen zijn hand ook meteen weer heeft weggehaald.

De verdachte heeft verder verklaard dat[aangeefster] inderdaad de keuze heeft gekregen tussen zoenen, geld betalen, mee het bed in of zaadjes in haar shirt om haar fiets terug te krijgen, maar dat dit expres zo is gezegd, zodat[aangeefster] zeker de zaadjes in haar shirt zou kiezen.

Bovendien hebben meerdere jongen dit, aldus de verdachte, tegen [aangeefster] gezegd.

Dat hij degene is geweest die uiteindelijk de zaadjes in het shirt van[aangeefster] heeft gedaan is puur toeval geweest, omdat hij het dichtst bij de rozebottelstruik stond.

De verdachte heeft ontkend over de borsten van [aangeefster] te hebben gewreven. Hij heeft verklaard slechts aan de bovenkant van haar borsten een paar zaadjes uit haar bh te hebben gehaald, meer niet.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van aanranding van[aangeefster]. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

De rechtbank acht de verklaring van [aangeefster] geloofwaardig en bezigt deze verklaring, zoals hiervoor weergegeven, voor het bewijs. Deze verklaring wordt ten aanzien van de bewezenverklaarde onderdelen van de tenlastelegging ondersteund door de eigen verklaring van de verdachte en voornoemde verklaringen van de medeverdachten.

Gelet op deze verklaringen, is de rechtbank van oordeel, dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte [A]. De verdachte en[A] hebben samen de voorwaarden gesteld aan [aangeefster] voor het terugkrijgen van de spullen en terwijl de verdachte de zaadjes in het shirt van[aangeefster] deed en ze er vervolgens weer uit haalde, hield [A] [aangeefster] vast en heeft hij in haar borsten geknepen en erover gewreven.[aangeefster] kon niet weg. Ze heeft tegen haar wil ontuchtige handelingen moeten dulden.

De raadsman heeft betoogd dat de opzet van de verdachte op het plegen van een strafbaar feit ontbrak. Gelet op voornoemde bewijsmiddelen verwerpt de rechtbank dit verweer.

De opzet van de verdachte volgt voldoende uit deze bewijsmiddelen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte op zijn minst had moeten begrijpen dat zijn handelingen en de handelingen van zijn medeverdachte [A] een seksueel karakter hadden en dat [aangeefster] in deze situatie niet anders kon dan deze handelingen tegen haar wil ondergaan, waardoor hij bewust de aanmerkelijke kans hierop heeft aanvaard en er dus sprake was van (voorwaardelijk) opzet.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ten laste gelegde feit, het medeplegen van de feitelijke aanranding van de eerbaarheid, bewezen kan worden verklaard.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 09 augustus 2012 te [gemeente A], tezamen en in vereniging met een ander door geweld of andere feitelijkheden [aangeefster] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit

- het stoppen van jeukbesjes/zaadjes bij de borsten van die [aangeefster] en

- het met een hand aan de borstzijde in het shirt en de bh gaan van die[aangeefster] en

- het aanraken van en wrijven over en knijpen in de borsten van die [aangeefster] en

- het pakken van zaadjes bij de borsten van die [aangeefster]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden uit

- het voorwaarden stellen aan het terugkrijgen van goederen, zijnde: een zuigzoen geven en/of

10 euro betalen en/of mee het bed in gaan en/of jeukbesjes/zaadjes in het shirt krijgen en

- het stoppen van de jeukbesjes/zaadjes bij de borsten van die [aangeefster] en

- het van achteren vastpakken en vasthouden van de armen van die [aangeefster] en

- het opentrekken van het shirt (aan de borstzijde) van die[aangeefster] en in het shirt van die [aangeefster] gaan

met de hand.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 24 uren, waarvan 16 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van de maatregel hulp en steun.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, ten aanzien van de strafmaat primair geconcludeerd tot het opleggen van een geheel voorwaardelijke werkstraf dan wel subsidiair tot een deels voorwaardelijke straf.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan - kort gezegd - aanranding van een schoolgenote. De verdachte heeft zaadjes in het shirt van het slachtoffer gedaan en deze er vervolgens weer uitgehaald. Hij is hierbij met zijn hand in de bh van het slachtoffer gegaan en heeft ook haar borsten aangeraakt. Zijn medeverdachte hield het slachtoffer ondertussen vast en heeft haar in haar borsten geknepen en erover gewreven.

De verdachte en zijn medeverdachte hebben door het plegen van deze ontuchtige handelingen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Het is algemeen bekend dat bij slachtoffers van zedenmisdrijven gedurende lange tijd gevoelens van onrust en onveiligheid (kunnen) blijven bestaan.

Uit de toelichting die de moeder van het slachtoffer op het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces heeft vermeld, blijkt ook dat het slachtoffer veel last heeft gehad van het voorval en dat zij geestelijke hulpverlening nodig heeft (gehad).

De rechtbank weegt mee dat de verdachte zich niet eerder voor de rechter heeft moeten verantwoorden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van het rapport d.d. 17 december 2013 van de Raad voor de Kinderbescherming.

De rechtbank is, hoewel het een ernstig strafbaar feit betreft, van oordeel dat de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van het plegen van het feit en het tijdsverloop tussen de datum waarop het bewezenverklaarde feit is gepleegd en de datum waarop de zaak thans ter terechtzitting is behandeld alsook de omstandigheid dat er in de tussenliggende periode geen sprake is geweest van recidive, rechtvaardigen dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[gemachtigde] heeft als gemachtigde van haar dochter [aangeefster] een voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces ingevuld, doch geen concreet bedrag aan geleden (immateriële) schade op het formulier vermeld.

7.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich niet uitgelaten over de vordering van de benadeelde partij.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vordering betwist en primair afwijzing en subsidiair niet-ontvankelijk verklaring van de vordering bepleit.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Nu het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces geen concreet bedrag aan geleden schade bevat, is er naar het oordeel van de rechtbank geen vordering tot schadevergoeding ter beoordeling aan de rechtbank voorgelegd en behoeft de rechtbank

terzake dan ook geen beslissing te nemen.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De toe te passen artikelen zijn:

9a, 63 en 77a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding

ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

FEITELIJKE AANRANDING VAN DE EERBAARHEID, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;



bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M. Ghrib, kinderrechter, voorzitter,

mr. C.L. Strop, kinderrechter,

en mr. A. Tukker, kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 februari 2014.

Mr. Tukker is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier van Politie Hollands Midden, met het nummer PL1609 2012118167, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 106.

2 Proces-verbaal van aangifte van[aangeefster], pagina 46.

3 Proces-verbaal van aangifte van [aangeefster], pagina 48, 4e alinea.

4 Proces-verbaal van aangifte van [aangeefster], pagina 48, 8e alinea.

5 Proces-verbaal van aangifte van [aangeefster], pagina 47.

6 Proces-verbaal van aangifte van[aangeefster], pagina 48, onderaan.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [D], pagina 58/60.

8 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], pagina 78, onderaan.

9 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], pagina 68, halverwege en onderaan.

10 Proces-verbaal verhoor verdachte[verdachte], pagina 79.

11 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], pagina 80, bovenaan.

12 Proces-verbaal verhoor verdachte[A], pagina 89, halverwege.

13 Proces-verbaal verhoor verdachte [A], pagina 90, onderaan.

14 Proces-verbaal verhoor verdachte [A], pagina 91.

15 Proces-verbaal verhoor verdachte [A], pagina 94, halverwege.

16 Proces-verbaal verhoor verdachte[B], pagina 98/99.

17 Proces-verbaal verhoor verdachte[E], pagina 103, onderaan.

18 Proces-verbaal verhoor verdachte[E], pagina 106, bovenaan.

19 Proces-verbaal van de terechtzitting van 30 januari 2014, eigen verklaring verdachte.