Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:1885

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-02-2014
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
C-09-454502 - JE RK 13-2883
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ots en machtiging tot uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Kinderrechter

Rekestnummer: JE RK 13-2883

Zaaknummer: C/09/454502

Datum beschikking: 10 februari 2014

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op het op 13 november 2013 en 29 januari 2014 ingekomen verzoekschriften van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (verder: de Raad),

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1997 te[geboorteplaats];

kind van:

[A],

de vader,

wonende te[woonplaats],

die het ouderlijk gezag alleen uitoefent.

Als belanghebbende in deze procedure wordt tevens aangemerkt:

[B][B],

de stiefmoeder,

wonende te [woonplaats].

De minderjarige verblijft feitelijk op een crisisplek bij [XX], een AWBZ-instelling.

Procedure

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 25 november 2013, waarvan de inhoud als hier overgenomen dient te worden beschouwd, de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van 25 november 2013 tot 13 februari 2014, alsmede voor dezelfde duur aan de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden (verder : Bureau Jeugdzorg ) machtiging verleend de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor crisisopvang en de behandeling van het verzoek voor het overige aan te houden tot deze zitting.

De kinderrechter heeft voorts kennisgenomen van beide verzoekschriften.

De Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden heeft de uitvoering van de maatregel(en) gemandateerd aan de William Schrikker Jeugdbescherming.

Op 10 februari 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank opnieuw met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- mevrouw[X], namens de Raad voor de Kinderbescherming;

- mevrouw [Y], namens de William Schrikker Jeugdbescherming (WSJ);

- de vader en de stiefmoeder;

- de tolk in de Arabische taal, de heer Chbab.

De minderjarige is op 7 februari 2014 in raadkamer gehoord.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt thans tot ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige voor de periode van één jaar en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een AWBZ-voorziening. Daartoe wordt gesteld dat er ernstige zorgen zijn om de sociaal emotionele, seksuele en morele ontwikkeling van de minderjarige. De minderjarige is weggelopen van huis vanwege de problemen die zij ervaart binnen de thuissituatie en de mate van onveiligheid. De minderjarige functioneert op een laag verstandelijk niveau en ontkent alle zorgen met betrekking tot haar gedrag en de zorgen om de seksuele ontwikkeling. Tevens is de minderjarige ontremd in haar emoties en moeilijk aanspreekbaar of bij te sturen. Zij is zelfbepalend, kan moeilijk met gezag omgaan en reageert oppositioneel op regels en sturing. Volgens de Raad dient de minderjarige tegen zichzelf beschermd te worden.

Namens de WSJ heeft mevrouw [Y] aangegeven dat een terugkeer van de minderjarige bij de vader momenteel niet mogelijk is vanwege het gevoel van onveiligheid bij de minderjarige en de verstoorde relatie tussen haar en de vader.

De vader en de stiefmoeder hebben zich niet tegen toewijzing van het verzochte verzet.

Zij hebben wel hun ongenoegen geuit dat zij niet dan wel onvoldoende geïnformeerd worden door de gezinsvoogdes over de situatie en verblijfplaats van de minderjarige.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn.

Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat, gezien de ernst van de problematiek van de minderjarige, hulpverlening noodzakelijk is. Er zijn vermoedens van een Post Traumatisch Stress Stoornis (PTSS), hechtingsproblematiek en depressies bij de minderjarige, wat recentelijk tot uiting is gekomen in een suïcidepoging van de minderjarige. Om die reden is het aangewezen dat de minderjarige in een beschermde woonvorm gespecialiseerde hulp moet krijgen en dat er diagnostisch onderzoek moet worden gedaan, waarin de mogelijke hechtingsproblematiek –zij leefde jaren gescheiden van de vader en werd opgevoed door haar oma in Egypte– en haar gedragsproblemen gehanteerd kunnen worden en waar zij de juiste behandeling kan krijgen. Voorts overweegt de kinderrechter dat, gezien de complexiteit van de problematiek van de minderjarige en het gemis aan vertrouwen bij haar, het aangewezen is dat de minderjarige vanuit de hulpverlening extra zorg en aandacht dient te krijgen. Gezien het ongenoegen van de vader omtrent de medewerking van de WSJ, acht de kinderrechter het aangewezen dat de WSJ de vader, zolang het niet in strijd is met het belang de minderjarige, informeert over het welzijn en ontwikkeling van de minderjarige. De kinderrechter overweegt tot slot dat een thuisplaatsing momenteel niet haalbaar is daar er geen draagvlak vanuit zowel de vader en stiefmoeder als de minderjarige is.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

stelt de minderjarige van 13 februari 2014 tot 13 november 2014 onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg;

en

machtigt de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een AWBZ-voorziening van 13 februari 2014 tot

13 november 2014, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.C. Koekman, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2014, in tegenwoordigheid van A.U. Hatuina als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.