Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:1884

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-02-2014
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
C-09-454404 JE RK 13-2864
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ots; afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: JE RK 13-2864

Zaaknummer: C/09/454404

Datum beschikking: 3 februari 2014

Ondertoezichtstelling; afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op de op 13 november 2013 en 28 januari 2014 ingekomen verzoekschriften van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (verder: de Raad),

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren op[geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats 1];

kind van:

[A],

de moeder,

overleden op [datum],

en erkend door

[B],

de vader,

wonende te[woonplaats], thans gedetineerd te[PI X].

De vader oefent alleen het ouderlijk gezag uit.

Als belanghebbende in deze procedure wordt voorts aangemerkt:

[C][C], de stiefmoeder, wonende te [woonplaats].

De minderjarige is geplaatst in een pleeggezin.

Procedure

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij mondelinge beslissing d.d. 11 november 2013, schriftelijk bevestigd bij beschikking d.d. 12 november 2013, de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van 11 november 2013 tot 12 november 2013 te 17.00 uur, alsmede de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland (verder: Bureau Jeugdzorg) gemachtigd de minderjarige voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.

Bij beschikkingen d.d. 12 november 2013 respectievelijk 25 november 2013 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van 12 november 2013 tot 26 november 2013 en aansluitend van 26 november 2013 tot 10 december 2013, alsmede Bureau Jeugdzorg gemachtigd om de minderjarige voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.

Bij beschikking d.d. 9 december 2013 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om de minderjarige onder voorlopige voogdij van Bureau Jeugdzorg te stellen afgewezen. Bij dezelfde beschikking is de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van 10 december 2013 tot 12 februari 2014 en is Bureau Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 10 december 2013 tot 10 januari 2014.

Bij beschikking d.d. 8 januari 2014 van het Gerechtshof Den Haag is de hiervoor genoemde beschikking van de kinderrechter vernietigd voor wat betreft de daarin vastgestelde termijn van de uithuisplaatsing en de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing bepaalt op de duur van de (voorlopige) ondertoezichtstelling.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- de eerder genoemde beschikkingen van de kinderrechter in deze rechtbank, inclusief de daarin genoemde stukken;

- de eerder genoemde beschikking van het Gerechtshof Den Haag d.d. 8 januari 2014;

- het verzoekschrift d.d. 27 januari 2014, ingekomen d.d. 28 januari 2014 van de Raad voor de Kinderbescherming met 15 bijlagen;

- de (handgeschreven) reactie van de vader d.d. 20 januari 2014 op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming;

- het faxbericht van 13 januari 2014 van mr. W.G. Nieman;

- de brief d.d. 27 januari 2014 van mr. W.G. Nieman inclusief nadere producties;

- de door mr. W.G. Nieman overgelegde ”checklist Voorwaarden voor terugkeer van pleegkinderen bij hun ouder(s)” door A. Vinke.

Op 3 februari 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank opnieuw met gesloten deuren behandeld.

Hierbij zijn verschenen:

* mevrouw[X], namens de Raad;

* mevrouw [Y] en de heer [Z], namens Bureau Jeugdzorg;

* de vader;

* de stiefmoeder;

* mr. W.G. Nieman en mr. M-J. Gilsing, advocaten namens de vader en de stiefmoeder.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige voor de periode van één jaar en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige in een pleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Door en namens de vader en de stiefmoeder is verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

De behandeling ter terechtzitting

Het standpunt van verzoeker.

De vader wordt ervan verdacht de moeder om het leven te hebben gebracht. Uit de informatie die het Openbaar Ministerie heeft verschaft blijkt een stevige verdenking. De vader heeft in ieder geval erkend, dat hij, nadat hij de moeder, die zwanger was van zijn kind, in hulpeloze toestand aantrof, aldus heeft achtergelaten en geen hulp heeft ingeroepen. Hij heeft zich berekenend opgesteld. Dit alles is een blijk van onverantwoord en slecht levensgedrag, hetwelk tot ontzetting uit de ouderlijk macht zou moeten leiden. In dit geval geldt het protocol partnerdoding op grond waarvan eigenlijk een voorlopige voogdij zou moeten worden uitgesproken.

Binnen de respectievelijke families van de vader en de moeder is sprake van conflictueuze verstandhoudingen. Ook de relatie tussen de vader en de moeder is spanningsvol geweest. Er zijn meerdere verhalen over ernstige conflicten en visieverschillen. De minderjarige is hierdoor al eerder een jaar onder toezicht gesteld. Meerdere rechterlijke civiele procedures zijn tussen hen met betrekking tot de minderjarige gevoerd. Recent is een kortgeding-procedure gevoerd om te kunnen bewerkstelligen dat de minderjarige de uitvaart van zijn moeder kon bijwonen. Ook de kans dat de relatie tussen de vader en de stiefmoeder spanningsvol wordt en niet standhoudt is reëel nu de stiefmoeder niet wist dat de vader nog altijd een seksuele relatie met de moeder onderhield en zij andermaal van hem zwanger was geraakt. De stiefmoeder bagatelliseert door uitspraken de ernst van de situatie en de zorgen omtrent de ontwikkeling van de minderjarige. De houding van de vader ten opzichte van de (noodzaak) van de hulpverlening baart zorgen. De vader en de stiefmoeder hebben grote schulden en de vader is door zijn detentie zonder inkomen. De gebeurtenissen leveren bij alle betrokkenen spanning en stress op, waardoor een loyaliteitsconflict bij de minderjarige versterkt kan worden. De minderjarige behoeft hulp en begeleiding van het Psycho Trauma Centrum (PTC) in verband met (mogelijke) trauma’s.

In deze zeer complexe en spanningsvolle situatie is de benoeming van een gezinsvoogd, die de belangen van de minderjarige kan behartigen, noodzakelijk.

Voorts is plaatsing in een neutraal perspectief biedend pleeggezin noodzakelijk. Aldaar kan een rustige, stabiele, veilige, voorspelbare en duurzame opvoedingsomgeving worden gecreëerd. De minderjarige moet zich in een veilige omgeving kunnen uiten over zijn emoties en eventuele trauma’s kunnen verwerken. De uithuisplaatsing moet langdurig zijn om duidelijkheid voor de minderjarige en alle partijen te creëren. Bij onduidelijkheid hierover bestaat de kans dat de diverse partijen telkens procedures zullen aanspannen om de minderjarige bij een van hen geplaatst te krijgen. Dit alles leidt tot onrust en onveiligheid bij de minderjarige. Begeleiding van het PTC kan pas plaatsvinden als de minderjarige langere tijd op een stabiele plek zit. Door plaatsing bij de stiefmoeder of in het netwerk zal de ontwikkeling van de minderjarige verder bedreigd worden.

Het standpunt van Bureau Jeugdzorg.

Bureau Jeugdzorg heeft zich bij het standpunt van de Raad aangesloten.

Het standpunt van de vader en de stiefmoeder

De vader en de stiefmoeder kunnen de opvoeding zelf prima aan en de benodigde hulp zullen zij zelf inschakelen. Zij hebben beiden van begin af aan voor de minderjarige gezorgd en dat is altijd goed gegaan. Het gaat thuis goed met de minderjarige en dat wordt ook niet door de Raad voor de Kinderbescherming betwist. Ook op school gaat het goed en de schoolmedewerkers zijn positief over de vader. Er is een breed familienetwerk in de buurt waar de vader en de stiefmoeder bij de opvoeding van de minderjarige op kunnen terugvallen. De relatie tussen de vader en de stiefmoeder is stabiel en zijn vinden steun bij elkaar. De uithuisplaatsing in november 2013 is traumatisch verlopen, zo direct na de uitvaart van de moeder. Het klopt niet dat de vader en de stiefmoeder hadden verboden dat de minderjarige de uitvaart zou bijwonen. Indien de minderjarige thans trauma’s ontwikkelt, kan niet meer worden vastgesteld of dit door het overlijden van de moeder en de detentie van de vader komt dan wel door de uithuisplaatsing. Inmiddels is de minderjarige, terwijl het Hof in zijn beschikking ervan uitging dat hij gedurende de voorlopige ondertoezichtstelling in hetzelfde gezin zou blijven, toch overgeplaatst. Het huidige gezin wordt als ”perspectief zoekend” omschreven, hetgeen betekent dat de minderjarige bij een voortdurende uithuisplaatsing wederom zal worden doorgeplaatst. Dit is zeer schadelijk voor zijn ontwikkeling. Het protocol partnerdoding is niet van toepassing nu het hier om de ex-partner gaat die is overleden. De kinderrechter heeft, uitvoerbaar bij voorraad, d.d. 9 december 2013 bepaald dat moet worden gewerkt aan thuisplaatsing op uiterlijk 9 januari 2014. Dit is niet gebeurd. De Raad is vooringenomen door de vader te betichten van slecht levensgedrag, er is meer onderbouwing nodig voor een eventuele ontzetting. De vader is nog altijd verdachte en ontkent de beschuldigingen dat hij verantwoordelijk is voor de dood van de moeder ten stelligste. De vermeende slechte relatie tussen de familie moederszijde en de vader kan geen reden zijn voor een uithuisplaatsing. Overigens kenden de vader en de familieleden van de moeder elkaar überhaupt niet. De minderjarige zag de familie van de moeder als hij bij haar was en de vader had dus geen contact met hen. De vader en de stiefmoeder hebben altijd het belang van[minderjarige] voor ogen gehad. Er is geen sprake geweest van een zogenaamde vechtscheiding tussen de vader en de moeder. Er zijn twee gerechtelijke civiele procedures geweest, beide aangespannen door de zijde van de moeder. Er zijn conflicten geweest tussen de vader en de moeder maar nooit in de sterke mate als dit thans wordt gesuggereerd. Daarnaast is de minderjarige nooit belast met de conflicten tussen de vader en de moeder. Het rapport van de raad wemelt van de onjuistheden. Vaststaat dat de moeder niet door geweld om het leven is gekomen. Er zijn geen sporen van een worsteling of dna-sporen van de vader gevonden. Zolang de vader nog in detentie zit is de stiefmoeder, met het netwerk, uitstekend in staat om voor de minderjarige te zorgen. De minderjarige ziet haar als zijn tweede moeder. De minderjarige is goed gehecht en de stiefmoeder kan de opvoeding goed met haar werk combineren. Zij is een stabiele factor in zijn leven. De stiefmoeder heeft dan ook het gezamenlijk gezag met de vader aangevraagd. De vader en de stiefmoeder staan open voor contact en omgang van de minderjarige met de grootouders moederszijde en onderkennen het belang daarvan.

Primair dient het verzoek tot ondertoezichtstelling te worden afgewezen nu er geen reële dreiging in de ontwikkeling van de minderjarige bestaat. De Raad voor de Kinderbescherming heeft zelf erkend dat die dreiging er niet was, dus waarom zou die er nu wel zijn omdat de vader verdachte is van een strafbaar feit. Er moeten niet mis te verstane aanwijzingen zijn om een ondertoezichtstelling te rechtvaardigen. De verdenking zegt niets over de opvoedingscapaciteiten van de vader.

Subsidiair is verzocht de ondertoezichtstelling voor korte tijd, te weten voor de duur van zes maanden uit te spreken. Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing dient te worden afgewezen.

Beoordeling

De rechtbank is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn.

De rechtbank overweegt dat alle belanghebbenden het erover eens zijn dat, voordat de moeder van de minderjarige om het leven kwam en de vader als verdacht van betrokkenheid bij de dood van de moeder, werd gedetineerd, er geen zorgen waren over de opvoeding en de ontwikkeling van de minderjarige die noopten tot ingrijpen. Niet weersproken is dat de vader en de stiefmoeder de minderjarige tot diens uithuisplaatsing in november 2013 een stabiel en veilig opvoedingsklimaat hebben geboden.

De situatie is echter sindsdien dusdanig veranderd dat er naar het oordeel van de rechtbank voldoende grond is om aan te nemen dat de minderjarige thans zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen ernstig worden bedreigd, zoals de wet voorschrijft.

Immers, de moeder van de minderjarige is onder nog niet opgehelderde omstandigheden om het leven gekomen, terwijl zijn vader wordt verdacht van betrokkenheid bij haar dood en dientengevolge al enige maanden in voorlopige hechtenis zit. Hoewel de minderjarige thans geen signalen vertoont die wijzen op traumatisering naar aanleiding van deze voor hem zeer schokkende gebeurtenissen, is het naar het oordeel van de rechtbank zeker niet ondenkbaar, dat hij negatieve gevolgen zal ondervinden. Een onafhankelijke, neutrale gezinsvoogd kan het komend jaar toezicht houden op deze ontwikkeling en eventueel kan de interventie van het voorgestelde PTC worden ingezet. Daarnaast zijn er, gezien de geschetste voorgeschiedenis, problemen voorzienbaar in verband met de wensen van familieleden van de zijde van de moeder om contact en omgang met de minderjarige te hebben. Nu al hebben immers de grootouders moederszijde bij de rechtbank een verzoek om een omgangsregeling ingediend. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet verstandig als de vader en de stiefmoeder thans een leidende rol spelen in het vormgeven van omgangsmomenten, zodat ook om die reden het benoemen van een gezinsvoogd aangewezen is.

De rechtbank is van oordeel dat de in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing onvoldoende aanwezig zijn.

De rechtbank overweegt dat er zeker zorgen zijn over een thuisplaatsing van de minderjarige bij, op dit moment, alleen de stiefmoeder, maar deze zorgen kunnen naar het oordeel van de rechtbank door de gezinsvoogd worden aangepakt. Benodigde hulpverlening en begeleiding zal tevens door de gezinsvoogd kunnen worden ingezet en gevolgd. Met de vader en de stiefmoeder zal moeten worden bekeken hoe en wanneer de minderjarige zal worden ingelicht over de aan de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing ten grondslag liggende gebeurtenissen. De rechtbank is van oordeel dat een voortdurende uithuisplaatsing schadelijker voor de minderjarige is dan het terugplaatsen in zijn vertrouwde omgeving, bij de stiefmoeder die hem van geboorte af samen met de vader heeft opgevoed. In die directe omgeving bevindt zich een hecht familienetwerk en de minderjarige kan weer naar zijn vertrouwde school. Niet uit te sluiten is dat de terugplaatsing zal leiden tot fricties met de familie van de moeder, die immers omgang met de minderjarige wensen, maar wellicht geen contact zullen wensen te hebben met de vader en de stiefmoeder. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank echter geen reden zijn om de minderjarige zijn vertrouwde leefomgeving en zijn sinds de geboorte vertrouwde verzorger - de stiefmoeder - af te nemen. Ten slotte weegt de rechtbank in haar beslissing mee dat de minderjarige sinds de uithuisplaatsing op 11 november 2013 al een keer is overgeplaatst en thans, bij voortdurende uithuisplaatsing, nog minstens één maal zal worden overgeplaatst. De Raad heeft zelf uitdrukkelijk aangegeven dat de minderjarige behoefte heeft aan rust en stabiliteit. Het is daarom meer in zijn belang om hem thans terug te plaatsen in zijn vertrouwde omgeving.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:

stelt de minderjarige van 3 februari 2014 tot 11 november 2014 onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg;

wijst af het verzoek tot machtiging de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen met ingang van 12 februari 2014;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Dam, kinderrechter, voorzitter,

mr. E.C. Koekman en mr. P. de Haan, kinderrechters en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2014, in tegenwoordigheid van als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.