Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:1821

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-02-2014
Datum publicatie
12-03-2014
Zaaknummer
09-767027-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen poging doodslag door het steken met een mes in het gezicht en de hals. Gevangenisstraf van 3 jaren.

In de zaak van de mededader (parketnummer 09/767105-13) heeft de rechtbank poging moord bewezenverklaard. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’. Verdachte is naar eigen zeggen samen met zijn mededader naar een woning gegaan met de bedoeling om een man harde klappen te geven. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte wist dat zijn mededader een mes zou gaan gebruiken. Op het moment dat verdachte het slachtoffer hevig zag bloeden, besefte dat hij het slachtoffer met een mes was bewerkt. Verdachte is daarna actief gaan deelnemen aan het geweld door het slachtoffer een aantal klappen te geven en ook na afloop heeft verdachte geen afstand van het gebeuren genomen. Gelet op de korte tijdspanne tussen het moment waarop de confrontatie wezenlijk van karakter veranderde en het moment waarop verdachte de klappen uitdeelde, kan niet worden vastgesteld dat verdachte zich redelijkerwijs heeft kunnen beraden over het besluit om zich actief in die confrontatie te mengen en zich voldoende rekenschap heeft kunnen geven van de betekenis en de gevolgen van de door hem voorgenomen geweldshandelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/85

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/767027-13

Datum uitspraak: 14 februari 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] (Angola),

[verblijfadres]
,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

[adres buitenland].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 16 juli 2013, 3 oktober 2013,

3 december 2013 en 31 januari 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mr. H. de Koning en mr. P.P.E. van de Rivière en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. I.A. van Straalen, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 16 juli 2013 - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 januari 2013 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans een maal, in het gezicht en/of de hals/nek van die [slachtoffer] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 januari 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten [slachtoffer]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten een of meerdere (litteken(s) van (een)) snee(ën) in het gezicht/gelaat en/of verlamming/(gedeeltelijk) ontbreken van gevoel in het gezicht/gelaat), heeft toegebracht, door deze opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans een maal, in het gezicht en/of de hals/nek te snijden/steken.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Op 29 januari 2013 omstreeks 23.00 uur vond er een steekincident plaats nabij de woning aan de [straatnaam] te Den Haag, waarbij [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) letsel heeft opgelopen.2

Het letsel van het slachtoffer is door D. Botter, forensisch arts KNMG, beschreven en geïnterpreteerd. Uit het medisch dossier bleek dat aan de rechterzijde van het gelaat meerdere scheurwonden aanwezig waren waarvan de wonddiepte in sommige gevallen reikte tot op de kaakspier. Bij lichamelijk onderzoek, dat negen dagen na het incident werd verricht, werden meerdere streepvormige rode littekens gezien, zowel over de rechterwang (met lengtes van circa 9 en 10 centimeter) als in de hals (met lengtes van circa 5,5, 6 en 7 centimeter). Deze huidklievingen zijn volgens Botter alle opgeleverd door een scherprandig voorwerp. Botter heeft uit het onderzoek afgeleid dat er minimaal vijf snij-/steekbewegingen zijn gemaakt. Een uitgevoerde CT-scan wees onder meer uit dat waarschijnlijk enkele kleine zijtakjes van de buitenste halsslagader waren gekliefd. Over de gevaarzetting heeft Botter gerapporteerd dat de snij-/steekbewegingen een groot risico op ernstig letsel dan wel fataal verloop hadden, met name gelet op de geconstateerde snij-/steekletsels op en nabij plaatsen in de hals.3

Over het bovengenoemde, waarvan onderdelen in de tenlastelegging zijn terug te vinden, bestaat geen discussie. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging in zoverre wettig en overtuigend kan worden bewezen en grondt dat oordeel op de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.

Verdachte heeft, kort samengevat, verklaard dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) bij het incident aanwezig was,4 dat [medeverdachte] het slachtoffer heeft gestoken en dat hij zelf het slachtoffer klappen heeft gegeven. Hij heeft verder verklaard dat hij het mes niet gezien heeft.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) een poging tot moord/doodslag (primair), dan wel aan (het medeplegen van) een zware mishandeling, al dan niet met voorbedachte raad (subsidiair).

3.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat een bewezenverklaring dient te volgen voor het primair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot moord. Volgens de officieren van justitie is verdachte weliswaar niet degene die heeft gestoken, maar hij heeft zich wel aangesloten bij deze geweldsuitingen door het slachtoffer te slaan, in plaats van zich te distantiëren, en door na afloop met [medeverdachte] mee te gaan naar Rotterdam en te vragen om het geld. Derhalve was ook het (voorwaardelijk) opzet van verdachte gericht op de dood van het slachtoffer. De voorbedachte raad volgt uit het feit dat is gehandeld vanuit een vooropgezet plan, aldus de officieren van justitie.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair algehele vrijspraak bepleit, omdat verdachte niet het opzet op het gebruik van een mes heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin. Verdachte wist niet en heeft ook niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aan het slachtoffer zulke ernstige verwondingen zouden worden toegebracht. Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ bepleit. Verdachte had nimmer een verdergaand voornemen dan het ‘geven van klappen’; het toebrengen van messneden of –steken heeft nimmer deel uitgemaakt van wat hij zich had voorgenomen.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

3.4.1

Wie heeft gestoken?

Vast staat dat het slachtoffer in zijn gezicht en hals is gestoken en dat verdachte en [medeverdachte] hierbij aanwezig waren. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag wie er heeft gestoken.

Verklaringen van de direct betrokkenen

Het slachtoffer heeft bij de politie als volgt verklaard. Hij was op bezoek bij de familie [X] in hun woning aan de [straatnaam] te Den Haag. Op zeker moment, toen hij in de achtertuin een sigaret aanstak, hoorde hij achter de tuinmuur rare geluiden. Hij deed de tuindeur open en liep twee passen de deur uit. Meteen zag hij dat er twee mannen zijn kant op kwamen lopen. Hij hoorde dat een van de mannen vroeg hoe laat het was. Toen hij op zijn horloge had gekeken en weer omhoog keek, zag hij dat dezelfde man die de tijd vroeg uithaalde met een mes richting zijn hoofd en voelde hij dat hij met het mes werd geraakt in zijn wang. Direct daarna voelde hij dat hij van de andere man, die aanvankelijk een halve meter achter de voorste man liep, een klap of trap tegen zijn hoofd kreeg. Vervolgens probeerde het slachtoffer zichzelf te beschermen. De achterste man heeft hem nog een paar klappen gegeven en de voorste man bleef hem met het mes te lijf gaan. Uiteindelijk slaagde het slachtoffer erin de tuin weer in te glippen. Een van de mannen probeerde ook de tuin in te komen, maar kwam klem te zitten tussen de poortdeur. Uiteindelijk vluchtten beide mannen weg en kon het slachtoffer de woning binnengaan.5

Bij de rechter-commissaris heeft het slachtoffer, naar aanleiding van een pro-formazitting, verklaard dat de stem van [medeverdachte] matcht met de stem van degene die om de tijd vroeg.6

Verdachte heeft als volgt verklaard. Hij is samen met [medeverdachte] - die hij aanvankelijk ‘[bijnaam medeverdachte]’ noemde7 - naar de [straatnaam] gegaan. Ze hebben gewacht bij een communiecentrum of kerk.8 Op een gegeven moment kwam er een man met een sigaret uit de tuin van een hoekhuis lopen. Verdachte en [medeverdachte] liepen snel op die man af. [medeverdachte] zei iets tegen de man en gaf hem meteen een harde klap op zijn gezicht. De man viel daardoor op de grond. Verdachte zag gelijk veel bloed bij de man. Toen de man weer was opgestaan, gaf verdachte de man met zijn linkerhand een klap op zijn rechterwang. Verdachte en [medeverdachte] hebben beiden de man twee of drie klappen gegeven. De laatste klap van verdachte was in de tuin. Toen de man de tuindeur wilde sluiten, heeft verdachte nog geprobeerd om de deur met zijn voet en zijn hand open te houden.9

[medeverdachte] heeft als volgt verklaard. Hij stond met verdachte te wachten, totdat er een man uit de tuin van de woning van de familie [X] naar buiten kwam. [medeverdachte] is naar hem toegelopen en heeft aan hem gevraagd hoe laat het was, om een gesprek te openen. Op dat moment gaf verdachte de man een vuistslag in het gezicht en is de man in elkaar gezakt. Verdachte is vervolgens achter de man gaan zitten. [medeverdachte] heeft op dat moment nog geen bloed bij de man gezien. Vervolgens is verdachte met de man in gevecht geraakt en heeft hij met zijn linkerhand een beweging in het gezicht van de man gemaakt. Daardoor is er bloed van de man op de schoenen van [medeverdachte] gekomen. Toen de man weer was opgesprongen en de tuin was ingegaan, is verdachte met zijn rechterarm tussen de tuinpoort komen vast te zitten. Op dat moment is [medeverdachte] weggerend.

Bruikbaarheid van de verklaringen

De rechtbank overweegt dat de verklaringen van [medeverdachte] (en van medeverdachte [medeverdachte 2], hierna: [medeverdachte 2]) - voor zover van toepassing - tot het bewijs kunnen worden gebezigd. De zogenoemde Vidgen-jurisprudentie (zie met name EHRM 10 juli 2012, ECLI:NL:XX:2012:BX3071; HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539), die nadere regels omvat over het gebruik van een belastende verklaring van een getuige die ter terechtzitting heeft geweigerd antwoord te geven op hem gestelde vragen, is in casu niet van toepassing, reeds vanwege het feit dat de verdediging [medeverdachte] en [medeverdachte 2] niet als getuige ter terechtzitting heeft doen oproepen en aldus geen sprake is van een situatie waarin de verdediging is beperkt in haar recht om [medeverdachte] en [medeverdachte 2] - op de voet van artikel 6, derde lid, aanhef en onder d EVRM - te (doen) ondervragen.

Waardering van het bewijs

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van het slachtoffer en verdachte op essentiële onderdelen met elkaar overeenstemmen en tegelijkertijd afwijken van de verklaring van [medeverdachte], zowel ten aanzien van de persoon die gestoken heeft als ten aanzien van het verloop van het gevecht. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Er is, behalve ten aanzien van de door het slachtoffer gegeven signalementen, geen aanleiding te veronderstellen dat het slachtoffer over het steekincident onjuist heeft verklaard. Voorts vinden belangrijke onderdelen van de verklaringen van verdachte, die al in een vroeg stadium zijn afgelegd, steun in het dossier, bijvoorbeeld ten aanzien van de bezoeken aan Rotterdam en het beoogde doel van de actie. Ten slotte heeft de rechtbank in het dossier geen materiaal aangetroffen dat de verklaring van [medeverdachte] ondersteunt en tegelijkertijd de verklaringen van het slachtoffer en verdachte weerspreekt. In dat verband overweegt de rechtbank dat Botter op 9 december 2013 op nadere vragen aan de rechter-commissaris heeft gerapporteerd dat geen uitspraak kan worden gedaan volgens welk scenario de letsels het meest waarschijnlijk zijn aangebracht, omdat de letsels zich op gemakkelijk bereikbare plaatsen van het lichaam bevinden.

Conclusie ten aanzien van het steken

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan de verklaringen van het slachtoffer en verdachte meer gewicht moet worden toegekend dan aan de verklaring van [medeverdachte], zodat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [medeverdachte] degene is geweest die het slachtoffer in het gezicht en de hals heeft gestoken en dat verdachte het slachtoffer een aantal klappen heeft gegeven.

3.4.2

Is verdachte medepleger?

De vraag die vervolgens voorligt is of verdachte, hoewel hij niet heeft gestoken, toch als medepleger van de ten laste gelegde feiten kan worden aangemerkt. Voor medeplegen is dubbel opzet vereist, zowel opzet op het delict als opzet op de samenwerking. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

3.4.2.1 Opzet op het delict

Ten aanzien van het opzet van verdachte op het delict overweegt de rechtbank als volgt.

Verklaringen verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hem gevraagd was naar Den Haag te komen, omdat er iemand hard geslagen moest worden.10 Hij zou hiervoor 500 euro krijgen.11 Verdachte heeft meermalen verklaard dat hij hier veel over heeft nagedacht, maar uiteindelijk besloten heeft om het te doen.12 Verdachte heeft meermalen, in verschillende bewoordingen herhaald: er moest iemand in elkaar geslagen worden, het was tijd om een man klappen te geven, deze man verdiende een pak slaag en moest kapot geslagen worden.13 Verdachte heeft verklaard dat er niet is gesproken over een mes.

Voorts heeft verdachte verklaard dat hij met [medeverdachte] naar Rotterdam is geweest en daar van medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) nadere instructies heeft gekregen. [medeverdachte 3] had onder meer gezegd dat zij geen telefoons mochten meenemen, wat verdachte raar vond omdat hij een Belgische telefoon had.14 Na dit bezoek heeft verdachte een halve xtc-pil genomen, omdat [medeverdachte] dat wilde, volgens verdachte voor de adrenaline. Ook heeft hij samen met [medeverdachte] een halve fles champagne gedronken, wat hij naar eigen zeggen ook voelde. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte] een sporttas met twee paar schone kleren meenam. Verdachte vond dat vreemd, omdat hij dacht dat het alleen om slaan zou gaan.15

Over het steekincident heeft verdachte in eerste instantie verklaard dat [bijnaam medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte]) het slachtoffer een harde klap op zijn gezicht gaf en dat de man op de grond viel. Verdachte zag gelijk veel bloed bij de man in zijn gezicht en hij heeft een snee gezien die wel door een mes moest zijn veroorzaakt.16 In zijn latere verhoren heeft verdachte een soortgelijke verklaring afgelegd: “Ik zag … het bloed van die man. Dit kon niet zomaar”17 en: “[medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte]) heeft gestoken … [met] … een scheermes. [Ik weet dat] aan de manier waarop die man aan het bloeden was”.18 Voorts heeft verdachte verklaard dat hij, nadat het slachtoffer was opgestaan, het slachtoffer met zijn linkerhand een klap op zijn rechterwang heeft gegeven. Hij heeft hem drie klappen gegeven, waarvan de laatste in de tuin.19

Ten slotte heeft verdachte verklaard dat hij na het steekincident samen met [medeverdachte] naar Rotterdam is gegaan om verslag aan [medeverdachte 3] uit te brengen20 en dat hij meermalen bij [medeverdachte] om het geld heeft gevraagd, zelfs op 4 april (de rechtbank begrijpt: 4 april 2013) nog.21

Beoordeling van de verklaringen van verdachte

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat verdachte naar de [straatnaam] is gegaan met de bedoeling om een man (harde) klappen te geven. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte wist of moest weten dat [medeverdachte] een mes zou gaan gebruiken. De verklaring van [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 3] had gezegd dat het een sneetje moest zijn (Steek/V/69) leidt niet tot een andere conclusie, nu uit het dossier niet kan worden afgeleid dat dit op die manier met verdachte is besproken, temeer nu [medeverdachte 2] heeft ontkend dat hij bij de bespreking tussen verdachte, [medeverdachte] en [medeverdachte 3] vooraf aanwezig is geweest.

Er zijn echter wel aanwijzingen dat het uit de hand zou kunnen gaan lopen. Zo mocht verdachte van [medeverdachte 3] geen telefoon meenemen, heeft hij op aandringen van [medeverdachte] een halve xtc-pil genomen, naar eigen zeggen bedoeld voor de adrenaline, en heeft hij samen met [medeverdachte] champagne gedronken. Ook heeft verdachte gezien dat [medeverdachte] twee paar schone kleren meenam, wat verdachte vreemd voorkwam omdat hij dacht dat er alleen maar zou worden geslagen. Tegen deze achtergrond, in combinatie met de door verdachte gebruikte terminologie dat de man in elkaar geslagen moest worden en kapot moest, heeft verdachte (op zijn minst voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gehad.

De vraag is of verdachte ook (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. In dat verband overweegt de rechtbank dat verdachte heeft gezien dat het slachtoffer een klap van [medeverdachte] kreeg en vervolgens bloedde in zijn gezicht. Het bloedde zo hevig dat verdachte zich heeft gerealiseerd, zo heeft hij meermalen uitdrukkelijk verklaard, dat dit niet zomaar kon zijn ontstaan, maar dat het slachtoffer met een mes moest zijn bewerkt. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit de verklaringen van verdachte volgt dat hij dit besef reeds op dat moment had en niet pas achteraf. Ondanks dat verdachte zich realiseerde dat [medeverdachte] verder was gegaan dan vooraf de bedoeling was - iets waarvoor verdachte al beducht had moeten zijn, zoals hiervoor is overwogen - heeft verdachte zich niet gedistantieerd maar is hij zelf actief gaan deelnemen aan het geweld door het slachtoffer een aantal klappen te geven, zelfs tot in de tuin toe. Daarmee heeft verdachte zich aangesloten bij de daden van [medeverdachte] en was het (voorwaardelijk) opzet van verdachte niet (meer) alleen gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel maar ook op de dood van het slachtoffer. Immers, vast staat dat door [medeverdachte] minimaal vijf snij-/steekbewegingen zijn gemaakt en dat deze onder meer letsels in de hals hebben opgeleverd, met een groot risico op een fataal verloop. De instemming van verdachte met het verloop van het gevecht kan ook worden afgeleid uit het feit dat verdachte na afloop geen afstand van het gebeuren heeft genomen. Het feit dat [medeverdachte] verder was gegaan dan was afgesproken, vormde voor verdachte kennelijk geen belemmering om bij [medeverdachte] het afgesproken bedrag op te eisen, niet alleen diezelfde nacht maar ook nog maanden daarna.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte, door deel te nemen aan het geweld jegens het slachtoffer terwijl hij zich realiseerde dat het slachtoffer door [medeverdachte] was gestoken, bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door het handelen van hem en [medeverdachte] zou komen te overlijden.

Voorbedachte raad

Uit het vorenstaande volgt dat verdachte met een vooropgezet plan naar de [straatnaam] is gegaan. Dat plan was echter gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het beoogde slachtoffer en niet op het doden van hem. In zoverre is de rechtbank, anders dan de officieren van justitie, van oordeel dat de voorbedachte raad ten aanzien van het primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen.

Dat is niet anders vanaf het moment dat verdachte wel het opzet op de dood van het slachtoffer had. Uit de verklaringen van het slachtoffer en verdachte volgt dat verdachte kort na de eerste klap met het mes door [medeverdachte] het slachtoffer een klap heeft gegeven. Gelet op de korte tijdspanne tussen het moment waarop de confrontatie wezenlijk van karakter veranderde en het moment waarop verdachte de klappen uitdeelde, kan niet worden vastgesteld dat verdachte zich redelijkerwijs heeft kunnen beraden over het besluit om zich actief in die confrontatie te mengen en zich voldoende rekenschap heeft kunnen geven van de betekenis en de gevolgen van de door hem voorgenomen geweldshandelingen.

Derhalve zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’.

3.4.2.2 Opzet op de samenwerking

Naar het oordeel van de rechtbank was tussen verdachte en [medeverdachte] sprake van een bewuste en nauwe samenwerking, gericht op het doden van het slachtoffer. Zoals hiervoor is overwogen heeft [medeverdachte] het slachtoffer met een mes in het gezicht en de hals gestoken en heeft verdachte zich bij dit geweld aangesloten.

De rechtbank merkt in dit verband op dat [medeverdachte] bij vonnis van heden (parketnummer 09/767105-13) is veroordeeld voor een poging tot moord ter zake van hetzelfde feitencomplex. Dat ten aanzien van de [medeverdachte] de voorbedachte raad wel bewezen is verklaard, doet echter niet af aan het feit dat voor wat betreft het ‘mindere’, de poging tot doodslag, een bewuste en nauwe samenwerking bestond.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte ten aanzien van de poging tot doodslag bewust en nauw heeft samengewerkt met medeverdachte [medeverdachte 3], die volgens verdachte de opdracht heeft gegeven om iemand klappen te geven, en ook niet met medeverdachte [medeverdachte 2], die volgens verdachte bij de voorbespreking in Rotterdam aanwezig was en vervolgens de woning van het beoogde slachtoffer heeft aangewezen. Wat er van hun precieze rol ook zij, uit het dossier zoals dat voorligt kan onvoldoende worden afgeleid dat deze medeverdachten opzet op de dood van het slachtoffer hebben gehad.

3.4.2.3 Conclusie

Op grond van het vorenstaande kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

hij op 29 januari 2013 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander met dat opzet met een mes meermalen in het gezicht en de hals van die [slachtoffer] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een aanzienlijk lagere straf bepleit. Daartoe heeft hij erop gewezen dat verdachte een adolescent is, bij wie het brein nog in ontwikkeling is. In het adolescentenstrafrecht, dat binnenkort van kracht wordt, wordt daarmee bij de strafoplegging rekening gehouden. Daarnaast heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het beperkte aandeel van verdachte in het toebrengen van het letsel. Verdachte heeft alleen een paar klappen uitgedeeld.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een laffe poging tot doodslag. Het slachtoffer, een voor verdachte onbekende, is door zijn mededader bewerkt met een mes in zijn gezicht en zijn hals. Verdachte heeft, in plaats van zich hiervan te distantiëren, zich bij deze geweldpleging aangesloten en heeft het slachtoffer een aantal klappen gegeven. Dat het slachtoffer de steekpartij heeft overleefd, is geenszins aan verdachte en zijn mededader te danken.

Een dergelijke geweldsuitbarsting is zeer schokkend. Dat geldt allereerst voor het slachtoffer en zijn naaste omgeving. Het slachtoffer vreesde tijdens de aanval voor zijn leven en is voor het leven getekend. Hij heeft littekens opgelopen die zijn gezicht ontsieren en heeft geen gevoel meer in de linkerzijde van zijn gezicht. Ook had en heeft het gebeuren ingrijpende gevolgen voor zijn psychische gesteldheid en de manier waarop hij in het leven staat. De schriftelijke slachtofferverklaring is hierover duidelijk. Daarnaast wakkeren zulke vormen van excessief geweld gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving aan, zeker nu het gebeuren aan de openbare weg heeft plaatsgevonden. Dat moet in het bijzonder gelden voor de vrienden bij wie het slachtoffer op bezoek was en die het eigenlijke doelwit waren.

De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan, vooral ook omdat hij welbewust en na rijp beraad vanuit Antwerpen naar Den Haag is gekomen om iemand in elkaar te slaan en dat zijn enige doel was om daarmee een paar honderd euro te verdienen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 9 april 2013 betreffende verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Ter terechtzitting is nog aan de orde gekomen dat verdachte na het plegen van het onderhavige feit voor andere strafbare feiten is veroordeeld.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van een reclasseringsadvies over verdachte van Reclassering Nederland d.d. 9 juli 2013. De reclassering constateert de nodige problemen bij verdachte en schat de kans op herhaling hoog in. Een toezicht met interventies en/of behandelingen acht de reclassering weliswaar geïndiceerd, maar omdat verdachte na detentie zal terugkeren naar België is een dergelijk toezicht niet uitvoerbaar. Wel wijst de reclassering op de mogelijkheid voor verdachte om in detentie deel te nemen aan het ‘Binnen Beginnen-traject’.

Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij na detentie zal terugkeren naar België en dat hij wil gaan deelnemen aan het ‘Binnen Beginnen-traject’ zodra hij is afgestraft.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur passend is. Bij de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Ook heeft de rechtbank, naast zijn relatief jonge leeftijd en het ontbreken van een relevant strafblad, laten meewegen dat verdachte niet de initiator van de steekpartij is geweest en dat hij openheid van zaken heeft gegeven in een onderzoek waar velen dat niet hebben gedaan. Om deze redenen en gelet op de vrijspraak van de voorbedachte raad komt de rechtbank uit op een lagere straf dan door de officieren van justitie is geëist. Voor een deels voorwaardelijke straf ziet de rechtbank geen aanleiding, nu verdachte na zijn detentie in België zal gaan wonen en een reclasseringstoezicht onder die omstandigheden (kennelijk) niet uitvoerbaar is.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer], bijgestaan door mr. M.T. de Vaal, advocaat te Den Haag, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot
€ 37.767,81, welke betrekking heeft op zowel materiële als immateriële schade, te weten ‘beschadigde goederen’, ‘medische kosten’, ‘inkomstenderving’, ‘reiskosten’, ‘overig’ en ‘smartengeld’.

7.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering op grond van het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, subsidiair tot afwijzing van de vordering. Door de verdediging is verweer gevoerd, zowel wat betreft de grondslag als de hoogte van de vordering en de onderbouwing daarvan. In het navolgende worden de verweren nader besproken.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Grondslag van de vordering

Allereerst heeft de verdediging betoogd dat de grondslag van de vordering onvoldoende duidelijk is. Uit het voegingsformulier en de begeleidende brief blijkt dat de vordering is gericht tegen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte]. De rechtbank begrijpt, mede gelet op de door de benadeelde partij gevorderde hoofdelijke veroordeling en het aan verdachte ten laste gelegde medeplegen, dat de vordering primair gebaseerd is op onrechtmatig handelen in het kader van groepsaansprakelijkheid en subsidiair op een onrechtmatige daad van ieder van de verdachten afzonderlijk. Uit hetgeen in de pleitnota is opgenomen blijkt dat de raadsman de grondslag van de vordering ook zo heeft begrepen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van groepsaansprakelijkheid ex artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek, nu uit de bewezenverklaring van medeplegen volgt dat verdachte in groepsverband onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van een vordering die is gebaseerd op groepsaansprakelijkheid ex artikel 6:166 BW op zichzelf geen onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding de verdediging in de gelegenheid te stellen zich nader over dit ‘ingewikkelde civielrechtelijk leerstuk’ uit te laten.

Beschadigde goederen, reiskosten en overig

De onderdelen van de vordering ‘beschadigde goederen’, ‘reiskosten’ en ‘overig’ zijn door verdachte niet betwist en de ter zake van deze posten gevorderde schade is voldoende onderbouwd. Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat deze schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit is veroorzaakt, komen de bedragen van
€ 597,60 (‘beschadigde goederen’), € 130,00 (‘reiskosten’) en € 212,00 (‘overig’) voor toewijzing in aanmerking.

Medische kosten

Door de benadeelde partij is een bedrag van € 9.000,00 gevorderd in verband met vier nog te ondergane operaties ten behoeve van littekencorrectie. Door de verdediging is gesteld dat de overgelegde offerte onvoldoende onderbouwing daarvoor vormt, omdat facturen noch betalingsbewijzen worden overgelegd. De rechtbank merkt op dat dit laatste echter niet is vereist. Door de benadeelde partij is immers toekomstige schade gevorderd. Niet betwist is de noodzaak van deze operaties en evenmin de in de offerte genoemde bedragen. De rechtbank zal de gevorderde toekomstige schade dan ook toewijzen.

Ten aanzien van de gevorderde kosten betreffende Therapie EMDR van € 1.218,75 is door de verdediging gesteld dat deze kosten niet als schade door de benadeelde partij zijn geleden. De rechtbank volgt dit verweer niet. Uit de als bijlage 3 overgelegde facturen van respectievelijk 31 maart 2013 en 29 april 2013 blijkt dat deze aan de benadeelde partij zijn gericht.

Dit ligt anders voor het gevorderde bedrag van € 1.028,50 betreffende de factuur van ‘Breng de Vreugt in je leven’. Deze factuur is, zoals de verdediging met juistheid heeft gesteld, gericht aan TK Hockey Equipment. Niet gesteld of gebleken is dat deze factuur c.q. dit bedrag door de benadeelde partij (privé) is voldaan, zodat dit gedeelte van de vordering niet kan worden toegewezen.

Voor het overige zijn de gevorderde medische kosten niet betwist. Deze schade ad (€ 164,00 + € 36,40 =) € 200,40 is bovendien voldoende onderbouwd.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de medische kosten rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit zijn veroorzaakt, komt een bedrag van
(€ 9.000,00 + € 1.218,75 + € 200,40 =) € 10.419,15 voor toewijzing in aanmerking.

Inkomstenderving

Door de verdediging is er terecht op gewezen dat de gevorderde gederfde inkomsten
(‘4 geboekte clinics à € 750,00’ en ‘inzet “de Vreugt” in je leven’) schade betreft die geleden is door de vennootschap TK Hockey Equipment B.V.. Deze vennootschap kan in de onderhavige procedure geen schade eisen. Dit deel van de vordering komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

Smartengeld

Voorts is de hoogte van het gevorderde smartengeld door de verdediging betwist.

De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag van € 13.000,00 toewijzen, welk bedrag betrekking heeft op zowel de ontsiering van het gelaat als de psychische schade. Daarbij heeft de rechtbank gelet op in vergelijkbare gevallen opgelegde bedragen aan smartengeld.

De vordering

De rechtbank zal gelet op het vorengaande de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 24.358,75, te weten de som van € 939,60 (‘beschadigde goederen’, ‘reiskosten’, ‘overig’), € 10.419,15 (‘medische kosten’) en € 13.000,00 (‘smartengeld’).

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen:

  • -

    ten aanzien van de onderdelen ‘beschadigde goederen’ en ‘smartengeld’ (totaal:
    € 13.597,60) met ingang van 29 januari 2013, zijnde de dag van het schadetoebrengende feit;

  • -

    ten aanzien van de overige onderdelen (totaal: € 10.761,15) vanaf het moment dat deze kosten zijn gevorderd, te weten 14 januari 2014.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Nu de vordering grotendeels wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat verdachte, indien en voor zover een mededader de benadeelde partij betaalt, in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting is bevrijd.

De schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte voor het primair bewezenverklaarde feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 24.358,75 vermeerderd met de wettelijke rente (over een bedrag van € 13.597,60 vanaf 29 januari 2013 en over een bedrag van € 10.761,15 vanaf 14 januari 2014, beide tot aan de dag van de algehele voldoening).

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 24c, 36f, 45, 47, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding primair en daarvan het impliciet primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding primair en daarvan het impliciet subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

medeplegen van poging tot doodslag;

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], een bedrag van € 24.358,75, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 13.597,60 vanaf 29 januari 2013 en over een bedrag van € 10.761,15 vanaf 14 januari 2014, beide tot aan de dag waarop het desbetreffende deel van de vordering is voldaan;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot
€ 24.358,75, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 13.597,60 vanaf

29 januari 2013 en over een bedrag van € 10.761,15 vanaf 14 januari 2014, beide tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 156 (honderdzesenvijftig) dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting door de verdachte en/of zijn mededaders aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting door de verdachte en/of zijn mededaders aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Van Veen voorzitter,

mrs. De Wit en Ruiter, rechters

in tegenwoordigheid van mr. Van Zwet, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2013-021120 (onderzoek 15BRR 13110 ‘KUSTUIL’), zakendossier STEEK en verdachtedossier [verdachte], van de Politie Eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen. Het betreft steeds een verwijzing naar (onderdelen van) wettige bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 339 van het Wetboek van Strafvordering. Daarbij geldt dat de aangehaalde processen-verbaal, zijnde schriftelijke bescheiden, steeds zijn opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

2 Steek/A/1-3; Steek/AH/7.

3 Steek/GD/1-8.

4 [verdachte]/80-81.

5 Steek/A/01-02.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] bij de rechter-commissaris d.d. 7 november 2013, punt 25.

7 [verdachte]/80.

8 [verdachte]/90.

9 [verdachte]/33, 37-38.

10 [verdachte]/33.

11 [verdachte]/80.

12 [verdachte]/33, 34, 80.

13 [verdachte]/34, 35, 36, 80, 87, 93.

14 [verdachte]/87, 91.

15 [verdachte]/88-89.

16 [verdachte]/37.

17 [verdachte]/81.

18 [verdachte]/90.

19 [verdachte]/37-38.

20 [verdachte]/91.

21 [verdachte]/83.