Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:1820

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-02-2014
Datum publicatie
12-03-2014
Zaaknummer
09-767105-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging moord door het steken met een mes in het gezicht en de hals. Gevangenisstraf van 5 jaren en tbs met dwangverpleging.

Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan gedragsdeskundig onderzoek, ook in het PBC, zodat er geen stoornis is vastgesteld. Op grond van eerdere rapportages is de rechtbank van oordeel dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte ook ten tijde van het bewezenverklaarde feit leed aan een persoonlijkheidsstoornis, op grond waarvan hij voor dit feit verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Gelet op de persoonlijkheidsstoornis en een langdurig patroon van geweld komt de rechtbank tot de conclusie dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, als voor zijn problematiek geen oplossing wordt gevonden, wederom een (gewelds)misdrijf zal plegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/767105-13

Datum uitspraak: 14 februari 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officieren van justitie tegen verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1988 te Den Haag,

[adres],

[verblijfplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 16 juli 2013, 3 oktober 2013, 15 oktober 2013, 3 december 2013 en 31 januari 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mr. H. de Koning en mr. P.P.E. van de Rivière en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. R. Heemskerk, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 januari 2013 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans een maal, in het gezicht en/of de hals/nek van die [slachtoffer] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 januari 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten [slachtoffer]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten een of meerdere (litteken(s) van (een)) snee(ën) in het gezicht/gelaat en/of verlamming/(gedeeltelijk) ontbreken van gevoel in het gezicht/gelaat), heeft toegebracht, door deze opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans een maal, in het gezicht en/of de hals/nek te snijden/steken.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Op 29 januari 2013 omstreeks 23.00 uur vond er een steekincident2 plaats nabij de woning aan de [straatnaam 1] te Den Haag, waarbij [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) letsel heeft opgelopen.3

Het letsel van het slachtoffer is door D. Botter, forensisch arts KNMG, beschreven en geïnterpreteerd. Uit het medisch dossier bleek dat aan de rechterzijde van het gelaat meerdere scheurwonden aanwezig waren waarvan de wonddiepte in sommige gevallen reikte tot op de kaakspier. Bij lichamelijk onderzoek, dat negen dagen na het incident werd verricht, werden meerdere streepvormige rode littekens gezien, zowel over de rechterwang (met lengtes van circa 9 en 10 centimeter) als in de hals (met lengtes van circa 5,5, 6 en 7 centimeter). Deze huidklievingen zijn volgens Botter alle opgeleverd door een scherprandig voorwerp. Botter heeft uit het onderzoek afgeleid dat er minimaal vijf snij-/steekbewegingen zijn gemaakt. Een uitgevoerde CT-scan wees onder meer uit dat waarschijnlijk enkele kleine zijtakjes van de buitenste halsslagader waren gekliefd. Over de gevaarzetting heeft Botter gerapporteerd dat de snij-/steekbewegingen een groot risico op ernstig letsel dan wel fataal verloop hadden, met name gelet op de geconstateerde snij-/steekletsels op en nabij plaatsen in de hals.4

Over het bovengenoemde, waarvan onderdelen in de tenlastelegging zijn terug te vinden, bestaat geen discussie. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging in zoverre wettig en overtuigend kan worden bewezen en grondt dat oordeel op de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.

Verdachte heeft, kort samengevat, verklaard dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) bij het incident aanwezig was,5 maar dat [medeverdachte] vanuit het niets heeft gestoken en dat hij zelf slechts heeft toegekeken.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) een poging tot moord/doodslag (primair), dan wel aan (het medeplegen van) een zware mishandeling, al dan niet met voorbedachte raad (subsidiair).

3.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat een bewezenverklaring dient te volgen voor het primair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot moord. Volgens de officieren van justitie is verdachte degene die het slachtoffer heeft gestoken. Zij hebben zich daarbij met name gebaseerd op de verklaringen van [medeverdachte], die volgens hen betrouwbaarder moeten worden geacht dan de verklaringen van verdachte.

De officieren van justitie hebben zich verzet tegen het verzoek om aanhouding in verband met het verrichten van het door de verdediging verzochte tegenonderzoek. De conclusie van dr. med. D. Spendlove klinkt veelbelovend, maar is in feite gebaseerd op informatie die geen enkele basis heeft in het dossier. Daarnaast is Spendlove als onvoldoende deskundig aan te merken, aldus de officieren van justitie.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit, omdat niet verdachte maar [medeverdachte] het letsel heeft toegebracht aan het slachtoffer en verdachte ook niet als medepleger kan worden beschouwd. In dat kader heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte] en het slachtoffer onbetrouwbaar moeten worden geacht, terwijl technische aanwijzingen (namelijk de handafdruk van [medeverdachte] op de poort) en het tegenonderzoek van Spendlove (de rechtbank begrijpt: de ‘Forensisch Pathologische QuickScan’, hierna: de QuickScan) aansluiten bij de verklaring van verdachte. In dit verband heeft de raadsman verzocht de zaak terug te verwijzen naar de rechter-commissaris teneinde door Spendlove (of een andere deskundige) een tegenonderzoek te laten doen naar de waarschijnlijkheid van de verschillende scenario’s, omdat een dergelijk onderzoek doorslaggevend voor de schuldvraag kan zijn.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

3.4.1

Heeft verdachte gestoken?

Vast staat dat het slachtoffer in zijn gezicht en hals is gestoken en dat verdachte en [medeverdachte] hierbij aanwezig waren. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag wie er heeft gestoken.

Verklaringen van de direct betrokkenen

Het slachtoffer heeft bij de politie als volgt verklaard. Hij was op bezoek bij de familie [familienaam] in hun woning aan de [straatnaam 1] te Den Haag. Op zeker moment, toen hij in de achtertuin een sigaret aanstak, hoorde hij achter de tuinmuur rare geluiden. Hij deed de tuindeur open en liep twee passen de deur uit. Meteen zag hij dat er twee mannen zijn kant op kwamen lopen. Hij hoorde dat een van de mannen vroeg hoe laat het was. Toen hij op zijn horloge had gekeken en weer omhoog keek, zag hij dat dezelfde man die de tijd vroeg uithaalde met een mes richting zijn hoofd en voelde hij dat hij met het mes werd geraakt in zijn wang. Direct daarna voelde hij dat hij van de andere man, die aanvankelijk een halve meter achter de voorste man liep, een klap of trap tegen zijn hoofd kreeg. Vervolgens probeerde het slachtoffer zichzelf te beschermen. De achterste man heeft hem nog een paar klappen gegeven en de voorste man bleef hem met het mes te lijf gaan. Uiteindelijk slaagde het slachtoffer erin de tuin weer in te glippen. Een van de mannen probeerde ook de tuin in te komen, maar kwam klem te zitten tussen de poortdeur. Uiteindelijk vluchtten beide mannen weg en kon het slachtoffer de woning binnengaan.6

Bij de rechter-commissaris heeft het slachtoffer, naar aanleiding van een pro-formazitting, verklaard dat de stem van verdachte matcht met de stem van degene die om de tijd vroeg.7

[medeverdachte] heeft als volgt verklaard. Hij is samen met verdachte - die hij aanvankelijk ‘[bijnaam medeverdachte]’ noemde8 - naar de [straatnaam 1] gegaan. Ze hebben gewacht bij een communiecentrum of kerk.9 Op een gegeven moment kwam er een man met een sigaret uit de tuin van een hoekhuis lopen. [medeverdachte] en verdachte liepen snel op die man af. Verdachte zei iets tegen de man en gaf hem meteen een harde klap op zijn gezicht. De man viel daardoor op de grond. [medeverdachte] zag gelijk veel bloed bij de man. Toen de man weer was opgestaan, gaf [medeverdachte] de man met zijn linkerhand een klap op zijn rechterwang. [medeverdachte] en verdachte hebben beiden de man twee of drie klappen gegeven. De laatste klap van [medeverdachte] was in de tuin. Toen de man de tuindeur wilde sluiten, heeft [medeverdachte] nog geprobeerd om de deur met zijn voet en zijn hand open te houden.10 [medeverdachte] heeft aangegeven dat verdachte heeft gestoken en dat hij het mes niet gezien heeft.11

Verdachte heeft als volgt verklaard. Hij stond met [medeverdachte] te wachten, totdat er een man uit de tuin van de woning van de familie [familienaam] naar buiten kwam. Verdachte is naar hem toegelopen en heeft aan hem gevraagd hoe laat het was, om een gesprek te openen. Op dat moment gaf [medeverdachte] de man een vuistslag in het gezicht en is de man in elkaar gezakt. [medeverdachte] is vervolgens achter de man gaan zitten. Verdachte heeft op dat moment nog geen bloed bij de man gezien. Vervolgens is [medeverdachte] met de man in gevecht geraakt en heeft hij met zijn linkerhand een beweging in het gezicht van de man gemaakt. Daardoor is er bloed van de man op de schoenen van verdachte gekomen. Toen de man weer was opgesprongen en de tuin was ingegaan, is [medeverdachte] met zijn rechterarm tussen de tuinpoort komen vast te zitten. Op dat moment is verdachte weggerend.

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van het slachtoffer en [medeverdachte] op essentiële onderdelen met elkaar overeenstemmen, terwijl de verklaring van verdachte op die punten afwijkend is. De overeenstemming betreft in de eerste plaats de persoon die zou hebben gestoken. [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte heeft gestoken, en ook het slachtoffer heeft verklaard dat degene die om de tijd vroeg, wiens stem zou matchen met de stem van verdachte, heeft gestoken. Verdachte heeft wel erkend dat hij om de tijd heeft gevraagd, maar niet dat hij heeft gestoken. In de tweede plaats komen de verklaringen van het slachtoffer en [medeverdachte] overeen met betrekking tot het verloop van het gevecht. Beiden hebben verklaard dat het slachtoffer direct na het aanspreken door verdachte in zijn gezicht is geslagen en dat hij tevens klappen van de andere man, te weten [medeverdachte], heeft gehad. Verdachte heeft daarentegen verklaard dat het slachtoffer, toen hij op de grond was terechtgekomen, van achteren door [medeverdachte] is gestoken, terwijl verdachte zelf niets heeft gedaan.

Bruikbaarheid van de verklaringen

De rechtbank overweegt ambtshalve dat de verklaringen van [medeverdachte] (en van medeverdachte [medeverdachte 2], hierna: [medeverdachte 2]) - voor zover van toepassing - tot het bewijs kunnen worden gebezigd. De zogenoemde Vidgen-jurisprudentie (zie met name EHRM 10 juli 2012, ECLI:NL:XX:2012:BX3071; HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539), die nadere regels omvat over het gebruik van een belastende verklaring van een getuige die ter terechtzitting heeft geweigerd antwoord te geven op hem gestelde vragen, is in casu niet van toepassing, reeds vanwege het feit dat de verdediging [medeverdachte] en [medeverdachte 2] niet als getuige ter terechtzitting heeft doen oproepen en aldus geen sprake is van een situatie waarin de verdediging is beperkt in haar recht om [medeverdachte] en [medeverdachte 2] - op de voet van artikel 6, derde lid, aanhef en onder d EVRM - te (doen) ondervragen.

Betrouwbaarheid van de verklaringen

Gelet op de tegenstrijdigheden op essentiële onderdelen in de verklaringen van het slachtoffer en [medeverdachte] enerzijds en van verdachte anderzijds dient de rechtbank te toetsen in hoeverre deze verklaringen betrouwbaar zijn. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Het slachtoffer heeft zijn aangifte daags na het incident afgelegd en is tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris bij de inhoud daarvan gebleven. Ten aanzien van zijn verklaring bij de politie geldt dat de signalementen zoals die door het slachtoffer zijn gegeven, met name dat het om twee licht getinte mannen zou gaan, evident onjuist zijn; verdachte heeft een blanke huidskleur en [medeverdachte] een donkere. Dat het slachtoffer in de war was en hem de precieze gang van zaken niet meer helder voor de geest stond, zoals de raadsman heeft aangevoerd, kan hieruit echter niet zonder meer worden afgeleid. Het enkele feit dat het slachtoffer een (op onderdelen) onjuist signalement heeft gegeven, maakt zijn gedetailleerde verklaring ten aanzien van het verloop van de gebeurtenissen niet onbetrouwbaar, temeer nu uit het dossier volgt dat het incident plaatsvond rond 23.00 uur en het slachtoffer de mannen bij het schijnsel van een straatlantaarn heeft gezien.

Ten aanzien van de verklaringen van [medeverdachte] constateert de rechtbank dat deze niet op alle punten gelijkluidend zijn. Zo heeft [medeverdachte] in eerste instantie verklaard over ‘[bijnaam medeverdachte]’ als degene met wie hij samen was, maar later bleek het om verdachte te gaan. Ook heeft [medeverdachte] niet eenduidig verklaard over wat hij op de bewuste dag heeft gedaan. Zo heeft hij aanvankelijk niet verklaard dat hij in Rotterdam is geweest, later heeft hij verklaard dat hij in een [uitgaansgelegenheid] in Rotterdam is geweest maar voor zijn gevoel ‘voor niets’, en uiteindelijk heeft hij verklaard dat hij in de [uitgaansgelegenheid] in Rotterdam medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) heeft ontmoet. Deze discrepanties maken de verklaringen van [medeverdachte] echter niet zonder meer onbetrouwbaar. Daartoe overweegt de rechtbank dat de verklaringen ten aanzien van de steekpartij in essentie gelijk zijn gebleven en dat de verschillen in feite kunnen worden verklaard door het feit dat [medeverdachte] in latere verklaringen openhartiger is geweest, met name over de medeverdachten en hun rol.

Voor zover de raadsman kanttekeningen heeft geplaatst bij de wijze waarop [medeverdachte] is verhoord, geldt - los van de vraag of er ontoelaatbare druk is uitgeoefend - dat [medeverdachte] zijn verklaring nadien meermalen heeft herhaald of daarnaar heeft verwezen, ook na het raadplegen van een advocaat, zodat niet is gebleken dat dit een omstandigheid oplevert die afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte].

Ten slotte overweegt de rechtbank dat de verklaringen van [medeverdachte], behalve in de verklaring van het slachtoffer, ook op andere onderdelen steun vinden in het dossier. (a) Dat [medeverdachte] voorafgaand aan het steekincident met verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in Rotterdam is geweest, vindt steun in de verklaring van verdachte (ter terechtzitting van 31 januari 2014) en die van [medeverdachte 3] (verhoor als verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 6 november 2013, punt 13), en in zendmastgegevens, waaruit volgt dat de telefoons van verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] omstreeks 18.30 uur alle aanstralen op een zendmast aan de [straatnaam 2] te Rotterdam, in de buurt van de desbetreffende [uitgaansgelegenheid] aan de [straatnaam 3] te Rotterdam (Steek/AH/143-150, 160-162). (b) Voorts vindt de verklaring van [medeverdachte] dat [medeverdachte 3] de opdracht heeft gegeven om de vader van ene [X] klappen te geven omdat de vader met de CIE praatte, op diverse onderdelen bevestiging in het dossier. Dat de opdracht van [medeverdachte 3] afkomstig was, vindt onder meer steun in de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij die avond van [medeverdachte 3] heeft vernomen dat hij een aanslag had laten plegen (Steek/V/68) en in de verklaring van getuige [getuige] dat hij van [medeverdachte 3] heeft vernomen dat deze twee jongens naar het huis van [Y] en [Q] (de rechtbank begrijpt: [getuige]) had gestuurd om hun een waarschuwing te geven (Steek/G/21). Dat de aanleiding was gelegen in de relatie tussen [X] en [medeverdachte 3] en het vermeende praten met de CIE, wordt onder meer bevestigd door [medeverdachte 3] zelf (verhoor als verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 6 november 2013, punt 13), door verdachte (ter terechtzitting van 31 januari 2014) en door [getuige] (Steek/G/5). (c) Als laatste neemt de rechtbank in aanmerking dat [medeverdachte] heeft verklaard dat hij ook na het steekincident weer naar Rotterdam is gegaan en daarna [medeverdachte 3] in dezelfde [uitgaansgelegenheid] heeft ontmoet. Dit wordt bevestigd door de verklaring van verdachte (ter terechtzitting van 31 januari 2014), de verklaring van [medeverdachte 3] (verhoor als verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 6 november 2013, punt 14) en de verklaring van [medeverdachte 2] (Steek/V/68), en tevens in zendmastgegevens, waaruit volgt dat de telefoon van [medeverdachte 3] op 30 januari 2013 om 0.46 uur aanstraalde op de eerder genoemde zendmast aan de Nieuwe Binnenweg te Rotterdam (Steek/AH/146, 174).

Ten aanzien van de verklaring van verdachte geldt allereerst dat verdachte op een laat moment, namelijk op 16 januari 2014, een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd. Weliswaar heeft hij op 7 mei 2013 een verklaring over het steekincident en een bezoek nadien aan een [uitgaansgelegenheid] in Rotterdam afgelegd, maar een gedetailleerde verklaring over de gebeurtenissen die dag heeft hij, in tegenstelling tot [medeverdachte], pas afgelegd op het moment dat hij kon beschikken over het gehele dossier. Aan die verklaring kan daarom geen doorslaggevende waarde worden toegekend.

Voorts heeft de raadsman in dit verband aangevoerd dat de bebloede handafdruk van [medeverdachte] op de tuindeur aansluit bij de verklaring van verdachte dat [medeverdachte] heeft gestoken. De rechtbank acht deze omstandigheid niet eenduidig, alleen al omdat het bloed ook op de hand van [medeverdachte] terecht kan zijn gekomen op het moment dat [medeverdachte] het slachtoffer in het gezicht heeft geslagen, waarover zowel het slachtoffer als [medeverdachte] hebben verklaard.

Ten slotte heeft de raadsman gewezen op de QuickScan van Spendlove, waarin wordt aangegeven dat op basis van de beschikbare informatie het waarschijnlijker lijkt dat de verwondingen zijn toegebracht door een persoon die achter het slachtoffer stond, zoals verdachte heeft verklaard, dan dat ze zijn veroorzaakt door iemand die vóór het slachtoffer stond. De rechtbank overweegt in dit verband dat Botter op 9 december 2013 op nadere vragen van de rechter-commissaris heeft gerapporteerd dat geen uitspraak kan worden gedaan volgens welk scenario de letsels het meest waarschijnlijk zijn aangebracht, omdat de letsels zich (zowel in staande als liggende houding) op gemakkelijk bereikbare plaatsen van het lichaam bevinden. Die conclusie wordt door de QuickScan niet weerlegd en evenmin voldoende in twijfel getrokken, nu Spendlove (tevens) heeft gerapporteerd dat voor ‘beantwoording van de hypothesen’ meer informatie noodzakelijk is. Gegeven deze stand van zaken biedt de QuickScan naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende ondersteuning voor het door verdachte gepresenteerde scenario. Of de QuickScan aanleiding vormt om een tegenonderzoek te laten uitvoeren, zoals door de verdediging is verzocht, komt hierna aan de orde.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van het slachtoffer en [medeverdachte] als betrouwbaar dienen te worden aangemerkt. Deze verklaringen komen op essentiële onderdelen overeen. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat het slachtoffer over het verloop van het steekincident onjuist heeft verklaard. Daarnaast vinden de verklaringen van [medeverdachte], die al in een vroeg stadium zijn afgelegd, steun in het dossier. Ten slotte heeft de rechtbank in het dossier geen materiaal aangetroffen dat de verklaring van verdachte ondersteunt en tegelijkertijd de verklaringen van het slachtoffer en [medeverdachte] weerspreekt. Ook de verklaring van [medeverdachte 3] dat de ‘neger’ (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte]) het slachtoffer heeft gekrast (verhoor als verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 6 november 2013, punt 14) kan niet als zodanig gelden. Niet alleen zou [medeverdachte 3] dit van verdachte hebben vernomen, zodat de informatie uit een en dezelfde bron afkomstig is, ook heeft [medeverdachte 3] anders verklaard over de rol van verdachte, namelijk dat hij de benen van het slachtoffer heeft vastgehouden, hetgeen verdachte uitdrukkelijk heeft ontkend.

Verzoek om tegenonderzoek

Ten aanzien van het verzoek van de verdediging om de zaak terug te verwijzen naar de rechter-commissaris teneinde door Spendlove (of een andere deskundige) een tegenonderzoek te laten doen naar de waarschijnlijkheid van de verschillende scenario’s, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank merkt op dat in het midden kan blijven of het verzoek moet worden aangemerkt als betrekking hebbend op een tegenonderzoek of een aanvullend onderzoek. Voor de beoordeling maakt dit geen verschil. Omwille van de leesbaarheid zal het gevraagde onderzoek hierna worden aangeduid als ‘tegenonderzoek’.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan de eis van een eerlijke procesvoering meebrengen dat aan een verzoek tot het doen verrichten van een tegenonderzoek gevolg behoort te worden gegeven. Of zich een dergelijk geval voordoet, is afhankelijk van de omstandigheden van de desbetreffende zaak. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan het belang van het gevraagde tegenonderzoek in het licht van - bijvoorbeeld - de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal.

De rechtbank constateert dat er twee scenario’s tegenover elkaar staan: enerzijds het scenario dat verdachte het slachtoffer van voren heeft gestoken, welk scenario wordt ondersteund door de verklaringen van het slachtoffer en [medeverdachte], welke verklaringen - zoals hiervoor overwogen - als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt; anderzijds het scenario dat [medeverdachte] het slachtoffer van achteren heeft gestoken, welk scenario slechts wordt ondersteund door de verklaring van verdachte. De vraag die op grond van artikel 315 van het Wetboek van Strafvordering voorligt, is of het gevraagde tegenonderzoek noodzakelijk moet worden geacht.

De onderbouwing van het gevraagde tegenonderzoek is gebaseerd op de QuickScan, zoals opgesteld door Spendlove. Naar het oordeel van de rechtbank biedt deze QuickScan onvoldoende aanknopingspunten om de conclusie van Botter dat er geen uitspraak kan worden gedaan volgens welk scenario de letsels het meest waarschijnlijk zijn aangebracht, in twijfel te trekken. De rechtbank overweegt daartoe dat, voor zover de QuickScan met de nodige voorzichtigheid de conclusie trekt dat het scenario waarin het letsel is toegebracht door iemand die achter het slachtoffer zat of stond waarschijnlijker is, deze conclusie is gebaseerd op aannames die niet op het dossier zijn gebaseerd, zoals dat het slachtoffer gefixeerd was tijdens het toebrengen van de letsels, dat er een stanleymes is gebruikt en dat een rechtshandig dominant persoon de verwonding heeft toegebracht. Niet aannemelijk is geworden dat er ook los van deze aannames steekhoudende conclusies kunnen worden getrokken. Dat klemt temeer nu Spendlove aangeeft voor een herbeoordeling meer informatie nodig te hebben, terwijl ter terechtzitting duidelijk is geworden dat een deel van deze informatie niet beschikbaar is, zoals (objectieve) documentatie omtrent het gebruikte daadwapen en DNA-resultaten.

Gelet enerzijds op het gewicht dat aan de bewijsmiddelen kan worden toegekend en anderzijds op de weinig steekhoudende onderbouwing van het verzoek in de vorm van de QuickScan, is naar het oordeel van de rechtbank de noodzakelijkheid van het gevraagde tegenonderzoek niet gebleken. Het verzoek wordt daarom afgewezen. De rechtbank komt aldus niet toe aan de vraag of Spendlove ter zake voldoende deskundig moet worden geacht.

Conclusie ten aanzien van het steken

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer in het gezicht en de hals heeft gestoken.

3.4.2

Opzet op de dood

Vast staat dat er minimaal vijf snij-/steekbewegingen zijn gemaakt en dat deze onder meer letsels in de hals hebben opgeleverd, met een groot risico op een fataal verloop. Gelet hierop en op het verloop van het steekincident is de rechtbank van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door de messteken zou komen te overlijden.

3.4.3

Voorbedachte raad

Ten aanzien van de vraag of verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld overweegt de rechtbank als volgt.

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij op verzoek van verdachte naar Den Haag is gekomen om iemand te slaan en daarmee 500 euro te verdienen.12 Voorafgaand aan het steekincident is hij samen met verdachte naar Rotterdam is geweest. In de [uitgaansgelegenheid] hebben zij gesproken met [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] liet een foto zien van de vader van ene [X] (de rechtbank begrijpt: [X] en haar vader [Y]) en zei: “Deze man praat met de CIE, omdat ik met zijn dochter ga. Deze man moeten jullie vandaag klappen geven”, aldus [medeverdachte].13

Dat er een plan bestond om naar de woning van de familie [familienaam] toe te gaan, wordt door meerdere personen bevestigd. Zo heeft de broer van [Y], getuige [getuige] verklaard, dat hij van [medeverdachte 3] heeft vernomen dat hij twee jongens naar het huis van [Y] en [Q] (de rechtbank begrijpt: de familie [familienaam]) had gestuurd om hun een waarschuwing te geven.14 Verdachte zelf heeft verklaard dat hij bij de familie [familienaam] langs wilde gaan15 om te praten.

Zowel [medeverdachte]16 als verdachte17 heeft verklaard dat zij (even) hebben staan wachten in de buurt van de woning van [familienaam], totdat zij iemand uit de tuin zagen komen. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij naar de man is toegelopen en hem om de tijd heeft gevraagd.18

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat er een duidelijk plan is gemaakt om naar de woning van de familie [familienaam] te gaan om de vader klappen te geven. Dit plan is ook ten uitvoer gelegd, met dien verstande dat er niet alleen is geslagen maar door verdachte ook met een mes is gesneden en dat niet de vader maar een vriend van de vader het slachtoffer is geworden. Deze omstandigheden doen echter niet af aan het feit dat verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg. Hij heeft zich een aantal uren kunnen bezinnen op de uitvoering van het plan dat in Rotterdam was gemaakt, ook nog tijdens het wachten in de buurt van de woning. Bovendien wijst de wijze van uitvoering op een welbewuste en weloverwogen handeling, nu verdachte het slachtoffer heeft aangesproken en direct daarna in het gezicht heeft gestoken. Daarbij is meermalen in gezicht en hals gestoken, hetgeen wijst op een doelbewuste handeling tot het toebrengen van schade aan deze delen van het lichaam. Het dossier bevat ook overigens geen aanwijzingen dat verdachte vanuit een opwelling zou hebben gehandeld. Ten slotte overweegt de rechtbank dat het feit dat de verkeerde persoon het slachtoffer is geworden, aan de bewezenverklaring van de voorbedachte raad niet in de weg staat.

Dat verdachte heeft gehandeld overeenkomstig het vooropgezette plan, wordt bevestigd door de verklaring van [medeverdachte 2] dat een dikke blanke jongen (de rechtbank begrijpt: verdachte) na het steekincident van [medeverdachte 3] geld ontving,19 kennelijk de tegenprestatie voor de geleverde dienst.

3.4.4

Medeplegen

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het bestanddeel ‘medeplegen’.

Ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte] geldt dat deze zich wel schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, maar dat er onvoldoende bewijs is dat [medeverdachte] te dien aanzien met voorbedachte raad heeft gehandeld. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat [medeverdachte] vooraf ervan op de hoogte was dat er gestoken zou worden, terwijl hij zich op het moment dat er door verdachte gestoken werd onvoldoende heeft kunnen beraden.20

Ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 3], die de opdracht zou hebben gegeven om naar de familie [familienaam] te gaan, en van medeverdachte [medeverdachte 2], die volgens [medeverdachte] bij de voorbespreking in Rotterdam aanwezig was en vervolgens de woning van het beoogde slachtoffer heeft aangewezen, geldt - wat hun precieze rol ook is geweest - dat uit het dossier, zoals dat voorligt, onvoldoende kan worden afgeleid dat zij opzet op de dood van het slachtoffer hebben gehad.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

hij op 29 januari 2013 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een mes meermalen in het gezicht en de hals van die [slachtoffer] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (hierna: tbs met dwangverpleging) wordt opgelegd en een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest. Voor zover de rechtbank de oplegging van tbs met dwangverpleging niet mogelijk acht, hebben de officieren van justitie gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren wordt opgelegd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair verzet tegen oplegging van tbs met dwangverpleging. Daarvoor is nodig dat een stoornis wordt vastgesteld. Het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) heeft verdachte onderzocht en gerapporteerd dat er geen stoornis kan worden vastgesteld en dat aanwijzingen voor ADHD ontbreken. Het PBC-rapport geeft daarom volgens de raadsman eerder contra-indicaties dan ruimte voor tbs met dwangverpleging. Bovendien doet het feit dat het openbaar ministerie de deskundigen van het PBC niet heeft opgeroepen afbreuk aan de eis van tbs met dwangverpleging. Voorts heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte in 2009 wel heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn geestvermogens, maar dat bij dat onderzoek naar de mening van verdachte alleen is teruggegrepen op de oude rapporten uit 2004. Toen was verdachte echter pas 16 jaar oud en was zijn brein nog niet uitontwikkeld. Na 2009 heeft verdachte zich, gelet op zijn strafblad, goed gedragen. Verdachte geeft aan dat hij is veranderd, niet door de PIJ-maatregel, maar door de geboorte van zijn dochter.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat een eis van vijftien jaar gevangenisstraf buitenproportioneel is.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een laffe poging tot moord. Het slachtoffer, een voor verdachte onbekende, is door hem bewerkt met een mes in zijn gezicht en zijn hals. Dat het slachtoffer de steekpartij heeft overleefd, is geenszins aan verdachte te danken.

Een dergelijke geweldsuitbarsting is zeer schokkend. Dat geldt allereerst voor het slachtoffer en zijn naaste omgeving. Het slachtoffer vreesde tijdens de aanval voor zijn leven en hij is voor het leven getekend. Hij heeft littekens opgelopen die zijn gezicht ontsieren en heeft geen gevoel meer in de linkerzijde van zijn gezicht. Ook had en heeft het gebeuren ingrijpende gevolgen voor zijn psychische gesteldheid en de manier waarop hij in het leven staat. De schriftelijke slachtofferverklaring is hierover duidelijk. Daarnaast wakkeren zulke vormen van excessief geweld gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving aan, zeker nu het gebeuren aan de openbare weg heeft plaatsgevonden. Dat moet in het bijzonder gelden voor de vrienden bij wie het slachtoffer op bezoek was en die het eigenlijke doelwit waren.

De rechtbank rekent het verdachte bovendien zwaar aan dat hij zich op nietsontziende wijze heeft gemengd in een relationele aangelegenheid waarmee hij zelf niets van doen had.

Justitiële documentatie

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 7 mei 2013 betreffende verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld, waarbij in 2009 (onder meer voor openlijke geweldpleging) een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk is opgelegd, en in 2004 (onder meer voor doodslag) de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel). Daarnaast is verdachte kort na het plegen van het onderhavige feit voor een ander strafbare feit (bedreiging) veroordeeld.

De gedragskundige rapportages

De rechtbank heeft allereerst kennis genomen van de (brief)rapportage van drs. G.H.E. van Hoecke, forensisch psychiater, d.d. 26 augustus 2013. De psychiater heeft gerapporteerd dat er geen psychiatrisch onderzoek kon worden verricht omdat verdachte niet wilde meewerken, en heeft in overweging gegeven verdachte voor verdere diagnostiek in het PBC te laten observeren.

Ter terechtzitting van 15 oktober 2013 heeft de rechtbank, op vordering van de officier van justitie, bevolen dat verdachte ter observatie in het PBC diende te worden opgenomen.

Verdachte is vervolgens van 14 november 2013 tot 2 januari 2014 in het PBC opgenomen. Gedurende die opname is verdachte onderzocht door (onder meer) R.B. Sevinga, psychiater in opleiding, onder supervisie van E.A. Beld, psychiater, en P.E. Geurkink, psycholoog. Deze deskundigen hebben hun bevindingen vastgelegd in een Pro Justitia rapportage die op 24 januari 2014 is uitgebracht.

Uit deze rapportage volgt dat verdachte niet aan het onderzoek heeft meegewerkt, inclusief de psychiatrische of psychologische onderzoeksgesprekken. Om die reden hebben de deskundigen de persoonlijkheidskenmerken van verdachte niet eigenstandig kunnen onderzoeken. Ook het mogelijke alcoholmisbruik hebben de deskundigen niet verder kunnen onderzoeken. Uit het milieuonderzoek en de observaties hebben zij evenwel geen aanwijzingen gevonden dat verdachte lijdt of heeft geleden aan een psychotische stoornis, een ernstige depressie of manie. In de kindertijd is de diagnose ADHD gesteld, maar deze is op latere leeftijd verworpen. In de Pro Justitia rapportages uit 2009 is (onder meer) de diagnose antisociale persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. Deze diagnose kon ten gevolge van de weigering mee te werken aan het onderzoek niet worden uitgesloten of bevestigd.

De deskundigen concluderen dan ook dat op basis van het onderzoek niets gezegd kan worden over een mogelijk gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

De rechtbank heeft voorts - op de voet van artikel 37a, derde lid, juncto artikel 37, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht - kennis genomen van de inhoud van een aantal in het kader van eerdere strafzaken opgemaakte gedragskundige rapportages. Deze houden onder meer het volgende in:

Pro Justitia rapportage d.d. 18 oktober 2004, opgemaakt en ondertekend door A. v.d. Linde, orthopedagoog/GZ-psycholoog, en L. Dijkman, hoofd pedagogisch beleid/GZ-psycholoog, waarin verdachte wordt aangeduid als [verdachte]:

Er is bij [verdachte] sprake van sociale en emotionele ontwikkelingsproblematiek. Hij voelt zich machteloos, eenzaam en bedreigd. Zijn identiteitsontwikkeling is beperkt. Verder is er sprake van een zwakke concentratie, tekortschietende impulscontrole en gebrekkige frustratietolerantie. Ondanks zijn gemiddelde cognitieve capaciteiten is [verdachte] slechts in beperkte mate in staat sociale relaties te duiden, zijn zelfinzicht en inzicht in anderen schieten tekort. De problematiek van [verdachte] voldoet aan de criteria voor ADHD. (…)

Bij [verdachte] is sprake van een ernstige ontwikkelingsproblematiek. Wanneer er geen intensieve behandeling volgt, is er sprake van een groot recidiverisico. De beïnvloedbaarheid van [verdachte], zijn onvermogen sociale situaties in te schatten, zijn tekortschietende zelfinzicht, zijn gebrekkige impulscontrole en zijn gebrekkige agressieregulatie kunnen leiden tot nieuwe geweldsdelicten. (…)

De ontwikkeling van [verdachte] wordt in ernstige mate bedreigd, er is een groot risico op recidive in de zin van het plegen van geweldsdelicten en gezien de complexiteit van de problematiek is van een behandeling alleen resultaat te verwachten als die veelomvattend en intensief is.

Pro Justitia rapportage d.d. 21 oktober 2004, opgemaakt en ondertekend door J. de Jonge, (kinder- en jeugd)psychiater:

Betrokkene is een deels nog kinderlijke jongen met een laag zelfbeeld wat [wordt] overschreeuwd door te imponeren, die reeds op zijn huidige leeftijd enkele trekken van een antisociale persoonlijkheid vertoont. Hij heeft weinig maatschappelijk aanpassingsvermogen en houdt met zijn egocentrisme nauwelijks rekening met de ander. Hij is onvoldoende in staat zich in anderen in te leven. Hij toont onvoldoende diepgang in relaties. Zeker is er nog geen sprake van verharding. Zo is er ten aanzien van het delict wel schuldgevoel en schaamte. Verder wordt zijn persoonlijkheid bepaald door prikkelbaarheid, snel agressief raken, impulsiviteit (ook deels vanuit de ADHD versterkt) en zich anders (stoer en imponerend) voordoen. Gevreesd moet worden voor verder afglijden richting een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Op grond van de genoemde persoonlijkheidsproblematiek met de daarmee samenhangende gedragsstoornis is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling, daarnaast is er op grond van de ADHD sprake van een ziekelijke stoornis. (…)

Zowel aspecten van ADHD (impulsiviteit, onrust) als aspecten samenhangend met de persoonlijkheidsproblematiek (vooral: egozwakte, impulsiviteit gemakkelijk leidend tot driftmatig reageren, een laag zelfbeeld leidend tot compenseren door imponeergedrag) zijn factoren die de kans op recidive bevorderen. (…)

Betrokkene moet noodzakelijk langdurig en binnen een gesloten residentiële setting worden behandeld.

Pro Justitia rapportage d.d. 15 november 2009, opgemaakt en ondertekend door F.G. van der Oest, psychiater:

Tijdens het huidige onderzoek is bij onderzochte een antisociale persoonlijkheidsstoornis geconstateerd. (…)

Gezien de justitiële voorgeschiedenis en de gebleken gebrekkige begeleidbaarheid en het matige leervermogen acht ik de recidivekans groot en de prognose somber. (…)

Onderzochte is voornamelijk met zijn eigen belangen bezig en kan daarmee de belangen van anderen schaden. Hij heeft weinig invoelend vermogen en weinig echt doorleefde spijtgevoelens jegens anderen. Concluderend heeft hij een antisociale persoonlijkheidsstoornis die reeds op jonge leeftijd zijn begin heeft gekend. (…)

De impulsiviteit, prikkelbaarheid en agressiviteit hebben het gedrag van onderzochte sterk beïnvloed, welk effect nog versterkt is door het alcoholmisbruik. Gezien de ernst van de persoonlijkheidsstoornis van onderzochte kan geconcludeerd worden dat hij ook zonder het alcoholmisbruik tot dezelfde daden had kunnen komen. (…)

Alle factoren samenhangend met de persoonlijkheidsstoornis zorgen voor een zeer grote recidivekans. Zeker als hij ook nog alcohol in vrij grote hoeveelheden blijft nuttigen, zal de recidivekans gezien de daardoor ten nadele beïnvloede lage impulsbeheersing evenredig stijgen. (…)

Mede gezien de verslaglegging van de PIJ-periode adviseer ik om aan onderzochte een tbs met dwangverpleging op te leggen zodat hij toch nog de kans krijgt om gedurende een langere aaneengesloten periode iets aan zijn ernstig invaliderende persoonlijkheidsproblematiek te doen.

Pro Justitia rapportage d.d. 17 november 2009, opgemaakt en ondertekend door S.P. van der Hoorn, psycholoog, onder supervisie van drs. M.H. Keppel, GZ-psycholoog:

Er is bij betrokkene sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Daarnaast is er sprake van ADHD-kenmerken en van alcoholmisbruik. (…)

Vanuit de persoonlijkheidsstoornis vertoont betrokkene ernstige gedragsproblemen, waarin ruzies en agressie centraal staan. Hij is snel gekrenkt en weet zich sociale regels moeilijk eigen te maken. Hij heeft een beperkte frustratietolerantie en problemen in de agressieregulatie. De persoonlijkheidsstoornis maakt dat betrokkene sterk egocentrisch, dwingend en onbegrensd is. Hij wordt in zijn gedrag nauwelijks geremd door gewetensfuncties. De persoonlijkheidsstoornis is dusdanig invaliderend dat betrokkene tot nu toe nooit op enig levensterrein goed heeft gefunctioneerd. De ADHD-kenmerken maken dat hij onvoldoende controle heeft over zijn gedrag, onrustig en impulsief is. Het alcoholmisbruik kan een drempelverlagend effect hebben gehad op het gedrag van betrokkene. (…)

Betrokkene heeft nauwelijks ziekte-inzicht en probleembesef (…)

De impulsiviteit, egocentrisme, gebrek aan empathie, de ernstige agressieregulatieproblematiek, de geringe frustratietolerantie en de lacunaire gewetensfuncties zijn factoren voortkomend uit de stoornis van betrokkene die van belang zijn voor de kans op recidive. (…)

Betrokkene heeft ruim vier jaar vanuit een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel in een justitiële jeugdinrichting verbleven. Hij heeft daarbij slechts beperkte vooruitgang geboekt met zijn behandeling. Na vier jaar werd geadviseerd de PIJ-maatregel te verlengen omdat betrokkene meer behandeling nodig had. Tegen het verlengingsadvies in is de PIJ-maatregel toen beëindigd. Betrokkene is moeilijk behandelbaar en gezien de ernst van de persoonlijkheidsproblematiek zal een ambulante of dagbehandeling volstrekt ontoereikend zijn. De pathologie van betrokkene is niet van tijdelijke aard en vraagt om meerdere jaren intensieve, gedwongen behandeling. Betrokken is onvoldoende gemotiveerd voor behandeling gezien zijn gebrekkig ziekte-inzicht en zelfoverschatting. (…) Een gemaximeerde tbs-maatregel met voorwaarden wordt niet toereikend geacht. Om verdere scheefgroei van de persoonlijkheid af te wenden, ter voorkoming van recidive en ter bescherming van de maatschappij wordt een tbs-maatregel met dwangverpleging geadviseerd. Betrokkene heeft een langdurige, intensieve en klinische behandeling nodig. Gezien het hoge recidiverisico dient deze behandeling intramuraal te starten.

Psychische stoornis

Uit bovengenoemde gedragskundige rapportages, waaraan verdachte wel zijn medewerking heeft verleend, leidt de rechtbank dat verdachte steeds in verband wordt gebracht met antisociale persoonlijkheidsproblematiek. In 2004, toen verdachte 16 jaar oud was, ging het nog om trekken van een antisociale persoonlijkheid, waarbij de vrees werd geuit dat hij verder zou afglijden richting een antisociale persoonlijkheidsstoornis. In 2009, toen verdachte 21 jaar oud was, werd daadwerkelijk een antisociale persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. De PIJ-maatregel, die vier jaar heeft geduurd en welke is beëindigd op 3 februari 2009, heeft dit blijkbaar niet kunnen voorkomen. Integendeel, uit het verlengingsadvies d.d. 17 november 2008 volgt dat een verdere behandeling noodzakelijk werd geacht. Psycholoog Van der Hoorn heeft in 2009 opgemerkt dat de pathologie van verdachte niet van tijdelijke aard is en vraagt om meerdere jaren intensieve, gedwongen behandeling. De rechtbank constateert dat verdachte na 2009 niet meer is behandeld. In 2009 heeft de rechtbank een voorwaardelijke straf opgelegd met als bijzondere voorwaarde (onder meer) een behandeling bij De Waag. Deze behandeling is niet van de grond gekomen, zo volgt uit het PBC-rapport (p. 24). In het kader van de intake werd een psychopathietest afgenomen. De Waag zag op grond van de uitslag geen mogelijkheden om een adequate behandeling te starten. Er zou sprake zijn van ernstige psychopathologie, die verband hield met een gebrekkige gewetensfunctie, een neiging tot manipuleren, beperkte empathische vermogens en ‘thrillseeking’.

Nu verdachte in november 2009 - iets meer dan drie jaar voor het onderhavige strafbare feit - is gediagnosticeerd met een antisociale persoonlijkheidsstoornis, nu deze problematiek al op jonge leeftijd bestond en niet van tijdelijke aard is, en nu de volgens de deskundigen benodigde intensieve behandeling in de tussenliggende jaren geheel is uitgebleven, is de rechtbank van oordeel dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte ook nog op 29 januari 2013 leed aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Ten aanzien van de in de gedragskundige rapportages genoemde ADHD en alcoholmisbruik heeft de rechtbank onvoldoende aanwijzingen om te kunnen vaststellen dat verdachte ook op 29 januari 2013 (nog) lijdende was aan (een van) deze ziekelijke stoornissen.

Toerekeningsvatbaarheid

De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Dit oordeel is gebaseerd op eerdere Pro Justitia rapportages, waarin op grond van dezelfde problematiek en dezelfde soort feiten, namelijk geweldsfeiten, tot die mate van toerekeningsvatbaarheid wordt geconcludeerd.

Gevaarscriterium

De rechtbank overweegt dat de deskundigen in 2009 hebben gerapporteerd dat de recidivekans (zeer) groot is. De deskundigen wijzen daarbij op de factoren die samenhangen met de antisociale persoonlijkheidsstoornis, zoals impulsiviteit, gebrek aan empathie, agressieregulatieproblematiek, lacunaire gewetensfuncties, alsmede op het gebrek aan ziekte-inzicht en probleembesef.

Met de bewezenverklaring van een poging tot moord in de onderhavige zaak kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat in het leven van verdachte een langdurig patroon van geweld zichtbaar is. Dat patroon loopt vanaf een doodslag in 2004, via een geweldsincident in mei 2009, drie maanden nadat de PIJ-maatregel was beëindigd, en een mishandeling in augustus 2012 tot een poging tot moord in januari 2013. Dat betreft alleen nog maar de zaken waarvoor verdachte is veroordeeld. Daarnaast getuigt het PBC-rapport van diverse ernstige agressie-incidenten tijdens de PIJ-maatregel.

Gelet op de bij verdachte geconstateerde persoonlijkheidsstoornis en het langdurige patroon van geweld komt de rechtbank tot de conclusie dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, als voor zijn problematiek geen oplossing wordt gevonden, wederom een (gewelds)misdrijf zal plegen.

Tbs met dwangverpleging

De deskundigen hebben in 2009 gerapporteerd dat verdachte een langdurige, intensieve en klinische behandeling nodig heeft, welke behandeling gezien het hoge recidiverisico intramuraal dient te starten. De rechtbank onderschrijft dit advies, waarbij tevens in aanmerking wordt genomen dat verdachte ter terechtzitting uitdrukkelijk heeft aangegeven niets te zien in welke vorm van behandeling dan ook, zodat een bijzondere voorwaarde of een tbs met voorwaarden zal stranden op het gebrek aan medewerking van verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling, met het bevel dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd, geboden is. Aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Het bewezenverklaarde feit betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, tijdens het begaan van dit feit bestond bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling dan wel een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van deze maatregel.

Anders dan in 2009 is de rechtbank van oordeel dat deze maatregel thans ook proportioneel is. Niet alleen is het onderhavige delict buitengewoon ernstig, ook was verdachte een gewaarschuwd man, gelet op de slotoverweging van de rechtbank in haar vonnis van 8 december 2009, waarin de rechtbank opmerkt dat: “als verdachte deze kans niet aangrijpt en wederom in de fout zal gaan, de kans dat de maatregel van terbeschikkingstelling [zal worden opgelegd] een volgende keer aanmerkelijk zal zijn.”

De rechtbank overweegt voorts uitdrukkelijk dat de tbs met dwangverpleging wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Om die reden zal, gelet op het bepaalde in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, een totale duur van de maatregel van meer dan vier jaren niet op voorhand uitgesloten zijn.

Gevangenisstraf

De rechtbank is van oordeel dat naast de tbs met dwangverpleging een gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Op het plegen van een ernstig strafbaar feit als een poging tot moord kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Wel ziet de rechtbank aanleiding, kennelijk meer dan de officieren van justitie, om in de duur van de op te leggen gevangenisstraf ten gunste van verdachte te verdisconteren dat tevens tbs met dwangverpleging wordt opgelegd, vooral omdat de uiteindelijke duur van deze maatregel onzeker is.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer], bijgestaan door mr. M.T. de Vaal, advocaat te Den Haag, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot
€ 37.767,81, welke betrekking heeft op zowel materiële als immateriële schade, te weten ‘beschadigde goederen’, ‘medische kosten’, ‘inkomstenderving’, ‘reiskosten’, ‘overig’ en ‘smartengeld’.

7.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering op grond van het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, subsidiair tot afwijzing van de vordering. Door de verdediging is verweer gevoerd, zowel wat betreft de grondslag als de hoogte van de vordering en de onderbouwing daarvan. In het navolgende worden de verweren nader besproken.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Grondslag van de vordering

Allereerst heeft de verdediging - die zich bij de bespreking van de vordering van de benadeelde partij heeft aangesloten bij het door de raadsman van medeverdachte [medeverdachte] gevoerde verweer - betoogd dat de grondslag van de vordering onvoldoende duidelijk is. Uit het voegingsformulier en de begeleidende brief blijkt dat de vordering is gericht tegen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte]. De rechtbank begrijpt, mede gelet op de door de benadeelde partij gevorderde hoofdelijke veroordeling en het aan verdachte ten laste gelegde medeplegen, dat de vordering primair gebaseerd is op onrechtmatig handelen in het kader van groepsaansprakelijkheid en subsidiair op een onrechtmatige daad van ieder van de verdachten afzonderlijk. Uit hetgeen in de pleitnota is opgenomen blijkt dat de raadsman de grondslag van de vordering ook zo heeft begrepen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van groepsaansprakelijkheid ex artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek, nu uit de bewezenverklaring van medeplegen volgt dat verdachte in groepsverband onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van een vordering die is gebaseerd op groepsaansprakelijkheid ex artikel 6:166 BW op zichzelf geen onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding de verdediging in de gelegenheid te stellen zich nader over dit ‘ingewikkelde civielrechtelijk leerstuk’ uit te laten.

Beschadigde goederen, reiskosten en overig

De onderdelen van de vordering ‘beschadigde goederen’, ‘reiskosten’ en ‘overig’ zijn door verdachte niet betwist en de ter zake van deze posten gevorderde schade is voldoende onderbouwd. Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat deze schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit is veroorzaakt, komen de bedragen van
€ 597,60 (‘beschadigde goederen’), € 130,00 (‘reiskosten’) en € 212,00 (‘overig’) voor toewijzing in aanmerking.

Medische kosten

Door de benadeelde partij is een bedrag van € 9.000,00 gevorderd in verband met vier nog te ondergane operaties ten behoeve van littekencorrectie. Door de verdediging is gesteld dat de overgelegde offerte onvoldoende onderbouwing daarvoor vormt, omdat facturen noch betalingsbewijzen worden overgelegd. De rechtbank merkt op dat dit laatste echter niet is vereist. Door de benadeelde partij is immers toekomstige schade gevorderd. Niet betwist is de noodzaak van deze operaties en evenmin de in de offerte genoemde bedragen. De rechtbank zal de gevorderde toekomstige schade dan ook toewijzen.

Ten aanzien van de gevorderde kosten betreffende Therapie EMDR van € 1.218,75 is door de verdediging gesteld dat deze kosten niet als schade door de benadeelde partij zijn geleden. De rechtbank volgt dit verweer niet. Uit de als bijlage 3 overgelegde facturen van respectievelijk 31 maart 2013 en 29 april 2013 blijkt dat deze aan de benadeelde partij zijn gericht.

Dit ligt anders voor het gevorderde bedrag van € 1.028,50 betreffende de factuur van ‘Breng de Vreugt in je leven’. Deze factuur is, zoals de verdediging met juistheid heeft gesteld, gericht aan TK Hockey Equipment. Niet gesteld of gebleken is dat deze factuur c.q. dit bedrag door de benadeelde partij (privé) is voldaan, zodat dit gedeelte van de vordering niet kan worden toegewezen.

Voor het overige zijn de gevorderde medische kosten niet betwist. Deze schade ad (€ 164,00 + € 36,40 =) € 200,40 is bovendien voldoende onderbouwd.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de medische kosten rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit zijn veroorzaakt, komt een bedrag van
(€ 9.000,00 + € 1.218,75 + € 200,40 =) € 10.419,15 voor toewijzing in aanmerking.

Inkomstenderving

Door de verdediging is er terecht op gewezen dat de gevorderde gederfde inkomsten
(‘4 geboekte clinics à € 750,00’ en ‘inzet “de Vreugt” in je leven’) schade betreft die geleden is door de vennootschap TK Hockey Equipment B.V.. Deze vennootschap kan in de onderhavige procedure geen schade eisen. Dit deel van de vordering komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

Smartengeld

Voorts is de hoogte van het gevorderde smartengeld door de verdediging betwist.

De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag van € 13.000,00 toewijzen, welk bedrag betrekking heeft op zowel de ontsiering van het gelaat als de psychische schade. Daarbij heeft de rechtbank gelet op in vergelijkbare gevallen opgelegde bedragen aan smartengeld.

De vordering

De rechtbank zal gelet op het vorengaande de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 24.358,75, te weten de som van € 939,60 (‘beschadigde goederen’, ‘reiskosten’, ‘overig’), € 10.419,15 (‘medische kosten’) en € 13.000,00 (‘smartengeld’).

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen:

  • -

    ten aanzien van de onderdelen ‘beschadigde goederen’ en ‘smartengeld’ (totaal:
    € 13.597,60) met ingang van 29 januari 2013, zijnde de dag van het schadetoebrengende feit;

  • -

    ten aanzien van de overige onderdelen (totaal: € 10.761,15) vanaf het moment dat deze kosten zijn gevorderd, te weten 14 januari 2014.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Nu de vordering grotendeels wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat verdachte, indien en voor zover een mededader de benadeelde partij betaalt, in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting is bevrijd.

De schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte voor het primair bewezenverklaarde feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 24.358,75 vermeerderd met de wettelijke rente (over een bedrag van € 13.597,60 vanaf 29 januari 2013 en over een bedrag van € 10.761,15 vanaf 14 januari 2014, beide tot aan de dag van de algehele voldoening).

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 24c, 36f, 37a, 37b, 38e, 45, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding primair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

poging tot moord;

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], een bedrag van € 24.358,75, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 13.597,60 vanaf 29 januari 2013 en over een bedrag van € 10.761,15 vanaf 14 januari 2014, beide tot aan de dag waarop het desbetreffende deel van de vordering is voldaan;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot
€ 24.358,75, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 13.597,60 vanaf

29 januari 2013 en over een bedrag van € 10.761,15 vanaf 14 januari 2014, beide tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 156 (honderdzesenvijftig) dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting door de verdachte en/of zijn mededaders aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting door de verdachte en/of zijn mededaders aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Van Veen, voorzitter,

mrs. De Wit en Ruiter, rechters

in tegenwoordigheid van mr. Van Zwet, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2013-021120 (onderzoek 15 BRR 13110 ‘KUSTUIL’), zakendossier STEEK en verdachtedossier [medeverdachte], van de Politie Eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen. Het betreft steeds een verwijzing naar (onderdelen van) wettige bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 339 van het Wetboek van Strafvordering. Daarbij geldt dat de aangehaalde processen-verbaal, zijnde schriftelijke bescheiden, steeds zijn opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

2 De rechtbank zal in het vervolg geen onderscheid maken tussen het (kennelijk) in forensisch-geneeskundige gangbare onderscheid tussen steek- en snijwonden, maar aansluiting zoeken bij het normale spraakgebruik, waarbij - in elk geval in een zaak als de onderhavige - geen absoluut verschil bestaat tussen een steek- en een snijwond, en zelfs niet tussen steken en snijden.

3 Steek/A/1-3; Steek/AH/7.

4 Steek/GD/1-8.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 31 januari 2014.

6 Steek/A/01-02.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] bij de rechter-commissaris d.d. 7 november 2013, punt 25.

8 [medeverdachte]/80.

9 [medeverdachte]/90.

10 [medeverdachte]/33, 37-38.

11 [medeverdachte]/35.

12 [medeverdachte]/80.

13 [medeverdachte]/87.

14 Steek/G/21.

15 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 31 januari 2014.

16 [medeverdachte]/90.

17 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 31 januari 2014.

18 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 31 januari 2014.

19 Steek/V/68.

20 Zie het vonnis van deze rechtbank van heden in de strafzaak tegen [medeverdachte] (parketnummer 09/767027-13).