Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:1746

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
13-02-2014
Zaaknummer
AWB 13-6394 VK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Asiel, Sri Lanka, Algemene situatie, Herhaalde aanvraag, Tussenuitspraak

Wetsartikelen: Vw: 29; AWB: 4:6, 8:51a

Samenvatting:

Beroep herhaalde aanvraag asiel.

Met hetgeen eiser heeft aangevoerd is voldoende aannemelijk geworden dat de situatie van terugkerende afgewezen Tamil asielzoekers wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de situatie ten tijde van het eerdere besluit van 21 april 2011. Uit de overgelegde stukken blijkt immers dat er diverse gevallen bekend zijn van Tamils die bij terugkeer naar Sri Lanka gevangen zijn genomen en gemarteld. Het gaat dan met name om personen die door de Sri Lankaanse autoriteiten verdacht werden van eigen betrokkenheid of betrokkenheid van hun familieleden bij de LTTE. Tegen deze achtergrond kan niet worden uitgesloten dat eiser bij terugkeer in Sri Lanka eenzelfde behandeling wacht. Gelet op het voorgaande is sprake van een rechtens relevant novum, zodat de rechtbank in zoverre toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.

Daarbij stelt de rechtbank vast dat verweerder zich zijn vraagstelling ten onrechte beperkt tot gevallen waarin de Sri Lankaanse autoriteiten op de hoogte zouden zijn van LTTE-betrokkenheid, terwijl uit genoemde bronnen en de tendens uit de opeenvolgende ambtsberichten kan worden afgeleid dat er een verscherpte controle van weer inreizende Tamil ex-asielzoekers zonder documenten plaatsvindt. Het standpunt van verweerder dat hiervan geen sprake is, kan geen stand houden onder de enkele verwijzing naar het ambtsbericht inzake Sri Lanka van juni 2010.

Volgt tussenuitspraak: verweerder heeft gedurende 12 weken de gelegenheid om het geconstateerde gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/6394

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 februari 2014 in de zaak tussen

[eiser], geboren op [1982], van Sri Lankaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in een Aanmeldcentrum afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 26 maart 2013, kenmerk AWB 13/6395, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en hierbij onder meer het bestreden besluit geschorst totdat is beslist op het beroep.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

2.

Eiser heeft eerder, op 21 oktober 2010, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 21 april 2011 afgewezen. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, heeft bij uitspraak van 14 oktober 2011 het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft het hoger beroep in deze zaak bij uitspraak van 12 december 2011 ongegrond verklaard en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, bevestigd, waarmee het besluit van 21 april 2011 in rechte onaantastbaar is geworden.

3.

Gelet op het voorgaande is de nu voorliggende aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een herhaalde aanvraag. Het hierop genomen besluit van 7 maart 2013 is van gelijke strekking als de eerdere besluiten van 21 april 2011.

4.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), onder meer de uitspraken van 21 april 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM2310) en 16 november 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU5024), volgt dat indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst alsof het een eerste afwijzing is. Alleen als in de bestuurlijke fase of bij toepassing van artikel 83 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd of hieruit volgt dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

5.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en dus behoorden te worden aangevoerd en bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en dus behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. Dit is slechts anders indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland, LJN: AG8817) voordoen.

6.

Gelet op dit beoordelingskader moet de rechtbank beoordelen of aan de huidige aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.

7.

Eiser heeft aan zijn herhaalde asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka mede in verband met een litteken en zijn illegale uitreis in 2010, in verband wordt gebracht met de LTTE en om die reden vreest voor mishandeling. Hij heeft geen contact meer kunnen krijgen met familieleden in Sri Lanka. Voorts vreest eiser tijdens herdenkingsdagen voor overleden Tamil Tijgers in 2011 en 2012 door Sri Lankaanse spionnen te zijn gefotografeerd en dat deze foto’s zijn doorgestuurd naar de Sri Lankaanse autoriteiten.

Eiser heeft verder aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat de veiligheidssituatie voor Tamils verslechterd is. Hij heeft de volgende documenten overgelegd:

1.

Een artikel van BBC News van 26 februari 2013 (“Sri Lankan forces ‘raped’ Tamils in custody, study says.”);

2.

Een artikel van Lankasri News van 2 maart 2013 (“MR denies Army killed Balachandran”);

3.

een artikel van Tamilnet van 26 februari 2013 (“Tamils raped in Sri Lanka custody – HRW”);

4. “

“Leger van Sri Lanka: nog steeds verkrachten en martelen van vermeende rebellen”;

5. “

“Sri Lanka: hoog hof blokken Tamil deportaties”;

6.

VN rapport “Needs of Asylum-Seekers from Sri Lanka” van 21 december 2012;

7.

Rapport Human Rights Watch van 26 februari 2013: “We will teach you a lesson, Sexual violence against Tamils by Sri Lankan security forces”;

8.

Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 februari 2013 (Awb 11/41040);

9.

Uitspraak van de ABRvS van 15 februari 2013 (201301139/2/V2).

10.

Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 17 januari 2013 (Awb 12/38851); en

11.

Uitspraak van het High Court of Justice of England and Wales van 28 februari 2013.

8.

De rechtbank stelt vast dat verzoeker uit het Noorden van Sri Lanka afkomstig is en Tamil is. Voorts heeft hij enige tijd in een kamp van de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE) doorgebracht.

9.

Eiser heeft aangevoerd dat er, gelet op hetgeen is vermeld onder 7, voldoende redenen zijn om aan te nemen dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Sri Lankaanse autoriteiten. Hij is een Tamil uit het Noorden van Sri Lanka, heeft een litteken, heeft in een LTTE-kamp gezeten en zal terugkeren als afgewezen asielzoeker uit Nederland. Verweerder betrekt bij deze toets ten onrechte alleen gevallen waarin de autoriteiten op de hoogte zijn van LTTE-betrokkenheid. Eiser heeft in deze procedure foto’s overgelegd van zijn ouderlijk huis en heeft in Nederland deelgenomen aan herdenkingsbijeenkomsten, waarvan niet kan worden uitgesloten dat de Sri Lankaanse autoriteiten hiervan op de hoogte zijn geraakt. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat niet is aangetoond dat de Sri Lankaanse autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van de aanwezigheid van eiser tijdens de herdenkingsbijeenkomsten en dat eiser niet heeft aangetoond dat de foto’s daadwerkelijk van het ouderlijk huis zijn, en dit daarom geen relevante nova zijn.

10.

Gelet op het hierboven genoemde toetsingskader overweegt de rechtbank dat de verklaringen van eiser over zijn aanwezigheid bij herdenkingsbijeenkomsten niet nader door hem zijn onderbouwd , en dat een nadere onderbouwing van zijn verklaring dat de overgelegde foto’s zijn ouderlijk huis betreffen, eveneens ontbreekt. Nog daargelaten dat niet vaststaat wanneer de foto’s zijn genomen, heeft eiser met deze foto’s en verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat de Sri Lankaanse autoriteiten bekend zijn geraakt met zijn deelname aan deze herdenkingsdagen en dat hij hierdoor in de negatieve belangstelling van de autoriteiten van Sri Lanka is komen te staan. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat deze foto’s en verklaringen niet zijn aan te merken als rechtens relevante nova.

11.

Eiser heeft in deze procedure voorts aangevoerd dat de algemene situatie voor Tamils in Sri Lanka steeds slechter wordt. Ter onderbouwing heeft eiser verwezen naar de hiervoor in rechtsoverweging 7 genoemde rapporten. Eiser stelt dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar het ambtsbericht van juni 2010, aangezien de door hem aangehaalde rapporten van een latere datum zijn. Uit voornoemde informatie blijkt volgens eiser dat iedere Tamil die terugkeert thans een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft voorts verwezen naar uitspraken van verschillende nevenzittingsplaatsen van deze rechtbank, waarin is geoordeeld dat de situatie van terugkerende afgewezen Tamil-asielzoekers wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de in het ambtsbericht van juli 2011 beschreven periode.

12.

Eiser heeft hierbij onder meer verwezen naar de overgelegde uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 17 januari 2013 (AWB 12/38851). Voorts is verweerder volgens eiser niet inhoudelijk ingegaan op de risicofactoren, zoals geformuleerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Het besluit lijdt daardoor aan een motiveringsgebrek. Volgens eiser brengt het terugkeren naar Sri Lanka voor hem risico’s met zich, nu hij op de luchthaven van Colombo zal worden gecontroleerd, de autoriteiten dan zijn litteken zullen aantreffen en hem er vervolgens van zullen verdenken met de LTTE tegen de Sri Lankaanse overheid te hebben gevochten. Dat er geen meldingen zijn van problematische terugkeer wil volgens eiser niet zeggen dat die er niet geweest zijn. Eiser verwijst hierbij naar recente nieuwsberichten en rapporten.

13.

De rechtbank stelt vast dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, in de door eiser aangehaalde uitspraak heeft geoordeeld dat de voorlopige voorzieningprocedure zich in het geval van de desbetreffende vreemdeling niet leent voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Deze uitspraak heeft daarom hetzelfde karakter als in het procesverloop vermelde uitspraak van 26 maart 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening van eiser, te weten een voorlopig oordeel. Voor zover eiser een beroep heeft willen doen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 12 juli 2013, (AWB 12/38493), heeft verweerder hierover ter zitting verklaard dat daartegen hoger beroep is ingesteld, en dat een hiermee samenhangend verzoek om voorlopige voorziening is toegewezen op 30 augustus 2013, (201307172/2/V2), zodat deze uitspraak op dit moment geen formele rechtskracht heeft. In de door eiser aangehaalde uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 februari 2013 (ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ1965) en van zittingsplaats Middelburg van 6 december 2012 (ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6971) stond vast dat sprake was van vermeende banden met de LTTE, terwijl verweerder er in dit geval van uitgaat dat de Sri Lankaanse autoriteiten niet op de hoogte zijn van de door eiser gestelde banden met de LTTE.

14.

In het Human Rights Watch rapport van februari 2013, “We will teach you a lesson”, Sexual violence against Tamils bij Sri Lankan Security forces, is onder meer het volgende vermeld:

There have long been reports that the Sri Lankan military and police forces rape and sexually abuse ethnic Tamils detained for alleged links to the secessionist Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE), among other forms of torture and ill-treatment. During the 26-year-long conflict between the Sri Lankan government and the LTTE, state security personnel were responsible for numerous acts of sexual violence against women, men, and children in official and secret detention centers seeking to coerce confessions, degrade them, and discourage broader Tamil involvement with the LTTE. Although reports by United Nations expert bodies have documented some of these abuses, including details of specific cases, most have gone unreported.
Available information indicates that rapes by Sri Lankan security forces, together with other violations of international human rights and humanitarian law, sharply increased with the implementation of expanded Emergency Regulations, and the resumption of armed hostilities between the government and the LTTE following the breakdown of the 2002 ceasefire in 2006. Since the governments defeat of the LTTE in May 2009, new allegations of sexual violence by members of Sri Lankan security forces against alleged LTTE members and supporters have been reported. In December 2012, the UN High Commissioner for Refugees, in its eligibility guidelines for assessing the protection needs of Sri Lankan asylum seekers abroad, noted that sexual violence, including but not limited to rape, against Tamil men in detention has also been reported recently, including reports of cases perpetrated in the post-conflict period

15.

In het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van juni 2010 is op pagina 69/70 vermeld:

Na aankomst op het vliegveld worden de meeste repatrianten gecontroleerd door de Sri Lankaanse immigratiemedewerkers. Voor zover bekend wordt bij de inreiscontrole geen onderscheid gemaakt naar afkomst. Er worden volgens een bron wel vragen gesteld in verband met voormalige LTTE betrokkenheid. Als er twijfel bestaat over de identiteit van de betrokken persoon, dan wordt deze door de Immigratiedienst doorverwezen naar de CID. Ook wordt soms bij het National Intelligence Bureau (NIB) gecontroleerd of de betrokken persoon voorkomt in de registers. Bij de CID ondergaan de repatrianten een identiteitsonderzoek waarbij de personalia van betrokkene worden onderzocht en wordt nagegaan of de desbetreffende repatriant in het verleden betrokken is geweest bij criminele activiteiten. Deze controle kan meer dan 24 uur duren. Afhankelijk van de situatie wordt de repatriant daarna doorverwezen naar de State Intelligence Service (SIS) en/of de Terrorist Investigation Departement (TID) voor ondervraging. Repatrianten die betrokken zijn geweest bij criminele activiteiten en zij die banden hebben met de LTTE, worden verder ondervraagd of vastgehouden. Daarbij wordt ook gelet op een eventueel eerder illegaal vertrek uit Sri Lanka en betrokkenheid bij de media of bij NGO’s. Tamils uit het noorden en oosten worden hierbij nauwkeuriger ondervraagd dan andere personen. De geautomatiseerde databases van de CID, NIB en de Immigration and Emigration Department zijn met elkaar verbonden. Sinds 2001 mag het merendeel van de repatrianten na controle van de identiteitsgegevens het vliegveld verlaten. Een repatriant kan zich in beginsel direct na aankomst in Sri Lanka identificeren met een laissez-passer of een nationale identiteitskaart. Acceptatie van andere documenten is bij een controle afhankelijk van de controlerende autoriteiten. Er zijn geen aanwijzingen dat terugkerende Sri Lankanen negatief in de belangstelling staan van de Sri Lankaanse autoriteiten. Het aanvragen van asiel in het buitenland wordt niet gezien als oppositie tegen de staat. Bij terugkeer worden voor zover bekend geen maatregelen genomen tegen afgewezen asielzoekers. De mogelijkheid bestaat dat ze kort worden ondervraagd, maar er is geen aanwijzing dat ze worden mishandeld vanwege hun verblijf in het buitenland.

16.

In het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van februari 2011 is op pagina 62/63 vermeld:

Na aankomst op het vliegveld worden de meeste repatrianten gecontroleerd door de Sri Lankaanse immigratiemedewerkers. Voor zover bekend wordt bij de inreiscontrole geen onderscheid gemaakt naar afkomst. Er worden volgens een bron wel vragen gesteld in verband met voormalige LTTE betrokkenheid. Als er twijfel bestaat over de identiteit van de betrokken persoon, dan wordt deze door de Immigratiedienst doorverwezen naar de CID. Ook wordt soms bij het National Intelligence Bureau (NIB) gecontroleerd of betrokken persoon voorkomt in de registers. Bij de CID ondergaan de repatrianten een identiteitsonderzoek waarbij de personalia van betrokkene worden onderzocht en wordt nagegaan of de desbetreffende repatriant in het verleden betrokken is geweest bij criminele activiteiten. Deze controle kan meer dan 24 uur duren. Ook worden er foto’s genomen en vingerafdrukken gemaakt. Afhankelijk van de situatie wordt de repatriant daarna doorverwezen naar de State Intelligence Service (SIS) en/of de Terrorist Investigation Departement (TID) voor ondervraging. Repatrianten die betrokken zijn geweest bij criminele activiteiten en zij die banden hebben met de LTTE, worden verder ondervraagd of vastgehouden. Daarbij wordt ook gelet op een eventueel eerder illegaal vertrek uit Sri Lanka en betrokkenheid bij de media of bij NGO’s. Tamils uit het noorden en oosten worden hierbij nauwkeuriger ondervraagd dan andere personen. Sinds begin 2010 zouden de CID-procedures voor het vasthouden van repatrianten echter minder streng worden toegepast.

17.

In het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van juni 2013 is op pagina 62 vermeld:

Personen die gedwongen terugkeren met een nooddocument werden doorgaans ondervraagd door de douaneautoriteiten, de CID, de TID en de SIS (State Intelligent Service). Volgens een bron zou verificatie van hun identiteit langer kunnen duren, er wordt onder andere gebeld naar het lokale politiebureau. Ook zou worden gecontroleerd of een repatriant op de zwarte lijst staat (betrokkenheid bij de LTTE) of op de lijst van gezochte personen (voor een misdaad) en inderdaad in het bezit is van de Sri Lankaanse nationaliteit. De procedure van het Department of Immigration and Emigration (DIE) op het vliegveld zou voor alle repatrianten hetzelfde zijn geweest aldus de Canadian High Commission in Colombo. De BHC, die wordt geciteerd in een UKBA-rapport, geeft echter aan dat de autoriteiten niet elk individu consequent op dezelfde wijze behandelden en dat sommigen bijvoorbeeld niet werden geïdentificeerd. Eenmaal terug in hun dorpen zouden repatrianten worden gecontroleerd door het Criminal Intelligence Department (CID), onder andere door bezoeken van het CID bij de vluchteling thuis, aldus een bron.
Berichten van mishandeling na terugkeer.
Er waren tijdens de verslagperiode meldingen van mishandeling van repatrianten. Met name repatrianten met (vermeende) banden met Tamil Tijgers zouden bij terugkeer gevaar lopen en Tamils die in het buitenland politiek actief zijn tegen het Sri Lankaanse overheidsbeleid. Volgens de in het UKBA-rapport geciteerde BHC zou de Sri Lankaanse overheid openlijk hebben toegegeven lichamelijk onderzoek te hebben gebruikt om te verifiëren of verdachten een militaire training hadden ondergaan. Men zou aanwijzingen hebben gezocht dat een verdachte betrokken was bij gevechten en/of een militaire opleiding.

18.

De rechtbank is van oordeel dat met hetgeen eiser heeft aangevoerd voldoende aannemelijk is geworden dat de situatie van terugkerende afgewezen Tamil asielzoekers wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de situatie ten tijde van het eerdere besluit van 21 april 2011. Uit de overgelegde stukken blijkt immers dat er diverse gevallen bekend zijn van Tamils die bij terugkeer naar Sri Lanka gevangen zijn genomen en gemarteld. Het gaat dan met name om personen die door de Sri Lankaanse autoriteiten verdacht werden van eigen betrokkenheid of betrokkenheid van hun familieleden bij de LTTE. De rechtbank verwijst hiervoor ook naar de door eiser aangehaalde uitspraken van deze rechtbank als hiervoor onder 13 vermeld. Tegen deze achtergrond kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten dat eiser bij terugkeer in Sri Lanka eenzelfde behandeling wacht. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat in zoverre sprake is van een rechtens relevant novum, zodat zij in zoverre toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.

19.

Daarbij stelt de rechtbank vast dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6 tweede lid van de Awb. Voor zover moet worden aangenomen dat verweerder niettemin heeft beoogd om, met voorbijgaan aan artikel 4:6, inhoudelijk een standpunt in te nemen, heeft hij zich naar het oordeel van de rechtbank in zijn vraagstelling ten onrechte beperkt tot gevallen waarin de Sri Lankaanse autoriteiten op de hoogte zouden zijn van LTTE-betrokkenheid, terwijl naar het oordeel van de rechtbank uit de hierboven genoemde bronnen en de tendens uit de opeenvolgende ambtsberichten kan worden afgeleid dat er een verscherpte controle van weer inreizende Tamil ex-asielzoekers zonder documenten plaatsvindt. Het standpunt van verweerder dat hiervan geen sprake is, kan geen stand houden onder de enkele verwijzing naar het ambtsbericht inzake Sri Lanka van juni 2010.

20.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 4:6 van de Awb.

21.

Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank een tussenuitspraak als zij artikel 8:51a van de Awb toepast. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen bovengenoemd gebrek in het bestreden besluit te herstellen, in die zin dat verweerder een standpunt dient in te nemen op de vraag of de situatie voor terugkerende Tamils wezenlijk verslechterd is sinds het besluit van 21 april 2011. Dit herstellen kan hetzij bij aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, bij nieuw besluit na of met intrekking van het thans bestreden besluit. De termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen bepaalt de rechtbank op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak.

22.

Indien verweerder verklaart geen gebruik te maken van de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen of de termijn die daarvoor is bepaald ongebruikt is verstreken, zal de behandeling van het beroep op de gewone wijze worden voortgezet.

23.

De rechtbank overweegt dat het restgeding beperkt is tot de factor genoemd in rechtsoverweging 21. Zij zal het in beginsel in strijd met de goede procesorde achten als nieuwe geschilpunten worden ingebracht.

24.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.

Beslissing

De rechtbank:

stelt verweerder in de gelegenheid om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak het motiveringsgebrek te herstellen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. den Haan, voorzitter, en mr. M.P. Glerum en

mr. H. Gorter, leden van de meervoudige kamer, in aanwezigheid van
mr. P. Bruins-Langedijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
12 februari 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.