Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:17276

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-11-2014
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
UTL-I-2013036269
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De uitleveringskamer van de rechtbank Den Haag heeft de uitlevering van een man aan Bosnië en Herzegovina toelaatbaar verklaard. De opgeëiste persoon wordt in Bosnië en Herzegovina verdacht van betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven in augustus 1992.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Uitleveringskamer

Kenmerk UTL-I-2013036269

Raadkamernummer 14/2226

De rechtbank Den Haag, uitleveringskamer, doet de volgende uitspraak op een verzoek van de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina tot uitlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats] (Joegoslavië),

zoon van [vader] (vader) en [moeder] (moeder),

en wonende te Malden in Nederland,

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Den Haag,

verder te noemen de opgeëiste persoon.

1 Het verzoek tot uitlevering.

Bij brief van 3 februari 2014 heeft de minister van justitie van Bosnië en Herzegovina aan de Nederlandse autoriteiten verzocht om uitlevering van de opgeëiste persoon voornoemd ter fine van strafvervolging.

2 De overgelegde stukken.

Met betrekking tot dit verzoek is overgelegd een brief van 30 april 2014 van de minister van Veiligheid en Justitie aan de officier van justitie van het Landelijk Parket Rotterdam, waarbij wordt verzocht een door het ministerie van Justitie van Bosnië en Herzegovina aan het ministerie van Veiligheid en Justitie te Den Haag gedaan verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon in behandeling te nemen. Bij deze brief is gevoegd het uitleveringsverzoek voornoemd. Voorts is daarbij gevoegd:

  • -

    een in de Nederlandse taal gesteld bevel van het openbaar ministerie te Banja Luka
    d.d. 22 april 2013, kenmerk T130KTRZ000641405, tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek tegen onder meer de opgeëiste persoon, met een overzicht van de misdrijven waarvan de opgeëiste persoon in Bosnië en Herzegovina wordt verdacht en een overzicht van het vergaarde bewijs;

  • -

    een in de Nederlandse taal gesteld bevel voorlopige hechtenis d.d. 13 mei 2013 van de rechtbank te Banja Luka, kenmerk 110K01011812 13 Kpp;

  • -

    de toepasselijke wetsbepalingen.

Op 8 mei 2014 is ter griffie ingekomen de schriftelijke vordering van de officier van justitie, strekkende tot het in behandeling nemen van genoemd uitleveringsverzoek, alsmede het beslissen over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon.

De rechtbank beschikt tevens over een uittreksel justitiële documentatie d.d. 28 juli 2014 betreffende de opgeëiste persoon, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor enig feit is veroordeeld, en een reclasseringsrapport d.d. 1 september 2014 betreffende de opgeëiste persoon.

De rechtbank heeft door tussenkomst van het openbaar ministerie een bericht ontvangen van het ministerie van Justitie van Bosnië en Herzegovina d.d. 24 september 2014 met bijlage, waarin garanties worden gegeven met betrekking tot de behandeling van de opgeëiste persoon ingeval hij wordt uitgeleverd.

De raadsman heeft op 5 november 2014 een vonnis in de Russische taal van de rechtbank te Banja Luka d.d. 17 juli 2014 aan de rechtbank doen toekomen. Dit vonnis zou tegen twee medeverdachten van de opgeëiste persoon zijn gewezen.

Het openbaar ministerie heeft op 7 november 2014 geantwoord op de door de raadsman in zijn aanbiedingsbrief gestelde vragen.

3 Overige stukken.

Ter zitting van de uitleveringskamer van 22 juli 2014 heeft de raadsman van de opgeëiste persoon mr. B.D.W. Martens schriftelijke pleitaantekeningen overgelegd. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Ter zitting van de uitleveringskamer van 10 november 2014 heeft de officier van justitie een schriftelijke samenvatting overgelegd, houdende de opvatting van het openbaar ministerie over de toelaatbaarheid van de uitlevering. De raadsman van de opgeëiste persoon heeft schriftelijke pleitaantekeningen overgelegd.

4 Omschrijving van het verzoek.

Blijkens voornoemd bevel van het openbaar ministerie, in samenhang met het bevel voorlopige hechtenis, rust op de opgeëiste persoon de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden jegens de burgerbevolking. Deze gedragingen zijn in de verzoekende staat strafbaar gesteld bij artikel 142 lid 1 juncto artikel 22 van het Wetboek van Strafrecht van de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië (hierna: het Joegoslavische Wetboek van Strafrecht).

Aan deze verdenking worden door de verzoekende staat de volgende feiten ten grondslag gelegd. De opgeëiste persoon zou op 29 augustus 1992, gedurende het gewapende conflict in Bosnië en Herzegovina, in het dorp Beslagic, lid zijn geweest van een paramilitaire formatie. In die hoedanigheid zou hij samen met anderen:

het ouderlijk huis van [slachtoffer 1] , die zich in het huis bevond, hebben omsingeld en beschoten, waarbij [slachtoffer 1] (de rechtbank ziet “Osto” in de tweede vertaling van het bevel van het openbaar ministerie als een kennelijke vergissing nu in de eerste vertaling alsmede in het origineel en in het bevel voorlopige hechtenis [slachtoffer 1] staat) om het leven kwam;

het huis van [slachtoffer 2] (de rechtbank ziet Slobodanka in de tweede vertaling van het bevel van het openbaar ministerie als een kennelijke vergissing, nu verder in de omschrijving steeds over [slachtoffer 2] wordt gesproken en in de eerste vertaling uitsluitend die naam voorkomt), die thuis was met haar dochter [slachtoffer 3] , hebben omsingeld en beschoten, waarbij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] wisten te ontsnappen;

de huizen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in brand hebben gestoken.

5 Het onderzoek ter zitting.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2014 (pro forma) en 10 november 2014 (inhoudelijk). De opgeëiste persoon is bij beide zittingen in persoon verschenen.

Ter zitting is de opgeëiste persoon bijgestaan door zijn raadsman mr. B.D.W. Martens, advocaat te Den Haag.

De voorzitter heeft aldaar mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder 2. genoemde stukken.

De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij degene is die in het uitleveringsverzoek wordt genoemd en dat hij zich tegen de gevraagde uitlevering verzet. Tevens heeft hij verklaard dat hij uitsluitend de Nederlandse nationaliteit bezit.

Door en namens de opgeëiste persoon is ter zitting verweer gevoerd, waarop hieronder wordt ingegaan. De officier van justitie heeft in de samenvatting, onder 3. genoemd, te kennen gegeven dat de gevraagde uitlevering naar zijn mening toelaatbaar is.

6 Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering.

6.1

Op het verzoek is toepasselijk:

  • -

    de Uitleveringswet (hierna: UW);

  • -

    de Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven (hierna: WOO);

  • -

    het Europees Verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965, 9, hierna: EUV);

  • -

    het Aanvullend Protocol bij het Verdrag, gesloten te Straatsburg op 15 oktober 1975 (Trb. 1979, 119) (het Protocol);

  • -

    het Tweede Aanvullend Protocol bij het Verdrag, gesloten te Straatsburg op 17 maart 1978 (Trb. 1979, 120) (het Tweede Protocol).

6.2

De raadsman heeft allereerst betoogd dat de stukken niet voldoen aan de eisen vervat in artikel 12 EUV en artikel 18 UW. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het bewijsmateriaal niet is toegevoegd en bovendien niet het bewijsminimum haalt, aangezien het bewijs lijkt te bestaan uit één bron. De raadsman heeft daarbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 31 mei 2011, LJN BQ4306. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de handelingen van de opgeëiste persoon niet voldoende concreet worden omschreven, waardoor niet kan worden vastgesteld welke feiten hij precies zou hebben gepleegd.

6.3

De rechtbank verwerpt dit verweer. In de onderhavige zaak is het EUV van toepassing, dat - anders dan het Nederlands-Amerikaanse Uitleveringsverdrag dat van toepassing was in de door de raadsman aangehaalde zaak - niet verplicht tot overlegging van bewijsmateriaal. Daarbij brengt de rechtbank in herinnering dat de vraag of het voorhanden bewijsmateriaal voldoende is om uiteindelijk een veroordeling te kunnen dragen niet ter beoordeling van de uitleveringsrechter staat, maar in een eventuele strafzaak van de opgeëiste persoon in Bosnië en Herzegovina aan de orde zal komen. Voorts is in het uitleveringsverzoek een uiteenzetting gegeven van de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht, met een concrete beschrijving van zowel de tijd als plaats waarop deze zouden zijn begaan. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aangaande de eisen die kunnen worden gesteld aan de uiteenzetting van feiten in uitleveringsverzoeken, is een beschrijving van de deelnemingsvorm van de opgeëiste persoon niet vereist.1

6.4

Ten aanzien van de vraag of de feiten, waarop de onder 2. genoemde stukken betrekking hebben, volgens Nederlandse wetsbepalingen eveneens strafbaar zijn gesteld, overweegt de rechtbank het volgende. De autoriteiten van Bosnië en Herzegovina hebben de uitlevering van de opgeëiste persoon verzocht ter fine van strafvervolging ter zake van oorlogsmisdrijven tegen burgers. Nu uitdrukkelijk is vermeld dat het feitencomplex oorlogsmisdrijven betreft, zal de rechtbank op grond van artikel 2 EUV en artikel 5 UW aan de hand van het feitencomplex moeten vaststellen of de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht naar Nederlands recht eveneens vergelijkbare strafbare feiten opleveren.

6.5

Artikel 142 van het Joegoslavische Wetboek van Strafrecht spreekt over een “gewapend conflict” (armed conflict) zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt tussen een internationaal of niet-internationaal gewapend conflict. Nu vaststaat dat er ten tijde van de feitencomplexen waarvoor uitlevering wordt verzocht sprake was van een gewapend conflict (armed conflict), leveren de feitencomplexen waarvoor uitlevering wordt verzocht naar Nederlands recht in ieder geval de volgende misdrijven op:

  • -

    (I) zich in geval van een niet-internationaal gewapend conflict schuldig maken aan schending van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève, te weten het begaan jegens personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft neergelegd, of personen die buiten gevecht zijn gesteld door gevangenschap, van aanslagen op het leven of lichamelijke geweldpleging, in het bijzonder het doden, verminking, wrede behandeling of marteling en aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende of onterende behandeling, strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, sub a en sub c van de Wet internationale misdrijven jo. artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    (II) poging tot bovenstaande, strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, sub a en sub c van de Wet internationale misdrijven jo. artikelen 45 en 47 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    (III) zich in geval van een niet-internationaal gewapend conflict schuldig maken aan vernietiging of inbeslagneming van goederen van de tegenpartij tenzij deze vernietiging of inbeslagneming dringend vereist is als gevolg van dwingende omstandigheden van het conflict, strafbaar gesteld bij artikel 6, derde lid, sub h van de Wet internationale misdrijven, jo. artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

6.6

Naar het recht van Bosnië en Herzegovina zijn deze feiten strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van meer dan een jaar. De feiten zijn volgens de Nederlandse wetsbepalingen eveneens strafbaar gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar.

6.7

De raadsman heeft vervolgens aangevoerd dat, mocht de rechtbank de uitlevering toelaatbaar verklaren, het nog maar de vraag is of de opgeëiste persoon te zijner tijd aanspraak kan maken op de terugkeergarantie. Allereerst merkt de rechtbank in dat kader op dat de opgeëiste persoon (uitsluitend) de Nederlandse nationaliteit bezit en daarmee in beginsel een beroep kan doen op artikel 4, tweede lid, UW. In het geval de uitlevering wordt toegestaan en de opgeëiste persoon bij een onherroepelijk vonnis wordt veroordeeld tot een tijdelijke gevangenisstraf, zou de minister inderdaad wél kunnen beslissen om hem zijn Nederlandse nationaliteit te ontnemen, zoals door de raadsman is betoogd. Daarmee zou een beroep op de terugkeergarantie komen te vervallen. Aangezien deze beslissing te zijner tijd aan de minister is en bovendien een bestuursrechtelijke procedure betreft, zal de rechtbank dit punt niet nader bespreken.

6.8

De raadsman heeft verder betoogd dat de opgeëiste persoon indertijd als vluchteling in Nederland is toegelaten en dat artikel 33 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen met zich meebrengt dat in Nederland als vluchteling toegelaten personen niet mogen worden uitgeleverd naar het land dat zij zijn ontvlucht zolang zij de vluchtelingenstatus hebben. De rechtbank begrijpt dat de raadsman bedoelt te betogen dat de uitlevering op grond hiervan ontoelaatbaar zou moeten worden verklaard. Het betoog faalt reeds omdat art. 33 Vluchtelingenverdrag op de procedure inzake de toelaatbaarverklaring van de uitlevering geen betrekking heeft (vgl. HR 13 januari 1987, LJN AC9656, NJ 1987/835 en HR 29 mei 2012, BW6798). In aanmerking genomen dat ingevolge art. 10, eerste lid, UW de gevraagde uitlevering niet wordt toegestaan in gevallen waarin naar het oordeel van de minister een gegrond vermoeden bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden vervolgd, gestraft of op andere wijze getroffen in verband met zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort, moet worden aangenomen dat ook de beoordeling van een beroep op art. 33 Vluchtelingenverdrag aan de minister is voorbehouden. Dat betekent dat de rechtbank ook op dit verweer niet verder in zal gaan.

6.9

Voor wat betreft de inhoud van de beschuldigingen ten aanzien van de opgeëiste persoon heeft de raadsman nog aangedragen dat een vonnis, gewezen door de rechtbank te Banja Luka tegen twee medeverdachten van de opgeëiste persoon, zou moeten worden vertaald en aan de stukken worden toegevoegd alvorens over de uitlevering kan worden beslist. In het verlengde van dit betoog heeft de verdediging een verzoek tot aanhouding gedaan omdat kennisneming van het vertaalde vonnis onverwijld de onschuld van de opgeëiste persoon zou kunnen aantonen, aangezien de opgeëiste persoon slechts eenmaal in dat vonnis wordt genoemd.

6.10

De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of door kennisneming van het vonnis onverwijld – dat wil zeggen zonder diepgaand onderzoek vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf – zou kunnen worden aangetoond dat de opgeëiste persoon onschuldig is, ofwel dat er geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld. Voor een geslaagd beroep op de onschuldexceptie is immers nodig dat de opgeëiste persoon aanstonds kan bewijzen dat de verdenking op een misslag berust en hij de feiten niet kán hebben begaan, omdat hij bijvoorbeeld een onbetwistbaar alibi heeft of sprake is van een aantoonbare persoonsverwisseling.

De rechtbank merkt op dat hetgeen de raadsman heeft aangevoerd omtrent de inhoud van het vonnis in de zaak tegen medeverdachten van de opgeëiste persoon, de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de hem verweten feiten niet zonder meer lijkt uit te sluiten, zonder daarbij in de waardering van het bewijs te treden. Daarnaast beschikt de rechtbank, zoals reeds opgemerkt, niet over het bewijsmateriaal in de zaak van de opgeëiste persoon en hoeft zij daarover ook niet te beschikken. Het is zeer wel mogelijk dat de rechtbank te Banja Luka in de zaak tegen de opgeëiste persoon over meer of ander bewijsmateriaal beschikt dan in de zaak tegen de medeverdachten of dan in het vonnis is genoemd. Het verzoek tot aanhouding wordt dan ook afgewezen.

De rechtbank concludeert dat zij niet onverwijld tot de overtuiging is gekomen dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kán zijn van een vermoeden van schuld aan hetgeen hem door de verzoekende staat wordt verweten.

6.11

De raadsman heeft betoogd dat sprake is van een reeds voltooide schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) jegens de opgeëiste persoon, omdat hij in 1992 tijdens het gewapende conflict in Bosnië en Herzegovina als Bosnische moslim is vervolgd door Serviërs en daardoor heeft moeten vluchten. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee echter niet aannemelijk geworden dat jegens de opgeëiste persoon een schending van

artikel 3 EVRM is begaan door toedoen van de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina

(vgl. HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2489). Dat betekent dat de rechtbank het verweer in zoverre terzijde stelt.

6.12

Ter zitting is namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan een schending van artikel 3 EVRM en artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing wegens het gebrek aan psychiatrische zorg en het gebruik van geweld door de Bosnische autoriteiten jegens gedetineerden. De reeds toegezegde garanties van Bosnië en Herzegovina zouden onvoldoende waarborg bieden voor het welzijn van de opgeëiste persoon en de raadsman heeft verzocht om aanhouding om nadere garanties te vragen. Het verweer ziet op een mogelijke dreigende schending van artikel 3 EVRM en is ter beoordeling aan de minister, zodat dit punt niet nader wordt besproken en het verzoek tot aanhouding wordt afgewezen.

6.13.1

Ter onderbouwing van de stelling dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM is betoogd dat het gerecht te Banja Luka niet onafhankelijk is, aangezien het een Servisch gerecht is met uitsluitend Servische rechters, en tevens niet onpartijdig omdat de opgeëiste persoon als Bosnische moslim wordt verdacht van misdaden die hij gepleegd zou hebben tegen Serviërs. Voorts zou de opgeëiste persoon ingevolge de zaak van Maktouf en Damjanović2niet berecht moeten worden door de lokale rechtbank te Banja Luka, maar door de federale rechtbank waarvan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid beter is gewaarborgd. De raadsman heeft verzocht om aanhouding om Bosnië en Herzegovina te vragen waarom de opgeëiste persoon door de rechtbank te Banja Luka zal worden berecht. Voorts is er in het algemeen een gebrek aan consistentie in de rechtspraak in Bosnië en Herzegovina doordat sommige gerechten de verkeerde wetgeving toepassen.

6.13.2

Met betrekking tot de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak in Bosnië en Herzegovina overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank heeft in het rapport van de Organization for Security and Co-operation in Europe (hierna: OSCE) gelezen dat schendingen van de rechten van verdachten “can rarely be traced back to factors related to the post-conflict environment, as was previously the case (i.e. ethnic bias)”.3 Met betrekking tot enkele gerechten, waaronder de rechtbank te Banja Luka, valt voorts te lezen dat deze “demonstrated ample capacity, willingness, and professionalism to fairly and efficiently process war crimes cases, free of any indication of ethnic bias, although problems remain with some courts and prosecutor’s offices” en “good or satisfactory performances

were evident particularly when the case in question was not too complex, i.e. when it

involved a direct perpetrator accused of crimes against a limited number of victims”.4

6.13.3

Ten aanzien van de vraag of de opgeëiste persoon zou moeten worden berecht door een federale rechtbank in plaats van de rechtbank te Banja Luka, overweegt de rechtbank dat het niet aan de uitleveringsrechter is om te beoordelen welke rechtbank in de verzoekende staat de bevoegde rechter is. Reeds daarom wordt het verzoek om aanhouding afgewezen.

6.13.4

Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat het gebrek aan consistentie in de rechtspraak in Bosnië en Herzegovina een bedreiging vormt voor de opgeëiste persoon in het bijzonder, overweegt de rechtbank dat uitlevering is gevraagd op basis van het Joegoslavische Wetboek van Strafrecht, dat in 1992, toen de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht, zouden zijn gepleegd, van toepassing was. In onderhavige zaak lijkt dus in ieder geval geen sprake van retrospectieve toepassing van het verkeerde Wetboek te dreigen. Voor het overige geldt dat de opgeëiste persoon in Bosnië en Herzegovina een rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM tegen de tenuitvoerlegging van de straf ter beschikking staat, alsook dat hij - na uitputting van de nationale rechtsmiddelen - toegang heeft tot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

Gelet op het voorgaande biedt hetgeen in de onderhavige zaak is aangevoerd onvoldoende steun voor de vaststelling dat zich een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM voordoet.

6.14

Door of namens de opgeëiste persoon is ter zitting voor het overige niets van zodanige strekking naar voren gebracht, dat de rechtbank daarin een beletsel voor de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering zou moeten zien, terwijl de rechtbank ook ambtshalve niet van zodanig beletsel is gebleken.

7 De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen.

Behalve de reeds genoemde artikelen zijn van toepassing de artikelen:

  • -

    1, 2 en 6 EUV;

  • -

    2, 4, 5 en 12 UW.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart toelaatbaar de uitlevering aan Bosnië en Herzegovina van [opgeëiste persoon] voornoemd ter fine van strafvervolging ter zake van het hiervoor onder 4. genoemde feitencomplex I tot en met III, zoals omschreven in de hiervoor onder 2. aangeduide documenten.

Deze uitspraak is gewezen door

mrs. M.T. Renckens, voorzitter,

E.J. van As en M.M. Meessen, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. M.R. Ekkart en A.D. van Zeeland, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 november 2014.

Mr. M.T. Renckens is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

1 Hoge Raad, 3 mei 1983, NJ 1983/634 (rov. 7.3) en Hoge Raad 29 mei 2012, LJN BW6798.

2 ECHR, Maktouf and Damjanović v. Bosnia and Herzegovina, Appl. Nos. 2312/08 en 34179/08, 18 July 2013.

3 OSCE, Mission to Bosnia and Herzegovina, Delivering Justice in Bosnia and Herzegovina: An Overview of War Crimes Processing from 2005 to 2010, May 2011, p. 78.

4 Idem, p. 7 en 66.