Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:17275

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
UTL-I-2011006345 (advies)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De uitleveringskamer van de rechtbank Den Haag heeft de uitlevering van een man aan Bosnië en Herzegovina toelaatbaar verklaard en daarbij een advies aan de minister uitgebracht. De opgeëiste persoon wordt in Bosnië en Herzegovina verdacht van betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven in juni 1992.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Uitleveringskamer

Kenmerk UTL-I-2011006345

Raadkamernummer: UTL-14/225

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in uitleveringszaken, heeft bij de uitspraak van heden,

5 november 2014, de verzochte uitlevering aan Bosnië en Herzegovina van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1970 te [geboorteplaats] (voormalige Federale Republiek van Joegoslavië),

wonende te Spijkenisse,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn,

toelaatbaar verklaard. Een gewaarmerkt afschrift van de uitspraak wordt u hierbij toegezonden.

De rechtbank heeft gelet op artikel 4, eerste lid van de Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven juncto artikel 30, tweede lid van de Uitleveringswet.

Zij adviseert u aan het in die uitspraak vermelde verzoek tot uitlevering met inachtneming van het navolgende gevolg te geven.

1 Uitleveringsdetentie.

De rechtbank geeft u in overweging bij de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina te bedingen dat de tijd die de opgeëiste persoon in Nederland in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht, zal worden afgetrokken in geval hij voor een of meer van de feiten waarop het verzoek betrekking heeft tot een tijdelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld.

2 Specialiteitsbeginsel.

De rechtbank geeft u in overweging om toepassing van het in artikel 12 van de Uitleveringswet vervatte specialiteitsbeginsel en het beginsel van niet verderlevering te bedingen.

3 Teruglevergarantie.

De opgeëiste persoon beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en hij kan naar het oordeel van de rechtbank beschouwd worden als geïntegreerd vreemdeling. De rechtbank geeft u in overweging bij de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina de teruglevergarantie als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Uitleveringswet te bedingen.

4 Artikel 3 EVRM.

Namens de opgeëiste persoon is betoogd dat hij, mocht hij na uitlevering gedetineerd raken in de entiteit Servische Republiek, risico loopt op marteling of zelfs foltering, hetgeen in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

De opgeëiste persoon heeft zich beroepen op een rapport d.d. 12 september 2013 van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) betreffende een inspectiebezoek in de periode 5 tot 11 december 2012.1 De CPT meldt in dit rapport dat foltering en ernstige mishandeling van verdachten en gedetineerden door de politie en overige law enforcement officials voornamelijk voorkomt in de Servische Republiek. De gevangenis in Bijeljina en het politiebureau in Banja Luka worden in het rapport met name genoemd. De CPT heeft soortgelijke informatie ontvangen met betrekking tot de Staat van Bosnië en Herzegovina en het Brčko District. Het CPT concludeert dat er doorgaans geen onderzoek wordt verricht naar de vermeende foltering of mishandeling, nadat slachtoffers hun beklag hebben gedaan bij de officier van justitie of rechter. De CPT heeft dan ook aanbevelingen gedaan ten aanzien van de behandeling van verdachten en gedetineerden aan de Servische republiek en de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina. De rechtbank heeft in het rapport eveneens gelezen dat met uitzondering van gedetineerden in de gevangenis te Bijeljina “the vast majority of prisoners interviewed by the CPT’s delegation in the course of the 2012 visit made no allegations of ill-treatment by prison staff”.2

De rechtbank heeft ambtshalve kennis genomen van de reactie d.d. 12 september 2013 van Bosnië en Herzegovina op dit rapport3 alsmede van het rapport van de United States Department of State d.d. 27 februari 20144 en krijgt uit die rapporten de indruk dat van verbetering sprake is. Niettemin blijft er reden tot bezorgdheid, mede gelet op het feit dat de CPT ook in een eerder rapport soortgelijke kritiek op de Servische Republiek had geuit. Daarnaast zijn er signalen over het ontbreken van adequate medische zorg in gevangenissen.

Hoewel de opgeëiste persoon zal worden berecht door de Court of Bosnia and Herzegovina in Sarajevo, is het onduidelijk waar hij verhoord en (preventief en na eventuele veroordeling) gedetineerd zal worden. Daarom geeft de rechtbank u in overweging om garanties van de verzoekende staat te vragen met betrekking tot de veiligheidssituatie van de opgeëiste persoon alsmede adequate medische zorg mocht zijn gezondheidstoestand daartoe aanleiding te geven.

5 Artikel 8 EVRM.

De rechtbank ziet geen aanleiding u ambtshalve negatief te adviseren in verband met een dreigende schending van artikel 8 van het EVRM aangezien zij van oordeel is dat er geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die aan uitlevering in de weg staan. Het is evident dat de uitlevering diep zal ingrijpen in het leven van de opgeëiste persoon en zijn familie. De uitlevering is echter verzocht ter zake de verdenking van zeer ernstige misdrijven. Aan het belang van de strafvordering in Bosnië en Herzegovina dient daarom een groter gewicht te worden toegekend dan aan de belangen van de opgeëiste persoon in het licht van artikel 8 EVRM.

Dit advies is gegeven op 5 november 2014 te Den Haag door mrs. M.T. Renckens, voorzitter,

M.M. Meessen en E.A. Lensink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zeeland, griffier.

1 European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment, ‘Report to the Government of Bosnia and Herzegovina on the visit to Bosnia and Herzegovina from 5 to 11 December 2012’, CPT/Inf (2013) 25, 12 September 2013.

2 Idem, para. 37.

3 Government of Bosnia and Herzegovina, Response to the report of the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment on its visits to Bosnia and Herzegovina from 5 to 11 December 2012’, CPT/Inf (2013) 26.

4 United States Department of State, ‘2013 Country Reports on Human Rights Practices - Bosnia and Herzegovina, 27 February 2014.