Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:17274

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
UTL-I-2011006345
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: De uitleveringskamer van de rechtbank Den Haag heeft de uitlevering van een man aan Bosnië en Herzegovina toelaatbaar verklaard. De opgeëiste persoon wordt in Bosnië en Herzegovina verdacht van betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven in juni 1992.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Uitleveringskamer

Kenmerk UTL-I-2011006345
Raadkamernummer 14/2225

De rechtbank Den Haag, uitleveringskamer, doet de volgende uitspraak op een verzoek van de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina tot uitlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1970 te [geboorteplaats] (voormalige Federale Republiek van Joegoslavië),

wonende te Spijkenisse,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn,

verder te noemen de opgeëiste persoon.

1 Het verzoek tot uitlevering.

Bij brief van 7 april 2014 heeft de minister van justitie van Bosnië en Herzegovina aan de Nederlandse autoriteiten verzocht om uitlevering van de opgeëiste persoon voornoemd ter fine van strafvervolging.

2 De overgelegde stukken.

Met betrekking tot dit verzoek is overgelegd een brief van 30 april 2014 van de minister van Veiligheid en Justitie aan de officier van justitie van het Landelijk Parket Rotterdam, waarbij wordt verzocht een door het ministerie van Justitie van Bosnië en Herzegovina aan het ministerie van Veiligheid en Justitie te Den Haag gedaan verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon in behandeling te nemen. Bij deze brief is gevoegd het uitleveringsverzoek voornoemd. Voorts is daarbij gevoegd een in de Engelse taal gesteld international arrest warrant, nummer X-KR-05/14, gedateerd 20 oktober 2008, houdende een verzoek tot aanhouding en uitlevering van de opgeëiste persoon met het oog op strafvervolging.

Bij het international arrest warrant zijn gevoegd een in de Engelse taal gestelde beschuldiging (indictment), nummer KT-RZ-136/05, gedateerd 22 september 2008, betreffende de opgeëiste persoon met onder meer een overzicht van de misdrijven waarvan de opgeëiste persoon in Bosnië en Herzegovina wordt verdacht en een overzicht van het vergaarde bewijs, een nationaal bevel voorlopige hechtenis en de toepasselijke wetsbepalingen.

Op 8 mei 2014 is ter griffie ingekomen de schriftelijke vordering van de officier van justitie, strekkende tot het in behandeling nemen van genoemd uitleveringsverzoek, alsmede het beslissen over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon.

3 Overige stukken.

Ter zitting van de uitleveringskamer van 22 juli 2014 heeft de (toenmalige) raadsman van de opgeëiste persoon mr. B.D.W. Martens schriftelijke pleitaantekeningen overgelegd. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Ter zitting van de uitleveringskamer van 22 oktober 2014 heeft de officier van justitie een schriftelijke samenvatting overgelegd, houdende de opvatting van het openbaar ministerie over de toelaatbaarheid van de uitlevering. De (huidige) raadsman van de opgeëiste persoon mr. A.M. Seebregts heeft schriftelijke pleitaantekeningen met negen bijlagen overgelegd.

4 Omschrijving van het verzoek.

Blijkens het hiervoor genoemde international arrest warrant in samenhang met het genoemde indictment rust op de opgeëiste persoon de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelen in strijd met artikel 3 van het Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd. Deze gedragingen zijn in de verzoekende staat als oorlogsmisdrijven tegen burgers strafbaar gesteld bij artikel 173 (1) (c) (e) en (f) in samenhang met artikel 180 (1) van de Criminal Code of Bosnia and Herzegovina (hierna: het Bosnische Wetboek van Strafrecht).

Aan deze verdenking worden door de verzoekende staat de volgende feiten ten grondslag gelegd. De opgeëiste persoon zou in juni 1992, gedurende het gewapende conflict in Bosnië en Herzegovina, in het gebied van Derventa, lid zijn geweest van de 103e Brigade van de Derventa Kroatische verdedigingsraad (Derventa Croat Defense Council) en tevens commandant van het kamp dat in een school in Poljari was gevestigd. In die hoedanigheid zou hij:

op een datum in juni 1992 de in het kamp verblijvende gevangene [slachtoffer 1] verschillende keren hebben geslagen, hem valselijk beschuldigd hebben van een poging tot ontsnapping en hem daarna doodgeschoten hebben met een automatisch geweer. Vervolgens zou hij de overige gevangenen in een rij hebben opgesteld en hen het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] hebben laten zien, hen gezegd hebben dat dit een waarschuwing was, [slachtoffer 2] hebben geschopt en met zijn geweer hebben geslagen, [slachtoffer 3] hebben geslagen, diens moeder vervloekt hebben en vervolgens zou hij zijn geweer in de mond van [slachtoffer 3] hebben gestopt en hem eveneens hebben doodgeschoten;

in juni 1992 gevangen burgers op een onmenselijke manier hebben behandeld door hen te dwingen ‘Ustasha’ liederen te zingen en hen te vervloeken en te beledigen om hun afkomst. Voorts zou hij de gevangene [slachtoffer 5] met een knuppel en geweerkolf hebben geslagen, hem hebben getrapt en sigaretten op zijn lichaam hebben uitgedrukt. Ook zou hij de gevangene [slachtoffer 4] met een stoel hebben geslagen waardoor hij zijn arm zou hebben gebroken, hij zou hem hebben gebrand met een gloeiende draad en met zijn laarzen op zijn mond hebben getrapt waardoor hij zijn voortanden kwijtraakte;

in juni 1992 het kamp zijn binnengegaan en de gevangenen hebben gedwongen hun waardevolle bezittingen aan hem af te staan.

5 Het onderzoek ter zitting.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2014 (pro forma) en 22 oktober 2014 (inhoudelijk). De opgeëiste persoon is bij beide zittingen in persoon verschenen.

Ter zitting van 22 oktober 2014 is de opgeëiste persoon bijgestaan door zijn huidige raadsman mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam.

De voorzitter heeft aldaar mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder 2. genoemde stukken.

De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij degene is die in het uitleveringsverzoek wordt genoemd en dat hij zich tegen de gevraagde uitlevering verzet. Tevens heeft hij verklaard dat hij uitsluitend de Kroatische nationaliteit bezit en een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft.

Door en namens de opgeëiste persoon is ter zitting verweer gevoerd, waarop hieronder wordt ingegaan. De officier van justitie heeft in de samenvatting, onder 3. genoemd, te kennen gegeven dat de gevraagde uitlevering naar zijn mening toelaatbaar is.

6 Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering.

6.1

De raadsman heeft betoogd dat het Europees Verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965, 9, hierna: EUV) niet van toepassing is op het onderhavige verzoek en dat de Overeenkomst tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Servië tot regeling der wederzijdsche uitlevering van misdadigers (hierna: Overeenkomst) en de verdragen genoemd in de Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven (hierna: WOO) eveneens toepassing missen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat Bosnië en Herzegovina pas op 25 april 2005 is toegetreden tot het EUV, terwijl de feiten waarvoor uitlevering is verzocht gepleegd zouden zijn in 1992. Omdat artikel 28 van het Verdrag van Wenen bepaalt dat verdragen geen terugwerkende kracht hebben, is het EUV niet van toepassing. Ten aanzien van de Overeenkomst en de overige verdragen dient volgens de raadsman mutatis mutandis hetzelfde te gelden.

6.2

Voor de vraag of aan een uitleveringsverdrag bindende kracht toekomt, komt het (voor zover hier relevant) niet aan op het moment waarop de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht zouden zijn gepleegd, maar op het moment van indienen van het uitleveringsverzoek.1 Beslissend is dus of Bosnië en Herzegovina op de dag van indiening van het uitleveringsverzoek reeds was toegetreden tot het EUV. Nu Bosnië en Herzegovina het EUV op 25 april 2005 heeft bekrachtigd, waarna het op 24 juli 2005 in werking is getreden, en het uitleveringsverzoek dateert van 7 april 2014, heeft derhalve als toepasselijk verdrag te gelden het EUV. De rechtbank verwerpt het verweer.

6.3

Gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aangaande de toepasselijkheid van het EUV ziet de rechtbank geen enkele reden om hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen. Voorts geldt dat - nu er een verdragsbasis bestaat voor het verzoek tot uitlevering - het verweer dat de Overeenkomst en overige verdragen niet van toepassing zouden zijn, geen bespreking meer behoeft.

6.4

Op het verzoek is naast het EUV van toepassing:

- De Uitleveringswet;

- De WOO;

- het Aanvullend Protocol bij het Verdrag, gesloten te Straatsburg op 15 oktober 1975 (Trb. 1979, 119) (het Protocol);

- het Tweede Aanvullend Protocol bij het Verdrag, gesloten te Straatsburg op 17 maart 1978 (Trb. 1979, 120) (het Tweede Protocol).

6.5

De door de opeisende partij overgelegde stukken voldoen aan de eisen vervat in artikel 12 van het EUV en artikel 18 van de Uitleveringswet.

6.6

Ten aanzien van de vraag of de feiten waarop de onder 2. genoemde stukken betrekking hebben volgens Nederlandse wetsbepalingen eveneens strafbaar zijn gesteld, overweegt de rechtbank het volgende. De autoriteiten van Bosnië en Herzegovina hebben de uitlevering van de opgeëiste persoon verzocht ter fine van strafvervolging ter zake van oorlogsmisdrijven tegen burgers. Nu uitdrukkelijk is vermeld dat het feitencomplex oorlogsmisdrijven betreft, zal de rechtbank op grond van artikel 2 van het EUV en artikel 5 van de Uitleveringswet aan de hand van het feitencomplex moeten vaststellen of de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht naar Nederlands recht eveneens vergelijkbare strafbare feiten opleveren.

6.7

Artikel 173 van het Bosnische Wetboek van Strafrecht spreekt over een “gewapend conflict” (armed conflict) zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt tussen een internationaal of niet-internationaal gewapend conflict. Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat het gewapende conflict (armed conflict), waarop het indictment doelt, van internationale aard was en gelet op het feit dat het indictment handelen in strijd met artikel 3 van de Vierde Geneefse Conventie noemt, welk artikel ziet op behandeling van burgers tijdens niet-internationale gewapende conflicten, leveren de feitencomplexen waarvoor uitlevering wordt verzocht naar Nederlands recht de volgende misdrijven op:

  • -

    (I en II) zich in geval van een niet-internationaal gewapend conflict schuldig maken aan schending van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève, te weten het begaan jegens personen die niet rechtsreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft neergelegd, of personen die buiten gevecht zijn gesteld door gevangenschap, van aanslagen op het leven of lichamelijke geweldpleging, in het bijzonder het doden, verminking, wrede behandeling of marteling en aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende of onterende behandeling, strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, sub a en sub c van de Wet internationale misdrijven jo. artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    (III) zich in geval van een niet-internationaal gewapend conflict schuldig maken aan een stad of plaats plunderen, strafbaar gesteld bij artikel 6, derde lid, sub e van de Wet internationale misdrijven jo. artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

6.8

Naar het recht van Bosnië en Herzegovina zijn deze feiten strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van meer dan een jaar. De feiten zijn volgens de Nederlandse wetsbepalingen eveneens strafbaar gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar.

6.9

Ter zitting is namens de opgeëiste persoon het verweer gevoerd dat bij uitlevering op basis van het Bosnische Wetboek van Strafrecht het legaliteitsbeginsel zal worden geschonden, omdat dit Wetboek in 2003 in werking is getreden en de feiten reeds in 1992 zouden zijn gepleegd. Toentertijd was de Criminal Code of the Socialist Federal Republic of Yugoslavia (hierna: het Joegoslavische Wetboek van Strafrecht) van toepassing. Dit is van belang omdat de strafbedreigingen in het Joegoslavische Wetboek van Strafrecht 5 tot 15 jaar, 20 jaar of de doodstraf zijn, terwijl deze in het Bosnische Wetboek van Strafrecht 10 tot 20 jaar of 20 tot 45 jaar zijn. Aan de opgeëiste persoon zou aldus een zwaardere straf kunnen worden opgelegd dan ten tijde van het delict mogelijk was, aldus de raadsman.

6.10

De rechtbank verwerpt dit verweer. Zelfs indien de rechtbank ervan zou uitgaan dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in de zaak van Maktouf en Damjanović2 heeft willen betogen dat retrospectieve toepassing van het Bosnische Wetboek van Strafrecht in elk mogelijk zich voordoend geval een schending van het legaliteitsbeginsel oplevert, staat dit niet aan de gevraagde uitlevering in de weg. In het geval zich een dergelijke schending, hoe onfortuinlijk ook, zou voordoen is namelijk een adequaat rechtsmiddel (effective remedy) beschikbaar voor de opgeëiste persoon. Het Constitutional Court of Bosnia and Herzegovina heeft na de uitspraak in Maktouf en Damjanović immers zaken vernietigd waarin het Bosnische Wetboek van Strafrecht ten nadele van de verdachte was toegepast. In zoverre verschilt de huidige situatie derhalve met die in de zaak van Maktouf en Damjanović, waarin het EHRM nog vaststelde dat “a constitutional appeal did not offer reasonable prospects of success for Mr Damjanović’s complaint under Article 7 of the Convention”.3 Nu de opgeëiste persoon in Bosnië en Herzegovina nog een rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden tegen de tenuitvoerlegging van de straf ter beschikking staat, alsook – na uitputting van de nationale rechtsmiddelen - toegang heeft tot het EHRM, is van een uitleveringsbeletsel geen sprake.4

6.11

Gezien vorenstaande ziet de rechtbank zich niet genoodzaakt om prejudiciële vragen te stellen over een mogelijke schending van het legaliteitsbeginsel.

6.12

Door of namens de opgeëiste persoon is ter zitting overigens niets van zodanige strekking naar voren gebracht, dat de rechtbank daarin een beletsel voor de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering ziet, terwijl de rechtbank ook ambtshalve niet van zodanig beletsel is gebleken.

7 De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen.

Behalve de reeds genoemde artikelen zijn van toepassing de artikelen:

  • -

    1, 2 en 6 van het EUV;

  • -

    2, 4, 5 en 12 van de Uitleveringswet.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart toelaatbaar de uitlevering aan Bosnië en Herzegovina van [opgeëiste persoon] voornoemd ter fine van strafvervolging ter zake van het hiervoor onder 4. genoemde feitencomplex I tot en met III, zoals omschreven in de hiervoor onder 2. aangeduide documenten.

Deze uitspraak is gewezen door

mrs. M.T. Renckens, voorzitter,

M.M. Meessen en E.A. Lensink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zeeland, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 november 2014.

1 Arrest Hoge Raad d.d. 2 april 1985, NJ 1985, 890 rov. 5.3. en arrest Hoge Raad d.d. 28 augustus 2007, LJN: BA6580, rov. 3.2.

2 ECHR, Maktouf and Damjanović v. Bosnia and Herzegovina, Appl. Nos. 2312/08 en 34179/08, 18 July 2013.

3 Idem, paras. 59-60.

4 HR 11 maart 2003, NJ 2004, 42.