Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:17237

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
C-09-454567-HA ZA 13-1283
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Tijdens verbouwing van café is brand ontstaan in de inwendige bedrading van spotje dan wel in de bedrading waarmee het spotje was aangesloten op de elektrische installatie van het café. Komt verzekeraar beroep toe op verval dekking wegens niet voldoen aan de preventievoorschriften (NEN 1010)? Zonder nader onderzoek is niet vast te stellen welk eventueel gebrek het spotje had en of verzekerde daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Verzekeraar heeft niet aangetoond dat verzekerde de preventievoorschriften heeft geschonden. Verzekeraar dient de schade aan inventaris en bedrijf uit te keren en deel van de onderzoekskosten aan verzekerde te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C09/ 454567/ HA ZA 13-1283

Vonnis van 30 juli 2014

in de zaak van

[eiser] ,

handelende onder de naam [handelsnaam eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J. Backx te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MIJ N.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam.

Partijen zullen hierna NN en [eiser] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 5 november 2013, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 5 maart 2014, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de akte overlegging producties, tevens akte wijziging eis;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 april 2014.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft in het najaar van 2011 bij NN een aanvraag ingediend voor een horecaverzekering ten behoeve van het door hem geëxploiteerde café genaamd [handelsnaam eiser] in [plaats] . Hij was op dat moment verzekerd bij Avero. Hij huurt dit café sinds 2005. Op de begane grond bevindt zich de bar. Op de eerste verdieping bevinden zich een cocktailbar en toiletten. De verbinding tussen begane grond en eerste verdieping en tussen eerste verdieping en zolderverdieping wordt gevormd door een wenteltrap.

2.2.

De risico-deskundige [deskundige] heeft in verband met de aanvraag een verslag gemaakt van zijn bezoek aan het café en onder meer opgemerkt dat de elektrische installatie moet worden geïnspecteerd. De gebreken moeten uiterlijk binnen twee maanden na constatering worden verholpen.

2.3.

NN heeft de aanvraag van [eiser] voorlopig geaccepteerd en hem opgedragen de in het café aanwezige elektrische installatie te laten inspecteren en de gebreken binnen twee maanden na constatering daarvan te verhelpen.

2.4.

[eiser] heeft [B.V. 1] verzocht zijn elektrische installatie alsnog conform de geldende richtlijnen te inspecteren. In diens rapport van 10 januari 2012

is opgenomen:

“OPMERKINGEN EN CONCLUSIES:

Boven de wasruimte cq opslag is een centraal doos aanwezig waarvan de bedrading uit de doos steekt en koperen stukjes buiten lasdoppen steekt (nazien en lassen op juiste wijze herstellen en deksel plaatsen).

Op zolder hangt een spot armatuur alleen aan de bedrading (nazien en vastzetten cq vervangen).

De noodverlichting die voorzien zijn van een pictogram moeten volgens de norm ten alle tijden verlicht zijn (nazien en waar nodig herstellen).

De installatie tijdens het moment van inspectie wel/niet akkoord bevonden met uitzondering in de Opmerkingen en conclusies genoemde punten.”

NN heeft daarop de aanvraag van [eiser] definitief aanvaard onder het voorbehoud: ”er is alleen dekking indien de noodzakelijke preventievoorzieningen aanwezig zijn en verzekerde de bijbehorende voorschriften naleeft.” Met [eiser] werd een overeenkomst, genaamd zekerheidspakket Horeca gesloten. In de van dit pakket deel uitmakende polisvoorwaarden bedrijfsschadeverzekering en inventaris staat in:

“Hoofdstuk 2 Omschrijving van dekking

(…)

Deze dekking geldt alleen indien verzekeringnemer

- binnen twee maanden na ingangsdatum van deze verzekering de preventievoorzieningen heeft getroffen en

- deze voorzieningen vanaf dit moment voortdurend in stand houdt en de preventievoorschriften naleeft, alles zoals vermeld in Hoofdstuk Nadere omschrijvingen.

Indien bij schade blijkt dat verzekeringnemer hieraan niet heeft voldaan, geldt deze Dekking alleen indien verzekeringnemer bewijst dat de schade niet is ontstaan of vergroot door het niet nakomen van deze verplichtingen.

(…)”

en in:

“Hoofdstuk 11 Nadere omschrijvingen

(…)

Preventievoorzieningen en preventievoorschriften

(…)

Elektrische installatie

h. De elektrische installatie is aangelegd en wordt onderhouden overeenkomstig de van

toepassing zijn voorschriften.

i. Controle op de installatie en de werking ervan vindt plaats conform bepaling 5.3.3 van de meeste recente

NNI-uitgave ‘Bedrijfsvoering van elektrische installaties’. Deze controle wordt minstens eenmaal per vijf jaar

herhaald.

j. Eventuele tekortkomingen en/of gebreken worden zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden

na constatering daarvan, verholpen.”

2.5.

Eind 2012 is [eiser] in eigen beheer (en zo veel mogelijk zelf) begonnen met de verbouwing van het café. Tijdens deze verbouwing is op 27 januari 2013 brand ontstaan. In het rapport van de CED van 21 februari 2013 is opgenomen: “Door een storing of een gebrek in de bedrading of de armatuur is de brand ontstaan. Van een andere brandoorzaak is ons niets bekend.”

2.6.

In een rapport van Biesboer Expertise B.V. (rapporteur [rapporteur 1] ) van 15 februari 2013 is onder meer opgenomen:

“Op perceel [adres] te [plaats] is zoals eerder aangegeven horecagelegenheid [handelsnaam eiser] gevestigd. (…) Via een open spiltrap kan vanuit de caféruimte de eerste verdieping worden bereikt. (…) De tweede spiltrap, van de eerste verdieping naar de zolderverdieping, was recent verplaatst van de voorzijde van het pand naar de achterzijde en wel direct boven de spiltrap vanaf de parterre. (…) Op de parterre had brand gewoed in de hoek van het café waar een sigarettenautomaat opgesteld had gestaan en wel onder de spiltrap.(…). De houten wand in de hoek van het café waar de sigarettenautomaat opgesteld had gestaan was ernstig door de brand aangetast. (…) De hoek van het trappenhuis boven de sigarettenautomaat was relatief oppervlakkig aangetast door het vuur. Ter hoogte van de zoldervloer vertoonde het houtwerk plaatselijk een doorbranding. Hier waren tevens kaalgebrande installatiedraden van de elektrische installatie in het pand aanwezig. Op twee van die draden waren restanten van kroonsteentjes aanwezig, waarop tevens de resten van getwijnde koperen kernen van een aansluitsnoer aangesloten waren (…).

Op dit aansluitsnoer was een metalen spotarmatuur aangesloten geweest, welke in het trappenhuis had gehangen. De heer [eiser] deelde mee dat hij die aansluiting had gemaakt en dat dit een tijdelijke voorziening betrof in verband met de verbouwing. Het geheel verbrande spotje werd in de caféruimte (op de parterre) aangetroffen.

(…)

De omschreven “tijdelijke” aansluiting maakte deel uit van de vaste elektrische installatie. Vanwege het gebruik van een kroonsteentje (verbinden bedrading met vaste en flexibele kern) voldeed deze aansluiting niet aan de NEN normering.”

2.7.

Een aanvullend rapport van 3 september 2013 van EMN Expertise (rapporteur [rapporteur 2] ) vermeldt onder meer:

“Onderhoud met de heer ing. [A] :

Op 21 augustus 2013 had ik een onderhoud met collega de heer ing. [A] , expert EMN.(…)

Bij het verplaatsen v/d trap (…) is een vloerbalk van de zolderverdieping verwijderd en een dwarsbalk geplaatst. Ten behoeve van de opening is een buis van de elektrische installatie onderbroken.

Tijdens ons onderzoek bleek dat de elektrische bedrading van de gebouwinstallatie uit deze buis onder de dwarsbalk door liepen in het trapgat uitkwam. Deze buis had volgens NEN 1010 moeten eindigen in een installatiedoos. (…) In het trapgat waren de VD-draden aangesloten op een kroonsteen. Verzekerde verklaarde dat hierop een lamp was aangesloten. Deze lamp hing aan de andere zijde van de trap aan een haak. Loshangende VD-draden zijn volgens de NEN 1010 bepalingen niet toegestaan. Deze dienen ondergebracht te zijn in een buis o.i.d. Na (…) de aangebrachte wijzigingen korte tijd voor de brand had verzekerde een herkeuring moeten aanvragen en/of de wijzigingen aan de elektrische installatie moeten laten uitvoeren door een deskundig persoon/installatiebedrijf.

De lamp hing aan een ondeugdelijke haak (…) en is daarvan afgevallen en dat moet vervolgens de inleiding van de brand zijn geweest. In het keuringsrapport van [B.V. 1] staat vermeld dat ook toen (in 2012) sprake was van een ondeugdelijk opgehangen spot op de zolderetage. Verzekerde wist derhalve dat armaturen deugdelijk bevestigd dienen te worden.

VD draden van de gebouwinstallatie dienen te eindigen in een installatiedoos. Vanuit deze installatiedoos kan vervolgens elektriciteitssnoer gebruikt worden om de lamp aan te sluiten,.

Verder moeten er aderhulsjes geplaatst worden om de draaduiteinden van meervoudige aderkernen bij toepassing van een dergelijke kroonsteen (…). Ook hiermee werd niet voldaan aan de NEN 1010 bepalingen.”

2.8.

In een aanvullend rapport van 10 februari 2014 van EMN Expertise (onderdeel van CED Nederland B.V.), rapporteur ing. [A] , is onder meer opgenomen:

“1. Keuring en herstel van de geconstateerde gebreken

(…) Bij de (…) verbouwing eind 2013 (moet zijn: 2012, toevoeging rechtbank) /begin 2013 heeft [eiser] o.a. de wenteltrap verplaatst en, zo heeft hij aan ons verklaart, hierbij een gat in de verdiepingsvloer gemaakt. (…) Verder heeft hij de onderhavige lamp aan de haak aan de andere zijde opgehangen. Dit betrof een tijdelijke situatie in verband met de verbouwing. (…) Het uiteinde van de haak was niet omhoog gebogen maar horizontaal zodat de lamparmatuur er makkelijk af kon glijden. (…).

2. 2. Toepassing NEN 1010

(…) De NEN 1010 beschrijft de veiligheidsbepalingen van laagspanningsinstallaties. In de NEN 1010 staat m.b.t. de elektrische installatie in het onderhavige gebouw: (…)

Deze norm is van toepassing op elektrische installaties zoals van:

(…)

b) tot zakelijke doeleinden bestemde gebouwen en terreinen.

(….)

Uit de opsomming onder 11.2 blijkt dat de norm van toepassing is op de gehele stroomketen (…) met een aantal gespecificeerde uitzonderingen.

11.2.

Deze norm heeft betrekking op:

a) stroomketens met:

1) een nominale wisselspanning van ten hoogste 1000 V. (…)

(…)

Relatie geconstateerde gebreken en mogelijke brandoorzaak

1. de installatiedraden waren deels niet ondergebracht in een buis dan wel contactdoos;

(…)

2. de meervoudige aderkernen waren niet voorzien van aderhulsjes;(…)

3. geen trekontlasting toegepast; Door beweging kunnen trek- of torsiekrachten ontstaan waardoor (…) aderkernen beschadigd kunnen raken waardoor de brand ontstaan kan zijn (overgangsweerstand door slechte verbinding van de nog resterende aderkernen)

4. het lamparmatuur was niet betrouwbaar opgehangen. Het lamparmatuur kon hierdoor eenvoudig losraken van de haak en naar beneden vallen. Hierbij kan het lamparmatuur defect zijn geraakt of kan de kroonsteenverbinding losgeraakt zijn. Beide gevolgen kunnen de brand veroorzaakt hebben (bv overgangsweerstand door slechte verbinding of overbelasting van de nog resterende aderkernen).”

2.9.

In een rapport van 10 april 2014 vermeldt het Brand Technisch Bureau Nederland B.V. (BTB) als verklaring van [eiser] onder meer:

“(…) Het spotje heb ik met de bijbehorende stalen bevestigingsbeugel aan een plafondhaak gehangen.

(…) Het spotje heb ik met het aansluitsnoer door middel van een kroonsteentje aangesloten op het elektriciteitsnet. Het kroonsteentje zat in een lasdoos die op de houten wand van de trapopgang was geschroefd, net onder het plafond. (…) Het was een geel/beige lasdoos met deksel. De lasdoos was op een elektrabuis aangesloten welke omhoog naar de ruimte tussen plafond en zoldervloer voerde. (…) Op het kroonsteentje waarop ik het spotje heb aangesloten, was daarvoor een wandlamp aangesloten. Die aansluitwijze is door [B.V. 1] geïnspecteerd en goedgekeurd.”

2.10.

De heer [A] van EMN Expertise geeft als commentaar op de onder 2.9. opgenomen verklaring van [eiser] onder meer:

“Het spotje was niet met schroeven bevestigd waardoor het eenvoudig los kon raken van de haak. (…) De heer [eiser] stelt dat het kroonsteentje zich in een lasdoos bevond (….) Deze verklaring van de her [eiser] is nieuw en wijkt af van de eerder door [X] opgenomen stukken.. (…) De bedrading zou dan opgerold moeten zijn geweest om in de lasdoos te kunnen passen. De bedrading is echter vrijwel recht en heeft een lengte van ca 40 centimeter (balk tot kroonsteen). (…) Stel dat de kroonsteen zich wel in een lasdoos had bevonden dan nog ontbrak echter de noodzakelijke trekontlasting om de koperkernen van het snoer tussen kroonsteen en spotarmatuur tegen beschadiging door trekbelasting te beschermen (aan zowel de lasdooskant als aan de spotarmatuurkant).”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis – zakelijk weergegeven –

I. voor recht te verklaren dat NN gehouden is de schade ten gevolge van de brand op 27 januari 2013 onder de verzekeringspolis te vergoeden aan [eiser] , vermeerderd met rente en kosten;

II. NN te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de vastgestelde schade groot € 83.400,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2013, althans vanaf 11 maart 2013, althans vanaf de dag der dagvaarding, althans een door de rechtbank te bepalen dag tot aan de dag der voldoening;

III NN te veroordelen tegen kwijting te betalen de buitengerechtelijke kosten ex artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW groot € 2.487,-, althans € 1.788,-;

IV NN te veroordelen tegen kwijting te betalen de buitengerechtelijke kosten ex artikel 6:96 lid 2 sub b (onderzoekskosten) groot € 32.726,27, althans een bedrag;

V. NN te veroordelen in de proceskosten en de nakosten (€ 131,- zonder betekening en € 205,- met betekening).

3.2.

[eiser] legt aan deze vordering - samengevat- het volgende ten grondslag.

De schade valt onder de dekking van de polis. [eiser] betwist primair dat de NEN 1010

clausule zou zijn geschonden. De brandoorzaak ligt in de bedrading van de armatuur. Deze bedrading maakt geen deel uit van de vaste laagspanningsinstallatie waarop de NEN 1010 van toepassing is. Subsidiair stelt hij, dat, indien deze clausule zou zijn geschonden het causaal verband tussen schending en schade ontbreekt, omdat de bedrading van de armatuur niet valt onder het bereik van de NEN 1010. Verder geldt dat zich gevallen kunnen voordoen waarin een beroep op de clausule in strijd met de redelijkheid en billijkheid is, onder meer wanneer onvoldoende causaal verband bestaat tussen schending van de clausule en de schade.

Te comparitie betoogt [eiser] dat NN geen beroep op de elektriciteitsclausule kan doen, omdat de tekst daarvan zo vaag is dat verzekerde daar in redelijkheid niet uit kan afleiden welke verplichtingen daarin zijn vastgelegd. In welke bepaling van NEN 1010 is opgenomen dat gebruik gemaakt moet worden van aderhulsjes en dat een spotje niet aan een daartoe bestemde beugel mag worden opgehangen?

3.3.

De schade is als volgt opgebouwd:

Inventaris € 27.950,-

Goederen € 2.000,-

Huurdersbelangen € 5.950,-

€ 35.900,-

Bedrijfsschade op basis

van voortzetting € 47.500

totaal € 83.400,-

3.4.

[eiser] heeft kosten moeten maken om de hoogte van de schade, om de aansprakelijkheid vast te stellen en ter voldoening buiten rechte.

3.5.

NN voert verweer. Zij stelt dat de schade niet wordt gedekt door de polis. Uit rapporten van EMN Expertise en CED blijkt dat de elektrische installatie ten tijde van de brand niet aan de preventie-eisen voldeed. [eiser] heeft aan een vanaf de tweede verdieping van het café loshangende bedrading een kroonsteen bevestigd en hierop de bedrading van het armatuur (een spotje, opmerking rechtbank) aangesloten en het armatuur door middel van de bedrading aan een haak opgehangen. Hij heeft aldus de volgende preventievoorschriften geschonden:

  1. loshangen van de bedrading van de elektrische installatie;

  2. loshangen van het uiteinde van de bedrading van de elektrische installatie;

  3. de door middel van de kroonsteen verbonden aders in de bedrading van het armatuur niet voorzien van aderhulsjes;

  4. e bedrading van de het armatuur niet voorzien trekontlasting.

De elektriciteitsclausule wordt al een jaar of zeven door verzekeraars gehanteerd. De norm is voldoende duidelijk. De elektriciteitsclausule heeft in ieder geval betrekking op NEN 1010. Schending van deze norm heeft geleid tot de brand. Vastgesteld is dat brand is ontstaan door een storing van, of een gebrek in de inwendige bedrading van het armatuur dan wel een storing of een gebrek in de bedrading waarmee de armatuur op de elektrische installatie van het café was aangesloten. Schending van de onder c. en d. bedoelde voorschriften heeft mogelijk tot de brand geleid. Ad c.: de aders waren niet beschermd door hulsjes, daardoor werd het bevestigingsmechanisme van de kroonsteen in de aders gedrukt, met als gevolg dat de aders dunner werden; ad d.: het armatuur was niet deugdelijk opgehangen, het hing aan een haak, waar de bedrading makkelijk af kon glijden.

In beide gevallen kon brand ontstaan (door overgangsweerstand door slechte verbinding of overbelasting van resterende aderkernen). Anders dan [eiser] stelt, is NEN1010 ook van toepassing op de bedrading waarmee de armatuur op de elektrische installatie aangesloten is geweest. NN verwijst onder meer naar een overgelegd rapport van 24 april 2014 van ing.

[B] . Bij eventuele onduidelijkheid over de inhoud van de polisvoorwaarden had [eiser] zich tot de tussenpersoon Univé moeten wenden, wiens deskundigheid aan [eiser] moet worden toegerekend.

3.6.

[eiser] heeft zijn inventaris (€ 27.950,-) en zijn bedrijfsschade gedekt (€ 47.500,-), maar niet schade aan goederen en geschonden huurdersbelang. Rente is niet eerder dan

10 mei 2013 verschuldigd. Buitengerechtelijke kosten zijn niet toewijsbaar.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] heeft in het kader van zijn verbouwing van zijn café eigenhandig in januari 2013 de wenteltrap tussen de eerste verdieping en de zolderverdieping (deze trap stond eerst aan de voorkant ) verplaatst naar de achterzijde van de eerste verdieping. Daartoe heeft hij een opening in de vloer tussen de eerste verdieping en de zolderverdieping gemaakt. De op de eerste verdieping bij de toiletten aanwezige verlichting (volgens zijn zeggen een halvemaanslamp) heeft hij verwijderd. Hij heeft als tijdelijke verlichting bij het trapgat een spotje opgehangen.

4.2.

Tussen partijen staat vast dat de brand is ontstaan in de inwendige bedrading van het spotje dan wel in de bedrading waarmee het spotje was aangesloten was op de elektrische installatie van het café.

4.3.

De rechtbank gaat er veronderstellenderwijs vanuit dat de NEN 1010 normen volgens de polisvoorwaarden van toepassing waren en dat deze meebrachten dat [eiser] gehouden was de door NN gestelde eisen, opgenomen onder 3.5., na te leven.

4.4.

Het spotje is niet meer aanwezig. Volgens [eiser] heeft de heer [rapporteur 2] van CED het spotje meegenomen, hetgeen NN betwist. Hoe dan ook, het is niet meer vast te stellen of de brand in het spotje of in de bedrading is ontstaan. In het rapport van EMN Expertise van 10 februari 2014, zie onder 2.8. uit de heer [A] het vermoeden dat het spotje van de haak is gevallen, waardoor het spotje defect is geraakt of de kroonsteenverbinding is losgeraakt. Hij gaat er daarbij vanuit dat het spotje aan een haak met een bijna horizontale vorm was opgehangen en de kroonsteen los langs de muur hing. Dit vermoeden spoort niet met de verklaring van [eiser] dat de kroonsteen in een lasdoos zat. In die lasdoos waren volgens hem de draden van de elektrische installatie op dezelfde wijze in de kroonsteen bevestigd als voorheen, toen er nog geen spotje hing. Uitgaande van zijn verklaring kan hem niet verweten worden geen aderhulsjes te hebben gebruikt. Verder hing het spotje volgens [eiser] niet aan een bijna horizontale haak, maar met een beugel aan een plafondhaak. Het kon aldus, begrijpt de rechtbank, niet gemakkelijk losraken en was aldus bestand tegen trekontlasting. Het aansluitsnoer tussen lasdoos en spotje was niet in een buis opgeborgen. Dat kan [eiser] niet worden verweten, omdat aansluitsnoeren van spotjes, die tijdelijk ergens zijn opgehangen, niet in een buis plegen te worden opgeborgen.

De brand is volgens de deskundigen in de inwendige bedrading van het spotje dan wel in de bedrading waarmee het spotje was aangesloten op de elektrische installatie van het café

ontstaan. Als niet aan te nemen valt dat de brand in de bedrading, behorende tot de elektrische installatie, is ontstaan dan is niet uit te sluiten dat de brand in het spotje is ontstaan. Zonder nader onderzoek, dat niet meer mogelijk is, valt echter niet vast te stellen, welk eventueel gebrek dit spotje had en of [eiser] ten aanzien van dit spotje een verwijt kan worden gemaakt.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat NN niet heeft aangetoond dat [eiser] de door NN gestelde toepasselijke preventievoorschriften heeft geschonden.

De gevraagde verklaring voor recht zal als volgt worden toegewezen. NN is gehouden [eiser] de schade aan inventaris (€ 27.950,-) en bedrijf ( € 47.500,-) uit te keren.

De ingangsdatum van de wettelijke rente wordt gesteld op 11 maart 2013, de dag dat NN de schade schriftelijk afwees. Op dat moment stond vast dat NN niet zou nakomen. Daarnaast kan [eiser] aanspraak maken op vergoeding van onderzoekskosten.

4.6.

Buitengerechtelijke incassokosten. Toepasselijk is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu gesteld noch gebleken is dat een aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 BW is verzonden.

4.7.

[eiser] vordert voorts vergoeding van de door hem gemaakte kosten ter hoogte van € 32.726,27 betreffende het onderzoek door Brand Technisch Bureau. Het door hem gevorderde bedrag van € 32.726,27 acht de rechtbank niet redelijk. De rechtbank wijst een bedrag van € 17.500,- toe.

4.8.

NN zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- griffierecht € 842,--

- explootkosten € 103,82

- salaris advocaat € 3.552,50 (2,5 x tarief V ad € 1.421,-- per punt)

Totaal € 4.498,32

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart voor recht dat NN gehouden is de schade ten gevolge van de brand op

27 januari 2013 onder de verzekeringspolis te vergoeden aan [eiser] , vermeerderd met de wettelijke rente;

5.2.

veroordeelt NN tegen kwijting aan [eiser] te betalen de som van € 75.450,- met de wettelijke rente daarover vanaf 11 maart 2013 tot de dag der algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt NN tegen kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 17.500,- aan onderzoekskosten;

5.4.

veroordeelt NN in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 4.498,32, alsmede in de nakosten, forfaitair berekend op € 131,- zonder betekening en op € 205,- met betekening;

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft 5.2., 5.3. en 5.4. uitvoerbaar bij voorraad.

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Von Maltzahn en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2014. 1

1 type: 12 coll: 283