Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:17211

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
27-09-2016
Zaaknummer
SGR 14/1254
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/1254

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.A.R. Schuckink Kool),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: I.M. Groen).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2013 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.

Bij besluit van 13 november 2013 (het primaire besluit II) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor hulp bij het huishouden op grond van de Wmo met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.

Bij besluit van 5 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ten aanzien van het primaire besluit I en ten aanzien van het primaire besluit II ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2014.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser heeft op 13 augustus 2013 een aanvraag ingediend voor verlenging van zijn indicatie hulp bij het huishouden (cat. 1; 4 uur per week) per 1 september 2013 op grond van de Wmo. Bij primair besluit I heeft verweerder de aanvraag afgewezen, met als reden dat uit onderzoek is gebleken dat tot eisers gemeenschappelijke huishouden één of meer personen behoren die in staat worden geacht de huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Bij brief van 23 oktober 2013 is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.2.

Op 11 oktober 2013 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend voor verlenging van zijn indicatie hulp bij het huishouden per 1 september 2013 op grond van de Wmo. Bij primair besluit II heeft verweerder de aanvraag afgewezen, op de grond dat eiser na het besluit van 1 oktober 2013 geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die een nieuw onderzoek of andere beslissing rechtvaardigen. Bij brief van 21 december 2013 is tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

2. Bij het bestreden besluit handhaaft verweerder zijn standpunt dat de indicatie hulp bij het huishouden op grond van de Wmo niet per 1 september 2013 moet worden verlengd. Verweerder heeft hieraan primair ten grondslag gelegd dat er een huisgenoot is die de hulp bij het huishouden op zich kan nemen en subsidiair dat er een mantelzorger is die het huishoudelijk werk doet.

3. Eiser is van mening dat artikel 19, eerste lid, van de Verordening individuele voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning (hierna: Verordening) niet van toepassing moet worden geacht op personen die zijn gaan inwonen met het enkele doel de noodzakelijke huishoudelijke hulp te verschaffen. Indien dat wel het geval zou zijn, zou eiser van hulp verstoken blijven.

4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1. In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren. In het tweede lid is vastgelegd dat het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Artikel 5, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt over door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

4.2.

Artikel 1, sub h, van de Verordening bepaalt dat onder een persoon met beperkingen wordt verstaan, een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij normale deelname aan het maatschappelijk verkeer op het gebied van het voeren van een huishouden waaronder het normale gebruik van de woning, (..).

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Verordening kan de persoon als bedoeld in artikel 1, aanhef, onder h, voor hulp bij het huishouden in aanmerking worden gebracht als hij door zijn beperkingen niet of onvoldoende in staat is tot het uitvoeren van activiteiten op het gebied van verzorgen van het huishouden van zichzelf of de leefeenheid waartoe de persoon behoort.

Artikel 19, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 16, een persoon met beperkingen niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden, als tot de gemeenschappelijke huishouding waar deze persoon deel van uitmaakt, één of meer huisgenoten behoren, die in staat worden geacht het huishoudelijk werk te verrichten.

4.3.

Artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregels hulp bij het huishouden (hierna: Beleidsregels) bepaalt dat ten aanzien van gebruikelijke zorg in artikel 19 van de verordening geldt dat een leefeenheid bestaat uit de personen die deel uitmaken van een gezamenlijke huishouding. Hierbij zijn de gegevens van de GBA leidend. De aanvrager wordt geacht om GBA aan te passen aan de feitelijke woonsituatie.

Artikel 5, negende lid, van de Beleidsregels bepaalt dat bij kamerverhuur, waarbij sprake is van een huurovereenkomst, huurder niet valt onder gebruikelijke zorg. Huurovereenkomst alsmede bewijzen van huurbetaling/ontvangst dienen dan overlegd te worden. Dit lid is niet van toepassing voor eerste en tweede graad familieleden. (..)

5.1.

Niet in geschil is dat het werk in het huishouden wordt uitgevoerd door [persoon] en dat [persoon] in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA) op hetzelfde adres als eiser staat ingeschreven. In geschil is of er sprake is van gebruikelijke zorg in de zin van artikel 19 van de Verordening.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat, nu eiser en [persoon] in het GBA op hetzelfde adres zijn geregistreerd, en eiser gezien de rapportage van 13 november 2013 heeft toegelicht dat er geen huurcontract is en dat [persoon] gebruik maakt van de keuken, het toilet, de douche en soms met eiser van de woonkamer, verweerder het bestreden besluit heeft mogen nemen. Nu het een aanvraag betreft ligt het gezien deze feiten en omstandigheden op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij geen gemeenschappelijke huishouding met [persoon] voert. De enkele stelling dat er sprake is van een mondelinge huurovereenkomst en dat het gebruik van de woning anders is dan uit voornoemde rapportage naar voren komt, is hiervoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Daarbij komt dat eiser ter zitting heeft toegelicht dat er geen sprake is van daadwerkelijke betalingen over en weer, maar dat maandelijks een verrekening plaatsvindt tussen de huurbetaling en de betaling voor de geleverde zorg, zodat eiser feitelijk zelf over het gehele PGB-budget kan beschikken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder heeft mogen aannemen dat er sprake is van gebruikelijke zorg in de zin van artikel 19 van de Verordening en om die reden terecht eiser niet in aanmerking gebracht voor de voorziening hulp bij het huishouden.

5.3.

Voor zover eiser heeft gesteld dat artikel 19, eerste lid, van de Verordening niet van toepassing is op een persoon die bij een hulpbehoevende in huis is gaan wonen om de noodzakelijke hulp bij het huishouden te verschaffen, volgt de rechtbank dit standpunt niet. De relevante bepalingen van de Verordening in samenhang bezien met de Beleidsregels bieden geen aanleiding om eiser in zijn stelling te volgen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Koper, rechter, in aanwezigheid van mr. L.B.J. Leunissen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.