Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:17163

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-08-2014
Datum publicatie
06-06-2016
Zaaknummer
AMS 14/16314 en 14/16312
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel – Somalië – herhaalde aanvraag – documenten van de Somalische ambassade zijn, na accreditatie van ambassade, nova – Somalische nationaliteit nu wel aannemelijk – aanvraag ten onrechte afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/16312 (voorlopige voorziening) en AWB 14/163 14 (beroep)

V-nr: [volgnummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 augustus 2014 in de zaak tussen

[de man] .

geboren op [geboortedatum] 1982, van Somalische nationaliteit, verzoeker,

(gemachtigde: mr. M. Terpstra)

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. K.E. van der Lugt)

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2014 heeft verweerder de aanvraag van 4 juli 2014 van verzoeker tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet ( Vw) 2000 afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij beroepschrift van 10 juli 2014 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij brief van dezelfde datum heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 juli 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redeljkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter zal in deze zaak van deze bevoegdheid gebruik maken.

Ambtshalve overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

3.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat deze aanvraag een herhaalde aanvraag van verzoeker is tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

3.2

Verzoekers eerste asielaanvraag is bij beslissing van 23 september 2004 afgewezen. Verzoeker heeft een nieuwe asielaanvraag ingediend, welke bij besluit van 13 juli 2009 is afgewezen, omdat verzoekers identiteit, nationaliteit en asielrelaas niet geloofwaardig werden geacht. Aan de afwijzing lag een taalanalyse ten grondslag, waaruit volgde dat verzoeker niet eenduidig was te herleiden tot de spraak- en ctiltuurgemeenschap binnen Zuid-Somalië, daarmee niet herleidbaar was tot de spraakgemeenschap van de Reer Hamar bevolkingsgroep en dat hij Sornalisch spreekt zoals gangbaar in Noord-Somalië. Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen heeft het beroep tegen deze beslissing bij uitspraak van 17mei2010 (AWB 09/28773) ongegrond verklaard. Verzoekers derde asielaanvraag is bij besluit van 25 januari 2012 afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. De voornoemde besluiten staan in rechte vast.

4. Volgens vaste rechtspraak kan, indien na een eerder afwijzend besltiit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste aftvijzing.Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen het besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 febrtiari 1998 (Bahaddar tegen Nederland; JV 1998, 45) voordoen.

5. De voorzieningenrechter ziet zich daarom voor de vraag gesteld of sprake is van nova. Onder nova moeten worden verstaan feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden en behoorden te worden aangevoerd, alsmede stukken die kunnen dienen ter onderstetining van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden en behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

6. Verzoeker heeft een aantal documenten van de Somalische ambassade te Brussel aan onderhavige aanvraag ten grondslag gelegd, te weten een geboorteverklaring van 29 april 2014, een nationaliteitsverklaring van 29 april 2014 en een verklaring van de ambassade van 13 mei 2014. Verder heeft hij een aantal artikelen en links naar een film overgelegd, waarin verzoeker bij naam tvordt genoemd als uitgeprocedeerde asielzoeker en wordt geschreven over de situatie waarin hij zich bevindt, heeft hij liet rapport ‘Somalia secttrity and political awareness report 9june to l5june 2014’ overgelegd eti verwezen naar liet ambtsbericht inzake Somalië van december 2013. Verzoeker stelt dat hij nu al tien jaar in Nederland is en verwesterd is geraakt. Ook heeft hij nu een lichte huidskleur. Bij terugkeer zal hij als spion worden aangemerkt. Hij heeft zich publiekelijk meerdere keren negatief uitgelaten over de aanwezigheid van Al-Shabaab in Somalië. Verzoeker is afkomstig uit een gebied dat bekend staat als bolwerk van Al-Shabaab. Voor zover zijn afkomst uit dit gebied

niet geloofd wordt, stelt verzoeker dat Al-Shabaab in staat is in heel Sornalië aanslagen te plegen op personen die in de negatieve aandacht staan. Ook voert At-Shabaab aanslagen uit op liet vliegveld in Mogadishi. Indien uitgegaan zou worden van een afkomst uit Noord Somalië, zoals de taalanalist stelt, voert verzoeker aan dat ook hier aanslagen zijn gepleegd door Al-Shabaab eti hij door zijn lange afwezigheid problemen zal ondervinden bij terugkeer. Verweerder moet bij terugkeer ook meenemen of er stamleden of familie aanwezig zijn in het gebied waarnaar uitgezet wordt.

7. Verweerder wijst de aanvraag af met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Verweerder stelt zich op liet standpunt dat geen bewijskracht wordt toegekend aan de nationaliteits- en geboorteverklaring van de Somalische ambassade. De documenten kunnen hooguit worden gebruikt ter bevestiging van de nationaliteit. Informatie met betrekking tot herkomst moet worden ondersteund door authentieke brondocumenten, dan wel gedetailleerde, consistente en verifleerbare verklaringen. Van informatie met betrekking tot identiteit en herkomst kan niet zonder meer worden uitgegaan. Uit de taalanalyse volgt dat

verzoeker niet afkomstig is uit Zuid-Somalië. De gestelde herkomstplaats wordt daarin niet onderschreven. De documenten zijn bovendien opgemaakt op verzoek van verzoeker. Er is niet aangetoond of onderbouwd dat er een terdege herkomstonderzoek heeft plaatsgevonden. Ze zijn opgesteld enkel door gebruikmaking van de mondelinge gegevens die verzoeker heeft verstrekt en met behulp van drie oudere mannen die in België wonen en van origine uit

[plaats] afkomstig zijn. Indien verzoeker stelt dat hij afkomstig is uit Noord-Somalië had hij dit eerder aan dienen te geven. Het maakt de conclusie dat zijn herkomst niet aannemelijk is niet anders.

8. 1 De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verzoeker nieuwe documenten heeft overgelegd die dateren van na de vorige procedure, te weten een geboorteverklaring vaii 29 april 2014, een nationaliteitsverklaring van 29 april 2014 en een verklaring van de ambassade te Bruissel van 13 mei 2014. Verzoeker stelt dat de ambassade te Brussel niet eerder dan 10 april2014 is geaccrediteerd en vanaf dat moment pas officiële documenten uit mocht geven. Verweerder heeft dit niet gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vanuit dat verzoeker deze documenten niet eerder had kunnen overleggen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de nieuwe documenten wel kunnen afdoen aan de besluiten in de vorige procedures en overweegt daartoe als volgt.

8.2

Verzoeker heeft ter zitting een toelichting gegeven over zijn bezoek aan de Somalische ambassade te Brussel. Hij werd op de ambassade te Brussel uitgenodigd en, zonder dat hij hier van tevoren van op de hoogte was, werd hij geconfronteerd met drie oudere mannen afkomstig uit [plaats] , van wie één van de stam van verzoeker. Met deze mannen heeft hij gepraat en zij bleken zijn oma te kennen en één van de mannen kende zijn moeder. Verder heeft verzoeker informatie met de mannen uitgewisseld en wist hij onder andere te vertellen wie de imam in het gebied was op liet moment dat hij er woonde. Aan de hand vati de door verzoeker en de mannen verstrekte informatie is vastgesteld wie zijn ouders waren en is zijn Sornalische nationaliteit vastgesteld. Gelet op deze, ter zitting uiteengezette, gang van zaken op de Somalische ambassade. kan verweerder, naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet langer volstaan met de overweging in het bestreden besluit hierover. Uit deze overweging blijkt immers dat verweerder voor de vaststelling van de herkomst vereist dat de informatie daarover wordt ondersteund door hetzij authentieke brondocurnenten, hetzij gedetailleerde, consistente en tvaar mogelijk verifieerbare verklaringen. Verweerder heeft geen inhoudelijk oordeel gegeven over de waarde van de verklaringen van de drie mannen uit [plaats] . Ook valt verzoeker, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, bezwaarlijk tegen te werpen dat hij de namen van deze mannen niet heeft gemeld.

8.3

De voorzieningenrechter overweegt verder dat uit het besluit van 13 juli 2009 volgt dat de taalanalyse van doorslaggevend belang is geweest voor het standpunt dat de Somalische herkomst van verzoeker niet wordt geloofd. Dit besluit staat in rechte vast en daarmee is vast komen te staan dat de gestelde identiteit en nationaliteit van verzoeker ongeloofwaardig zijn. In onderhavige procedure heeft verzoeker nieuwe documenten overgelegd. Deze spreken de getrokken conclusies in de taalanalyse niet noodzakeljkerwijs tegen, nu uit de taalanalyse blijkt dat verzoeker uit Noord-Soinalië afkomstig is. Hieruit volgt dat verzoeker van Somalische herkomst zou zijn. Bovendien heeft verweerder zich ter zitting op het standpunt gesteld dat uitgegaan wordt van de Somalische nationaliteit van verzoeker, terwijl de Somalische nationaliteit in vorige procedures niet werd aangenomen. Verweerders subsidiaire standpunt dat indien uitgegaan dient te worden van de juistheid van de door de ambassade verstrekte documenten, er eveneens geen sprake is van nova omdat dit niet afdoet aan de conclusies uit de taalanalyse. volgt de voorzieningenrechter dan ook niet.

8.4

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de overgelegde documenten van de Somalische ambassade te Brussel in ieder geval nova betreffen. Verweerder heeft de aanvraag dan ook ten onrechte met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afgewezen en had de aanvraag inhoudelijk dienen te beoordelen.

9. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7: 12 van de Awb en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bestaat geen noodzaak meer tot het treffen van de gevraagde voorziening. Het verzoek tot het treffen daarvan wijst de voorzieningenrechter daarom af

10. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij stand vast op € 1461,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/163 14,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtnerning van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 146 ,-- (zegge: veertienhonderdeenenzestig euro). te betalen aan eiser.

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/163 12,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen. voorzieningenrechter. in aanwezigheid van mr. M. de Jong. griffier, en in het openbaar uitgesproken op

1 augustus 2014.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift v zonden op:

Conc.: MdJ

Colt.: MvD

D: C

VK

- 1 AUG 2Q1

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen vier weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC s-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.