Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:17027

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3169
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:718, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Bezwaar terecht niet ontvankelijk verklaard; beroep ongegrond. Nu eiser geen CIZ-verklaring heeft overgelegd, heeft verweerder terecht het verzoek om het inkomen van de inwonende zoon buiten beschouwing te laten, afgewezen; beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten 9a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/3169

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

[P] , verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen de hierna onder 1 te noemen beschikking bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 25 maart 2014 het bezwaar niet ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft daartegen op 14 april 2014 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2015.

Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger]

Overwegingen

Feiten

1. Bij beschikking met dagtekening 19 augustus 2011 is de huurtoeslag voor het berekeningsjaar 2009 definitief berekend op € 32 (de beschikking huurtoeslag). Als gevolg hiervan moet eiseres een bedrag van € 2.134 aan ontvangen voorschotten terugbetalen.

2. Eiseres heeft met dagtekening 5 oktober 2011 bezwaar aangetekend tegen de definitieve vaststelling van de huurtoeslag 2009. Dit bezwaarschrift is op 12 oktober 2011 door verweerder ontvangen.

3. Op 24 oktober 2011 heeft eiseres een formulier “Verzoek bijzondere situatie Huurtoeslag” ingediend waarin zij verzoekt rekening te houden met het feit dat zij de zorg heeft voor haar inwonende zoon (het verzoek).

4. Bij besluit van 30 november 2011 heeft verweerder het verzoek afgewezen, omdat het te laat is ingediend. Tegen deze afwijzing heeft eiseres tijdig bezwaar gemaakt.

5. Bij beslissing op bezwaar van 11 april 2012 heeft verweerder het bezwaar niet ontvankelijk verklaard. Tegen deze beslissing heeft eiseres beroep ingesteld. Bij uitspraak van 11 september 2012 is dit beroep, met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, door de rechtbank ongegrond verklaard.

6. Bij brief van 19 september 2012 heeft eiseres verzet gedaan tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 september 2012. Bij uitspraak van 6 februari 2013 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard.

7. Bij uitspraak van 14 januari 2014 heeft de rechtbank het beroep tegen de uitspraak van verweerder van 11 april 2012 op het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van het verzoek gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

8. Bij beslissing op bezwaar van 25 maart 2014 heeft verweerder het bezwaar

niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen deze beslissing op bezwaar beroep ingesteld.

9. Bij uitspraak van 15 september 2014 (de buiten zittingsuitspraak) heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan, waarbij uitsluitend aan de orde kwam of de rechtbank terecht de zaak niet op een zitting heeft behandeld. Bij uitspraak van 23 januari 2015 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard, hetgeen betekent dat de buitenzittingsuitspraak vervalt en het vooronderzoek wordt heropend.

10. Bij beslissing op bezwaar van 28 april 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van het verzoek ongegrond verklaard. Het beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen deze beschikking.

Beslissing op bezwaar van 25 maart 2014

Geschil

11. In geschil is of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Beoordeling van het geschil

12. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indien van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van die wet aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

13. De dagtekening van het in bezwaar bestreden besluit is 11 april 2012. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het besluit pas na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 30 september 2011. Het bezwaarschrift, met dagtekening 5 oktober 2001, is op 12 oktober 2012 door verweerder ontvangen.

14. In bezwaar heeft eiseres als reden voor de termijnoverschrijding aangevoerd dat zij in verband met verblijf in het buitenland de definitieve berekening daadwerkelijk eerst op 5 september 2012 heeft ontvangen en dat zij bepaalde gegevens moest opvragen bij het UWV. Eiseres heeft hiermee en met hetgeen ter zitting is aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij met betrekking tot de overschrijding van de bezwaartermijn in verzuim is geweest en de rechtbank is ook niet van een verschoonbare termijnoverschrijding gebleken. Derhalve is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan niet-ontvankelijkverklaring. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard en dient het beroep van eiseres ongegrond te worden verklaard.

Beslissing op bezwaar van 28 april 2015

Geschil

15. In geschil is of het inkomen van de inwonende zoon voor de vaststelling van de huurtoeslag 2009 buiten beschouwing moet worden gelaten.

Beoordeling van het geschil

16. Ingevolge artikel 2a, eerste lid, van het Besluit op de huurtoeslag (het Besluit) blijft op verzoek voor het toekennen van een huurtoeslag een medebewoner buiten beschouwing indien sprake is van een verzorgingsbehoefte.

Artikel 2a, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit bepaalt dat voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel de verzorgingsbehoefte dient te blijken uit een verklaring van een indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

17. Indien een persoon (in dit geval de zoon van eiseres) thuis wordt verpleegd door een huisgenoot (in dit geval eiseres) en deze verzorging opname in een verzorgingstehuis of inrichting kan voorkomen, is het - gezien de hiervoor genoemde regelgeving - mogelijk om voor de berekening van de huurtoeslag de verzorger (hier de gemachtigde) volledig buiten beschouwing te laten. Daartoe is, voor zover hier van belang, vereist dat een verklaring van - in dit geval - het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wordt overgelegd waarin is aangegeven dat een indicatie bestaat voor opname in een verzorgingstehuis of inrichting.

18. Nu eiseres, ofschoon daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld, de gevraagde CIZ-verklaring niet heeft overgelegd, bestond voor verweerder geen mogelijkheid om bij de herziening van het aan eiseres toegekende huurtoeslag 2009 het inkomen van haar zoon buiten beschouwing te laten. De rechtbank stelt vast dat een dergelijke verklaring ook in beroep niet is overgelegd. Dit betekent dat niet voldaan is aan het vereiste van artikel 2a, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

19. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor een ander oordeel.

20. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 25 maart 2014 ongegrond.

- verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 28 april 2015 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. van der Plas, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2015.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019,

2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)