Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:17022

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-12-2014
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
AWB 14/12184, 14/9374 einduitspraak
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

einduitspraak / artikel 64 Vw / medische noodsituatie bij jonge kinderen met psychische problemen / verweerder heeft het BMA niet gevraagd nader advies uit te brengen naar aanleiding van kritiek van behandelend artsen over gebruikte indicatoren / BMA deskundig en niet verweerder / gebrek niet herstelt.

Verweerder heeft de in de tussenuitspraak vermelde gebreken niet hersteld. Het door verweerder ingenomen standpunt dat geen grond is voor het oordeel dat het BMA-advies niet inzichtelijk is, nu het BMA-advies is gebaseerd op recente informatie van de behandelaars van eiser en dat niet is gebleken van klinische psychiatrische opnames, Bopz maatregelen, psychotische klachten in het verleden of andere belangrijke crisissituaties (zoals een gedocumenteerde suïcidepoging) is geen antwoord op de vraag of de door het BMA-gebruikte indicatoren zonder meer toepasbaar zijn op minderjarigen (10 jr). In dat verband overweegt de rechtbank dat verweerder, zoals ook in de tussenuitspraak is overwogen, het BMA op dit punt om een gemotiveerde reactie had moeten vragen [op de rapportage van Centrum ’45, waarin wordt geconcludeerd dat de indicatoren die het BMA hanteert om te beoordelen of het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie wordt verwacht, niet meer zonder meer toepasbaar zijn bij (jonge) kinderen]. Het BMA is immers op dit punt deskundig en niet verweerder. Beroep gegrond en vernietiging van het bestreden besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2015-08-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/12184 (beroep)

AWB 14/9374 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 23 december 2014 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Georgische nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. S.Q. Sandifort, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het toepassen van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 afgewezen.

Bij besluit van 20 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2014. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens was de vader van eiser aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 14 november 2014 (aangehecht) heeft deze rechtbank en zittingsplaats, conform artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Bij faxbericht van 25 november 2014 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld het bestreden besluit te handhaven en een nadere toelichting gegeven.
Bij faxbericht van 4 december 2014 heeft eiser een schriftelijke zienswijze ingediend.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, Awb bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Hierop is het onderzoek gesloten en de uitspraak bepaald op heden.


Overwegingen

  1. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat verweerder in het bestreden besluit voorbij is gegaan aan de in bezwaar aangevoerde grond dat het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) niet inzichtelijk is, nu hieruit niet blijkt dat rekening is gehouden met de minderjarigheid van eiser. Niet duidelijk is of de parameters/indicatoren die de BMA-arts gebruikt, om vast te stellen of bij uitblijven van een behandeling sprake zal zijn van een medische noodsituatie op korte termijn, voor kinderen adequaat zijn. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek.

  2. Het door verweerder in zijn brief van 25 november 2014 ingenomen standpunt dat geen grond is voor het oordeel dat het BMA-advies niet inzichtelijk is, nu het BMA-advies is gebaseerd op recente informatie van de behandelaars van eiser en dat niet is gebleken van klinische psychiatrische opnames, Bopz maatregelen, psychotische klachten in het verleden of andere belangrijke crisissituaties (zoals een gedocumenteerde suïcidepoging) en geen contra-expertise is overgelegd voor twijfel aan de conclusie van het BMA, is geen antwoord op de vraag of de door het BMA-gebruikte indicatoren zonder meer toepasbaar zijn bij minderjarigen. In dat verband overweegt de rechtbank dat verweerder, zoals ook in de tussenuitspraak is overwogen, het BMA op dit punt om een gemotiveerde reactie had moeten vragen. Het BMA is immers op dit punt deskundig en niet verweerder.

  3. Nu verweerder het BMA niet om een inhoudelijke reactie heeft gevraagd, heeft verweerder de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken niet gerepareerd. Het bestreden besluit is – gelet op de tussenuitspraak – niet zorgvuldig tot stand gekomen en mist een deugdelijke motivering. De rechtbank zal het beroep, onder verwijzing naar de rechtsoverwegingen opgenomen in de in kopie aangehechte tussenuitspraak, gegrond verklaren, omdat het bestreden besluit in strijd is met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:46 Awb.

  4. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

  5. Met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb zal verweerder worden veroordeeld in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 974,- (1 punt voor het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

  6. Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de voorzieningenrechter dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

Verzoek om een voorlopige voorziening

7. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

8. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

9. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoekster heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 487,- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).

Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de voorzieningenrechter dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.


Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen een termijn na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op € 165, te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 974,- te betalen aan eiser

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek af;
- draagt verweerder op € 165,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht;
- veroordeelt verweerder in der proceskosten en draagt verweerder op € 487,- te beetalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.S.O.L. Chung A Hing, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2014.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen de tussenuitspraak en deze einduitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.